Onze Belijdenis.
Art. 17a. Wij gelooven, dat onze goede God door Zijne won-' derlijke wijsheid en goedheid, ziende dat zich de niensch alzoo in den lichamelijken en geestelijken dood geworpen en geheel ellendig gemaakt hadj zich zelven begeven heeft OHI heni te zoeken, toen Hij al bevende voor Hem vlood.
LXVIII.
Het plan Gods tot verlossing van Zijn volk ligt in Gods eeuwigen raad. Maar dat plan Gods was op zichzelf niet genoeg, indien het niet uitgevoerd werd.
Trouwens omdat hiet een plan van God was kon het niet onuitgevoerd blijven. Het besluit Gods droeg dan ook de uitvoering in zich. Het zou zelfs zijn karakter van besluit verliezen, indien het in den tijd niet tot openbaring en verwezenlijking kwam. Wanneer wg, menschen een besluit nemen is dat niet het geval. Immers wij kunnen op een eens genomen besluit vaak zoo gemakkelijk terugkomen; wij kunnen onze plannen zoo spoedig veranderen. Daar is zelfs niets dat ons verhindert om onze plannen dermate te wijzigen dat wij juist het omgekeerde doen van wat wij eerst besloten hadden.
Maar met God is dat heel anders. Immers Hij is de Onveranderliijke in zich' zelf. Wanneer Hij iets besloten heeft, dan kan daarin door Hem geen wqziging meer aangebracht worden, dan zou God ophouden God te zijn indien Hij er op Zijn tijd en wijze geen uitvoering aan gaf.
Vandaar dan ook dat de Heere het raadsplan tot verlossing en zaligheid van Zijn volk dat Hij in de eeuwigheid nam, in den tijd uitvoert en dat de Heere dat reeds gedaan heeft aanstonds na den val, toen door dien val de wederoprichting van het gevallen menschdom noodzakelijk was. Ja, de mensch had zich zei ven geworpen in den lichamelijken en geestelij ken, dood en had zich door de zonde geheel ellendig gemaakt. De mensch immers had. zich door te eten van de verboden vrucht en door zich dies te vergrgpen aan Gods heilig en onkreukbaar recht, afgesneden van zijn levenswortel.
En zoodra had hij dat niet gedaan of de dood trad in.
Was door éénen mensch de zonde in de wereld gekomen, door die zonde kwam de dood om zijn stempel te drukken op al het geschapene, en sinds dat oogenblik zucht alles hier op aarde onder zijn wreede hand aan welks greep niets of niemand ontkomt. En niet alleen dat de lichamelijke dood macht over ons kreeg, niet alleen dat in dien zin ook aan een iegelijk ' onzer het woord eenmaal bevestigd zal worden: gig zijt stof en gij zult tot stof wederkeeren", maar ook de geestelijke dood heeft niet nagelaten ons gansche leven te vergiftigen. Het is dan ook een diep ellendige toestand waarin de zondaar van nature verkeert. En niet alleen de mensch maar ten gevolge van de zonde is het een droeve werkelijkheid die de apostel Paulus pns in Rom. 8:22 geteekend heeft: Wij weten dat het gansche schepsel tezamen zucht en tezamen als in barensnood is tot nu toe". Ja, de gansche wereld lijdt onder den vloek der zonde; daar is geen enkel terrein waarop de doornen en distelen niet bloeien* Zeker, daar zijn ook in ons natuurlijk leven nog vele goede dingen waarin de mensch zich als in een vrucht van Gods algemeene genade verblgden en verlustigen mag, maar dat doet alles^ niets af aan de waarheid dat de geschiedeniis der wereld een geschiedenis van twist en strqd, van bloed en tranen, van gerichten en oordeelen is, en dat wij het woord van Mozes uit den 90 Psalm zoo telkens hier weer bevestigd zien worden: Wij vergaan door Uwen toorn en door Uwe grimmigheid worden wij verschrikt". Neen, dat zal door niemand die ons leven onbeneveld beziet ontkend kunnen worden dat God een twist heeft met Zijn schepsel en dat het dies waar is dat het uitnemendste Van dit leven niets anders is dan moeite en verdriet. Ach, vele menschen zeggen wel eens alléén uit de natuur te kunnen opmaken dat God liefde is. Zij meenen daarvoor dan de bijzondere openbaring van het Woord des Heeren niet noodio te hebben. De natuur, meenen zij, leert hun dit wel. Maar daar is geen grootet zelfbedrog denkbaar dan dat.
Immers als wij het geheel der dingej met een natuurlijk oog beschouwen, dan bemerken we dit, dat er hier op aarde niet anders dan strqd en verwijdering niet zelden twist en tweedracht, sonj^ zelfs op groote schaal moord en doodsla» bestaat. In de eerste plaats is daar strijd tussehen God en den mensch. God is het niét eens met den mensch en de mensch is het niet eens met God. Maar dan verdei is daar strijd in de wereld tussehen ^j schepselen onderling; daar is strijd onder de dieren, zelfs strijd bq de planten; het een wordt immers door het andere vet. drongen, vaak zelfs verslonden en ver. teerd. En wie kent niet iets van dien hangen strijd om het bestaan die daar inzonderheid in de menschenwereld gestreden wordt. Wat een strijd niet alleen tussehen den eenen mensch en den andet soms zelfs tussehen degenen die van Godswege door bijzondere banden aan elkaar verbonden of op elkander aangelegd zijlij maar wat een strijd ook tussehen de verschillende rangen en standen in de maatschappij, ja wat een. bange worsteling tussehen vorsten en volken, inzonderheid in de veelbewogen dagen die thans worden doorleefd. En zoo heerscht allerwege een droeve wanorde, die de dingen en de menschen van God en van elkander gescheiden doet zijn.
In zekeren zin behoeft ons dat niet te verwonderen. Immers daarin zien we juist een der droeve gevolgen van onzen geestelijken dood. Met dien geestelijken toch is het net als met den natuurleken dood. Ook die dood blijkt altoos weer ontbinding te zijn. Nietwaar, zoolang het leven er ^ ie, is er ook saambinding en saamwerking van de verschillende krachten en deelen waaruit ons lichaam bestaat. Maar zoodra is het leven geweken en de dood ingetreden of daar komt ontbinding van datgen« wat oorspronkelijt op elkaar aangelegd was. En zoo is het nu ook met den geestelijken dood. Zoolang de mensch in den staat der rechtheid in levensgemeenschap stond met zijnen God, werkte zoowel in als buiten dien mensch alles samen tot één harmonisch geheel. Maar nauwelijks was de baud doorgesneden die het pronkstuk der schepping aan den eeuwig-levende bond, of daar kwam geestelijke ontbinding, daar ontstond zoowel in al buiten den mensch een bittere strijd die door geen vredesbeweging uit het schepsel kan te niet gedaan worden. En in dien strijd is nu juist de toorn Gods over de goddeloosheid der menschenkinderen tot openbaring gekomen. Ja, onder dien goddelijken toorn gaat de gansche schepping gebukt. Bitter is het nameloos wee waarin inzonderheid de menschheid yetzonken ligt. Wie zal ze tellen de tranen die daar geschreid worden? Wie zal ze tellen de druppelen bloeds die daar vergoten worden? Wie zal wegen het ontzaggelijk leed dat daar in dit jammerdal wordt getorst?
Wat een diepe ellende dus waarin de mensch door zich van God af te snijden zichzelf met al het geschapene heeft gestort, Geheel ellendig zichzelven gemaakt", deze teekening van den droeven staat des menschen is waarlijk niet te scherp, .
Maar is er dan in den gevallen mensch geen behoefte aan verlossing? Begeert hij niet uit zijn diepen val opgericht en hersteld te worden? Helaas dat op deze vragen in den grond der zaak ontkennend geantwoord moet worden. Zeker, daai is wel een verlossing die de mensch begeert. De geschiedenis van eeuwen heeft het bewezen dat de menschheid steeds 'gezocht heeft en nog zoekt naar een verloren paradijs hier op aarde. In zekeren zin kah zelfs gezegd dat daai in alle menschen - een begeerte is naai een duurzaam levensgeluk, en het is deze begeerte die bepaaldelijk in den gods dienst tot uiting komt. Vanwaar ander: at in alle godsdiensten gezocht wordt naar e^n weg om van het kwaad verlost te worden? Zelfs den heidenen is hei daar altoos om te doen geweest om vat hetgeen men zich kwaad dacht bevrijd en om daartegenover datgene wat mei goed dacht deelachtig te worden. Vandaal dat ook de heidenen, ook al hebben z^ het dan op verkeerde wijze gedaan, naai het Woord des apostels in Hand. 17 : 27, den Heere gezocht hebben of zij Hem immers tasten en vinden mochten. Maar al komt de gedachte aan verlossing ook in alle godsdiensten vóór, dat is nog geenszins een bewijs dat de mensch zoekt naar de ware, de eenig mogelijke verlossing, die niet alleen voor ons, maar die ook vooi den Heere bestaanbaar is.
De verlossing waarnaar de mensch gezocht heeft en nog zoekt is een verlossing naar ons inzicht en op ons goed dunken gegrond, maar ook in dezen geldt het dat Gods wegen zooveel anders zgn dan onze wegen en Gods gedachten zooveel hooger dan onze gedachten. De weg waarlangs wij verlost willen worden is een zelf-uitgedachte en eigenwillige weg, rustend op voorstellingen die wij ons zelf van God hebben gevormd en die daarom altoos valsche voorstellingen zijn. De weg waarlangs wij verlost willen worden is dan ook in den grond der zaak een weg van zelf-hulp. Wij willen ons zelve verlossen en dat is nu juist wal eeuwig onmogelijk zal zijn. Wij kunnen ons zelf en wij kunnen onzen broeder aiet verlossen. Daarvoor is de verlossing onzer ziel veel te kostelijk.
Maar nu lijnrecht tegenover de wegen die de mensohheid zichzelf heeft uitgedacht om verlost te worden, staat d!e weg dien de Heere heeft uitgedacht, dien Hij in den eeuwigen Vrederaad in Zichzelf heeft voorgenomen en dien Hg' nu in den tijd openbaart als den eenigen weg tot 'verlossing en zaligheid. En waar nu de eigenwillig uitgedachte verlossing van den mensch altoos van den mensch uitgaat, met den mensch begint en ten slotte ook weer in den mensch eindigt, daar is het in de verlossing die God uitdacht juist andersom. Die verlossing gaat van God uit, geschiedt door God en zal ten' leste ook weer tot God wederkeeren.
Ja, daarin is de ware verlossingsleer die ons in Gods Woord geopenbaard is, onderscheiden van alle valsche verlossings-ideeën die de mensch zichzelven vaak vormt, dat volgens de laatsten de mensch zijn eigen verlossing tot stand moet brengen, en daarom ook altoos zelf aan het werk moet om de gemeenschap met God weer deelachtig te worden, terwgl volgens de eerste de mensch uit of van zichzelf nooit naar den Heere gevraagd of gezocht zou hebben, daarentegen hoe langer hoe verder van den Heere zou afwijken, indien het niet was dat God Zijn eeuwige Vredesgedachten daarin had geopenbaard dat Hij Zichzelf had begeven om den verlorene te zoeken en dat Hij Zijn Zoon had gezonden om te zoeken en zalig te maken wat verloren lag. Wonderlijk wijs en wonderlijk goed is het dan ook van de Heere geweeist dat Hij, ziende den diepen val en de diepe ellende waarin de mensch zichzelf had gestort, een weg heeft ontsloten waarlangs de mensch met behoud van Gods recht door Gods vrije gunst en genade verlost en gezahgd zou worden.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 januari 1917
De Waarheidsvriend | 7 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 januari 1917
De Waarheidsvriend | 7 Pagina's