Uit het kerkelijk leven.
De plaats onzer Belijdenisgeschriften
De echte leden oüzer Hervormde (Gereformeerde) Kerk rekenen zich aan hare belijdenis gebonden; niet uit slaafsche ingenomenheid met menschen werk; üiet in tegenspraak met het beginsel der Hervorming, dat de Bijbel, gehéél de Bijbel en niets dan de Bijbel, de grondslag is van het geloof; maar dewijl zij in de Formulieren van eenigheid de hoofdpunten en groote omtrekken der Evangelieleer uitgedrukt vinden, niet naar het goeddunken van menschen, maar overeenkomstig Gods Woord.
'Duizendmaal is gezegd en nagezegd, dat het aannemen van Formulieren in éene protestantsche Kerk aan verloochening van haar beginselen gelijk is.
Maar hierin vergist men zich. Want zegt men: onvoorwaardelijk geloof aan den Bijbel is voor de protestantsche Kerk, zonder verdere belijdenis, genoeg, dan vergeet men dat men hier niet te doen heeft met 't geen ieder christen voor zichzelf heeft te gelooven, maar wat de Kerk als zoodanig heeft te belijden.
En als er in de Kerk geen geloofsbepaling en geen gemeenschappelijke geloofsovertuiging is, dan is er geen Kerk; dan zal er of volslagen verwarring of volslagen onderwerping aan het afwisselend gevoelen van geestelijken en geleerden zijn; er zal of anarchie der meeningen of duizenhoofdig pausdom ontstaan.
De Hervormden hebben zich' dan ook niet tegen het verbindende eener Kerkleer verklaard. Integendeel. Overal waar de protestantsche Kerk tot openbaring kwam ontstonden geloofsbelgdenissen, om tegen de dwalingen van den tijd positie te kiezen en een' band der eenheid te wezen onderling. Zoo ontstond in 1530 de Confessie van Augsburg; in 1559 debe-Igdenis der Kerken in Frankrijk; in 1562 de 39 artikelen der Episcopaalsche Kerk in Engeland; in 1560 de belijdenis in Schotland en in 1561 de Nederlandsche geloofsbelijdenis voor de Kerken in dezen lande opgesteld door Güido de Brés (in 1568 in het Nederlandsch overgezet). Krachtige getuigenissen des geloofs, waar de eenheid des Geestes zich heerlijk in de verscheidenheid der letter openbaart, meestendeels ontwol^en bij het lichten van de brandstapels en bij het duchten van levensgevaar.
Die belijdenisschriften hebben de Hervormers als de grondslagen der Kerkgemeenschap beschouwd; en hun overtuiging was, dat men eerlijkheidshalve verpHcht was die Kerk te verlaten tegen welker belijdenis men onoverkomelijke bezwaren had.
Den Bgbel, zonder nadere verklaring, als éeriig richtsnoer voor eene Kerk te verlangen, achtte men miskenning van het karakter der Kerkgemeenschap en van het werk des Geestes in den Ipop der'eeuwen verricht.
Wat men evenwel niet zou dulden was: dat de belijdenis der Kerk werd losgemaakt van den Bijbel.
Dan zou het protestantisme ontrouw worden aan zijn beginsel. Want de Heilige Schrift is de eenige en hoogste regel voor geloof en leven. De Bijbel is kenbron en proefsteen der'waarheid.
Daarom moet de belijdenis der Kerk ook steeds op kerkelijke vergaderingen getoetst worden aan de Schrift. Er moet levend contact zijn en blijven tussehen de confessie en den Bqbel. Hierdoor worden kerkvergaderingen en kerkelijke belijdenisschriften niet van waarde en invloed beroofd.
Geenszins. Want feder lid der Kerk is in die hoedanigheid tot eerbiediging der grondslagen der kerkgemeenschap gehouden. En hiertoe zijn de leeraars in dubbele mate verplicht.
Maar de Heilige Schrift is en bliijft hei hoogste gezag, zoodat er ook steeds gelegenheid moet zijn, dat op de v, ergaderingen waar de kerken samenkomen, haar confessie aan de Schrift kan worden getoetst, opdat de confessie, in dien zq overeenk^omstig de Schrift is, blijve; of dat zij worde gewijzigd of dat worde verduidelijkt en naar de behoefte van den tijd uitgebreid.
Daarom vragen we ook weer naar die kerkelijke vergaderingen, waar méér kan worden gedaan dan stembriefjes invullen om leden van een vast Bestuur te kiezen; maar waar weer gespoken kan worden over de belijdenis onzer Herv. Kerk, zooals deze ook in de donkere jaren van 1816 en-later doof Gods bizondere zorge ons bewaard is gebleven.
Want ja, onze Herv. Kerken hebben nog heur belijdenis. Daar waakte de Heere voor I Maar de belijdenis der Kerk mag er niet als een dood voorwerp, als een steen blyven liggen.
Er moet levend contact komen tussehen de kerken en haar confessie, gelijk tussehen de confessie en de Heilige Schrift.
Vruchteloöze moeite?
Men kan in een moedelooze bui verkeeren. Dat zal ieder wel eens overkomen. Er kunnen ook soms dingen zijn die zóó aanpakken, ' dat men op een oogenblik de kluts kwijt raakt. Maar dat moet dan niet èl te lang zoo duren. Want als we óns pogen dan misschien mislukt zien, dan moet er maar iets ènders voor in de plaats komen, en wel iets anders, dat hooger staat dan het ónze was. De Heere is er ook nog 1 En ja, juist dat Hij er nog is, is toch maar 't voornaamste. Was Hij weg, dan was alles weg. Maar nu Hij er nog is, nu is het niet buiten hope, ook al is óns pogen ijdel gebleken! Luthers vrouw wist het wel. Toen Dr. Maarten moedeloos was uitgegaan sloot zij de vensters. En toen haar heer doctor thuis k^am en verschrikt vroeg: „wie is er dpod ? " toen antwoordde zijn Cathrien: „weet gij 't nog niet? God in den hemel is vandaag gestorven!" Dat was een remedie voor den grooten .geloofsheld, die moedeloos tussehen de pakken w^as gaan zitten, en vroolijk begon hg te zingen : „Want God, de HEER, zoo goed, zoo mild, is 't allen tijd een zon en schild; Hij zal .genade en eere ..geven; Hij zal" hun 't goede niet in nood onthouden, zelfs niet in den dood, die in oprechtheid voor Hem leven.
Welzalig, HEER, die op U bouwt, en zich geheel aan U vertrouwt."
Dat was een mooie oplossing bij het het moeilijke vraagstuk: wat zal er van worden ?
De zon was door de donkere wolken heengebroken.
De Heere leefde weer. En dat was alles waard
Wij hebben ook onze oogenblikken van moedeloosheid wel. Ook ten opzichte van het kerkelijk vraagstuk. Er kunnen soms dingen gebeuren, die een mensch heelemaal verbaasd en verbluft en beteuterd doen staan. Als b. v. een orthodoxe synode weer eens een bewijs gegeven heeft wat er ook zelfs door een orthodoxe synode nog kan worden gedaan om de boel in de war te sturen I
Maar — die oogenblikken van moedeloosheid mogen niet te lang duren. Dan moet Jes. 40 maar weer eens gelezen worden en als daar dan iets van mag worden genoten, dan is men er weer uit! Dat is een geestelijk bad. Dat verkwikt, troost, staalt en sterkt; en met nieuwen moed gaat het, weer voorwaarts.
Kan en mag dat? Ja, zeker! Als 't er ons om te doen is om te midden van de sinds 100 jaren verworden toestanden in onze aloude Gereformeerde Kerk de Waarheid Gods te brengen, die Waarheid te verdedigen, aan te prijzen, te verbreiden, ja, dan mag men in onze dagen — na Jes. 40 gelezen te hebben! — met nieuwen moed voortgaan. En 't smart ons steeds wanneer vooral jonge mannen, die nog zoo'n schoone toekomst voor zich hebben, al geneigd zijn moedeloos langs den weg te gaan zitten, anderen toeroepend: „hou maar op, hou maar op, want er is toch niets aan te doen."
Is men zélf al begonnen?
Heeft men zelf ai iets gedaan ?
Zoo niet, wat recht heeft men dan te zeggen: er is toch niets aan te doen ? En waarom staat men op, om anderen van hun arbeid af te trekken?
En indien men wèl iets gedaan heeft, weet men dan niet, dat alle dingen moeilijk zijn, vooral in 't begin; dat de practijk lang niet altijd zóó maar past voor de theorie en dat men al doende leert én ook al doend.e bemoedigd, gesterkt en gezegend wordt?
De toestanden zijn in het middèh van onze Herv. Kerk geheel verworden.
Dat zal geen gereformeerd tegenspreken. mensch
Ze zijn leelijk verworden 1 't Staat veelszins treurig in onze Herv. Kerk. i
Maar zijn we misschien ook dikwijls! veel te eenzijdig? Veel te ondankbaar?
Reden'eeren we dikwijls niet in ontevredenheid, omdat nog niet verwezenlijkt is wat wij nu zoo mooi hadden uitgedacht en wat nu nog maar niet komen! wil? ' i
Zien we daardoor misschien . voorbij : wat de Heere intusschen deed? |
Wij kleine • menschjes, die maar zoo luttel aantal dagen hebben, wij rekenen i dikwijls zoo verkeerd, zoo dwaas, zoo echt als kleine menschjes.
En als het dan niet komt wat wij ons hadden gedacht, dan is het alles gewis verloren en geheel hopeloos! Berg de boel maar op! Omdat het niet gegaan is zooals wij" het hadden klaar gemaakt!
Och, arme! De Heere is veel grooter dan wij; Hij heeft ook meer tgd ; en als ons peuterwerk dan, plat tegen den grond komt liggen, dan werkt de Heere intusschen Zqn grootsch en goddelgk werk, dat er nog zijn zal, als wij al lang vergeten zijn!
Wij zijn zoo dwaas. . Omdat we zoo klein eur soms zoo aanstellerig-eigenwijs kunnen zijn.
Omdat we het veel beter weten dan God zelf. Omdat we het zoo gauw, zoo mooi, zoo bij uitstek practisch meenen te kunnen dqen. Omdat we Gods eer toch zoo willen verhoogen en omdat we alles in een oogenblik denken te kunnen redden en met zegening vervullen.
Maar daar is de Heere dan niet mee gediend.
Waarom niet?
Omdat er dan eigenlijk voor Hem niets overblijft te doen!
Wij hebben^ het zoó mooi, zoó vlug, zoó goed in tilkaar gezet, dat er voor den Heere eenvoudig niets meer valt te werken. En — dat begrijpen we toch zeker wel? — de Heere laat zich zóó maar niet er uit dringen! Hij wil juist de centrale plaats hebben en houden.. Hij wil dat het zóó gaat, dat ieder van de vromen zegt: dat heeft de Heere gedaan!
We zijn toch ook dikwijls zoo eenzijdig en zoo. onbillijk.
Want heeft de Heere nu niets gedaan in de laatste honderd jaren tot zegening van onze Herv. Kerk?
Is er in de laatste 50 jaren, na Scheiding en Doleantie, niets meer gezien van 's Heeren zegenende hand?
Is er voor een gereformeerde, wanneer hij eens rustig zich zet om alles te overzien, niet oorzaak, om uit te roepen: de Heere heeft ons nog niet verlé, teii en Zijne goedertierenheden zijn eiken morgen weer nieuw?
' En neen I nu bedoelen-we niet, dat zoo iemand dan niet meer z'n moedelooze en troostelooze oogenblikken heeft, wanneer alks zoo donker kan zijn en zoo hopeloos kan schijnen.
Want die oogenblikken zullen niet ontbreken.
Maar al werkende, naar uitwijzen van Gods Woord, om de 'uerworden toestanden in het kerkelijk leven zooveel mogelijk te brengen tot 't geen de Heere ons daarvan in Zijn Woord heeft bekend gemaakt, mogen we dan telkens weer ervaren, dat de Heere zelf van jaar tot jaar bezig is over onze Herv. gemeenten en over onze Herv Kerk te waken en ten spijt van de vijanden en ondanks der vrienden zonde, lauwheid en nalatigheid.
Wat geeft de Heere nog veel goeds na zooveel zonden I
Wie heeft dat gewerkt in stad en dorp, dat vragen naar de waarheid?
Hebben de modernen dat gedaan? Heeft de Scheiding dat gedaan? Heeft de Doleantie dat gedaan?
Neenl dat heeft Ood gedaan. Wie verwekt de predikanten? Dat heeft God gedaan.
Wie waakt nog over onze Hoogescholen? Dat heeft God gedaan.
Een wonder, een groot? wonder is 't, dat onze Herv. Kerk nog niet geheel gemoderniseerd is. Een goddelijk wonder, dat in stad en dorp nog een rechtzinnige prediking is.
Ga van Amsterdam pver Haarlem, Leiden, Den Haag, Delft, Rotterdam, Woerden, Utrecht, Ede, Arnhem, Kampen naar Groningen: en is daar een prediking om Christus te hoonen, om Gods Waarheid te verkrachten, om zielen te misleiden, om voor de eeuwigheid te bedriegen ?
Dat zou toch geen wonder zijn? Dat hebben we toch verdiend! Niet alleen in algemeenen zin genomen; maar ook naar 't geen we opzettelijk hebben gedaan.
Men heeft het verzondigd en verknoeid in de Herv. Kerk.
Men is er uitgegaan.
Men heeft haar met steenen en modder geworpen.,
Men heeft er niets voor over gehad dan smadelijke woorden, 't Was immers de incarnatie van Babel, Sodom en Gomorra! "
En zoo hebben de menschen haar dan aan haar lot overgelaten.
Maar de Heere niet! Neen, de Heere nieti Zijn Zijne zegeningen niet talrijk? Ook voor haar als Kerk?
Heeft de Heere haar de belijdenis niet bewaard; komt er niet veel meer vragen naar de oude waarheid in Friesland en Noord-Brabant, in Zeeland en Gelderland, in Utrecht en Zuid-Holland?
Zeker! we hebben en houden die oogenblikken van teleurstelling en van moedeloosheid; die oogenblikken dat het zoo donker, zoo troosteloos, zoo hopeloos is. ' Maar heeft de Heere dan niets gedaan in de 100 jaren, die nu achter ons liggen? 1817 of 1917 — maakt het geen verschil?
En dat, in weerwil van Scheiding en Doleantie, toen zooveel bloed aan onze aloude Gereformeerde Kerk is afgetapt?
Neen — wij hebben nu onze moedelooze en hopelooze stemming gelukkig üiet.
We kunnen ook niet goed hebben, dat men doet alsof er nu honderd jaar niets gebeurd is in onze Herv. Kerk.
Én we zouden allen die zoo pessimistisch gestemd zijn willen toeroepen: lees Jesaja 40 nog eens; alsook: laat ons bij onze plannen ook nog iets overlaten aan den Heeré, opdat niet alles op rationalistisch-filosofische wijze worde klaar gemaakt, waarbij er eigenlijk voor den Heere niets meer overblijft om te doen.
Want we zullen anders met ons mooie, vlugge, knappe werk in een kuil vallen!
Terwijl het beter is, om Gods Woord op te nerhen en naar Gods getuigenis te spreken, zeggende: Het is tijdvoorden HEERE dat Hij werke, want zij hebben Uwe wet verbroken". (Ps. 119:126).
Geef, geef aan het geloof ook een. plaatsje Dan is ons werk niet ijdel in den Heere De bewijzen zijn er voor.
En de beloften liggen er voor.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 januari 1917
De Waarheidsvriend | 7 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 januari 1917
De Waarheidsvriend | 7 Pagina's