Stichtelijke overdenking.
Hij was in de wereld en de wereld is door Hem 'gemaakt, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij is gekomen tot het zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zoovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijnen naam gelooven. Joh. I : 10-^2.
Het licht is de voorwaarde van alle leven. De duisternis is benauwend als het rijk des doods. Het moet beklemmendangstig zijn geweest in Egypteland, toen drie dagen lang de zwarte nacht niet week. Hoe blijde stemt het morgenrood, wanneer het — na den aan 'tkrankbed doorwaakten nacht — den donkeren hemel kleurt met rossen gloed, ten teeken dat de zon in aantocht is, en straks haar volle stralen zal uitzenden over 't aardrijk.
Het licht wekt leven en doet wonderen. De zon doet in den killen grond den zaadkorrel ontkiemen; zij maakt, dat het glanzend groen uitspruit en de bloemknop zwelt en ontluikt. Ook zuivert en loutert het licht; het bant de ongerechtigheden, die in de duisternis welig tieren.
't Is bekend, hoe in de hedendaagsche geneeskunde, het licht in klimmende matg als medicijn wordt toegepast. Kortom, het ééne woord licht vertolkt een volheid van gedachten, die wijzen op leven, bloei, koestering en genezing. Het is dus wel een benaming van diepen zin en rijke zeggenskracht, die de Evangelist Johannes op den Heere Christus toepast, wanneer hij van Hem getuigt: dit is het waarachtige lickt, hetwelk verlicht een iegelijk mensch, komende in de wereld 1 In natuur en genade is Christus de Lichtbron. Van die eenige, eeuwige Zonne is alle licht slechts weerschijn. Hij is het Licht der lichten; het Licht van alle licht. Hiermede wordt tegelijk gezegd, dat Hij, Die zoo rijke gave beteekent, volstrekt onmisbaar is; buiten Hem is s 't een eeuwige nacht. In de Schriftwoorden, boven deze Overdenking afgedrukt, wordt de ontvangst beschreven, die het Waarachtige Licht ten deel valt; in drie woorden weer te geven verwaarloosd — verworpen — aangenomen!
Hij was in de wereld: deze woorden doelen niet op 's Heeren omwandeling onder de menschen na zijn Vleéschwording; hier is sprake van een relatie, waarin het eeuwige Woord, eerhetvleesch wierd, tot de wereld stond. Hij was het licht, dat in de duisternis scheen. De
wereld is duisternis in zichzelve, in natuurlijk en in geestelijk opzicht. Alle licht daalt van Boven. Vader der lichten heet de eeuwige God, omdat Hij is de Vader van den Zoon. De wereld is de werk-en schouwplaats van het eeuwige Woord.
Hij was in de wereld; dit is geen ledig, geen werkeloos zijn, neen, veeleer een aller-werkzaamste tegenwoordigheid.
Zonder ophouden draagt Hij al 't geschapene, bezielt alle leven, en doet Zijn lieht uitstralen over alles. Geen zonnestraal noch flonkerende star licht buiten Hem. Geen-lichtglans van kennis of verstandelijk weten, of hij daalt af van Hem; 'geen inspraak, hoe flauw ook, van 't geweten; geen vonkske, hoe zwak ook, der aangeboren Godskennisse, of 't is al uit Hem. Denk Zijne alvervullende werkzaamheid weg, en alles verzonk m den eeuwigen nacht des afgronds.
En de wereld is door Hem gemaakt; zij is en zij woi'dt door Hem gemaakt. Zijn werk is een altijd-voortgaand, immerdurend werken; alle schepselen spraken Zijn taal en waren uitstralingen Zijner heerlijkheid; "en de mensch zelf, ook Zijn maaksel, was bovendien van Zijn geslacht, zoo dicht aan Hem verwant, » zoo diep van Hem afhankelijk, dat wig in Hem leven, ons bewegen en zign.
De kiemkracht in den zaadkorrel; de voedende kracht van het graan; de geneeskracht in het kruid wordt door Hem gewrocht en gedragen.
, Aller oogen wachten op U, en Gij geeft hun hunne spijs te zijner tijd"; regen en zonneschijn, dauw, warmte, denk-en spierkracht, zoowel als de teedere drang, die in de moeder woont over haar kind, hét wordt alles door Hem verwekt en gedragen.
Zoo kan de eisch der Schrift op geen tegenspraak stuiten: alles moet Hem eeren; alles wat adem heeft love den Heere I
Maar wj|it komt hier nu van?
De wereld heeft Hem niet gekend; ondanks Zijn zorg en zegen heeft Hemde wereld niet gekend; het maaksel kende den Maker niet; de stroom, die voortdurend uit de Bron werd gevoed, verwijdert zich al verder van haar en keert niet weder, om haar aanbidding en eere te brengen. Nog moge het vogelkoor als bij instinct zijn zang aanheffen, om den Schepper te eeren ; de menschwereld heeft Hem niet gekend maar verwaarloosd en haar eerelied aangestemd ter zelfverheerlijking.
Zelfverheffing en Godverzaking is de harteklop van het wereldleven ; verwaarloozing van het Woord, dat bij God was en zelf God was en door hetwelk alle ding gemaakt is.
De wereld heeft Hem' niet gekend: ge speurt het in de gehoorzalen der Wetenschap, in de paleizen der machtshebbers en in de tempelen der kunst, zoo goed als in de werkplaatsen van den arbeid en in de gezinnen des volks en in de verhoudingen van 't leven der volkeren; zij heeft Hem niet gekend, aan Hem niet gedacht. Zijn vinger niet opgemerkt. Men kan 't wel zonder Hem. Daar is geen lust in de kennis Zijner wegen.
Dit verwaarloozen van den Eeuwige, Wien eere toekomt, is daarom te snooder, omdat van Hem alles op 't diepst afhangt. Van groot tot klein, van rijk tot arm heeft men Hem de eere onthouden, en is bij 't schepsel blijven staan. De wereld is onwillig om 't waarachtige Licht te erkennen. Bang voorspel van wat het Woord na Zijne vleeschwording te wachten staat. De verwaarloozing van het Eeuwige Woord dagteekent uit oude tijden. Ook hier is een toenemen. Hoe dieper de vorschende mensch doordringt in de kennis vaü het geschapene, hoe meer hij den Schepper gaat uitbannen.
Hoe verder de sluier, die de verborgenheden der natuur bedekt, wordt teruggeslagen, hoe vaster 't-oog van den mensch rich sluit voor den grooten Schepper, Wien te kennen het eeuwige leven is. De wereld heeft Hem niet gekend.
Maar erger nog is geschied en geschiedt nog dagelijks. De verwaarloozing der wereld van het Woord is bang en snood en misdadig, maar wie mengt de verven zwait genoeg om den sn^oden ondank af te malen in 't volgend ve? s vervat t Hij is gekomen tot het zijne, maar de zijnen hebhen Hem niet aangenomen. Verworpen I
Als een knecht zqn meester verwaarloost, dat is erg, maar als 'n kind zijn Vader verwerpt, dat is erger I
Het eeuwige Woord kwam tot het Zijne, tot Zijn eigen volk, tot Zijn eigen huis. Hierbij hebt ge te denken aan Israel, aan het geheiligd bondsvolk. Israel was als het huis, dat van Abrams dagen af voor Hem in gereedheid was gebracht, om Hem te ontvangen. Het licht, dat Hij in algemeenen zin in de wereld deed uitstralen, bleef ver beneden den glans, waarmee Israel begenadigd was. Hq had zichzelf onder dat volk vooraf plaats bereid. In profetie en offer Zijn reddende komst aangekondigd en afgeschaduwd; den Wegbereider voor Zijn aangezicht henengezonden. Waarlijk, als Israel Hem niet ontving, dan was' het verpletterend waar: gij zijt niet te verontschuldigen.
De Zijnen hebben Hem niet aangenomen; zij hebben Hem uitgeworpen, alsof Hij een vreemde, een vijand ware, terwijl
Hij toch in werkelijkheid kwam om te redden en te behouden. Het ongeloofelij ke is geschied, in plaats van Hem blijde in te laten, hebben ze Hem verworpen. De Wereld kende Hem niet, deed alsof Hij er niet was; Israel maakte het erger, Israel wierp Hem uit. Het verzet der wereld tegen het Woord klimt hoe nader dit Woord op haar toedringt; maar de diepste wonden zijn Hem in Zgn eigen huis geslagen; de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Waarom niet? Wat bewoog hen om Hem, Die tot redden komt, uit te werpen? Was het misschien, omdat Hij zeide, dat er een andere gerechtigheid noodig was voor het Koninkrijk Gods, dan waarmee hun Schriftgeleerden zich sierden?
Ligt hier geen bron van diepe schaamte, ook voor ons? Nog kent Hem de wereld niet; dat, is zondig en dwaas. Maar hoe is het in Zijne Kerk, die de voortzetting is van het bevoorrechte Bondsvolk?
De wereld verwaarloost den Christus Gods, maar hoevelen zijn er niet, die van kindsbeen de Schrift weten, en die Hem verwerpen? Hoe menigwerf staat Hij kloppend, roepend, noodend, vragend aan de deur van ons hart, en wij weigeren Hem in te laten! Het is nog niet veel anders geworden in-de eeuwen die óp Bethlehem zijn gevolgd; geen pladts, is nog altgd het eenig bescheid op de vraag van den Heiland, om binnengelaten te worden. In Woord en Sacrament, in vooren tegenspoed, in blijdschap en druk, klopt Hij zoo ^ringend aan de deur van ons hart.
O, als gij ziet, hoe de wereld Hem smaden en uitwerpen kan, dan trilt ge in heilige verontwaardiging, naar ge meent; maar is, die verontwaardiging wel zoo heilig ? als gq zelf al maar voortgaat Zijne uitnemende liefde, aan 't kruis bezegeld, tegen.testaan.Snooderondank, zwarter gruwel is niet denkbaar dan Hem te verwerpen, die Zyne uitnemende liefde u zoo menigmaal reeds liet verkondigen. Waarlijk, daar is hier wel oorzaak voor diepe en hartgrondige verootmoediging; als Gij ~de ongerechtigheden gadeslaat, Heere wie zal dan bestaan?
Maar heeft dan al wat mensch is Hem verworpen?
De wereld heeft Hem niet gekend, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Wat rest er nu nog? Niets, lezer; allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods; daar is niemand die goed doet en niemand, die God zoekt, ook niet tot één toe.
Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet?
Hebben dan allen Hem verworpen? Voor zoover 't aan hen staat, ja! Maar de Heere zegt, Ik ben gevonden van degenen, die naar Mij niet zochten. En zoo zal Immanu.el een volk hebben, dat vlucht tot de fontein, die in Zijn bloed springt tegen al de ongerechtigheid om gereinigd te worden. •
Toch zal Hij een volk hebben, dat den naam Zijner goedheid zal prijzen tot in eeuwigheid; toch zal zijn bloed niet tevergeefs gevloeid hebben. Hij is de Heere, Die werkt en keert het niemand ; Hij iaat niet varen de werken Zijner handen. Al wat Mij de Vader gegeven heeft, dat zal tot Mij komen, en die tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen.
In 't werk der verlossing is niets aan den loop dèr dingen of aan den keur der menschen overgelaten, maar alles is er ontvouwing van den eeuwigen raadslag des vredes, door den Drieëenen God beraamd. Het is ondenkbaar, dat God Zijn Zoon zou hebben overgegeven, indien 't van te voren niet had vastgestaan dat dit niet om niet zou zqn; .li^i^^.
En dit is 't meest onduldbare in de leer, die ten finale van 's menschen vrijen wil laat afhangen of hij zéRig zal worden, niet dat er zoodoende te veel, maar te weinig zouden binnenkomen, en dat de oorden der gezaligden wel heel onbewoond konden blijven en Christus' bloed vergeefs vergoten was, want de mensch van nature staat niet reikhalzend en met uitgestrekte armen uit - te zien naar Gods verlossing. Heel deze voorstelling wordt door de H. Schrift afgewezen; zq toont ons telkens op wat onnaspeurlijk-teedere wijze de Heere zorgt, dat de Bruidegom de bruid en de bruid den Bruidegom vindt.
Maar zoovelen Hem hebben aangenomen; zoo wordt Bij dan toch aangenomen! Maar door wié? het antwoord vindt ge hier: namelijk, die in Zijn naam gelooven.
Hierin ligt besloten het wónder-goddelijk kunstgewrocht van den Heiligen Geest; van nature tot verwerpen geneigd en besloten, leeren wg van Hem Christus aan te nemen.
Hoe? op wat wijze gaat dit in zijn werk?
De Heere Jezus heeft gezegd: niemand kan tot Mij komen, tenzq dat de Vader hem trekke. Dit trekken des Vaders is zoo'n teeder werk. Verbindt er toch nooit eenige gedachte mee aan mechanischen, w«rktuigelijken dwang. Onze belijdenis eert de goddelijke wcrk-wijze, wanneer zij de min-juiste beeldspraak van Luther over „stok of blok" afwijst. Hier is sprake van zulk een bearbeiding des harten, die uit kracht van haar goddelijke onweerstandelij kheid in haar nimmerfalende uitwerking altijd weer tot resultaat heeft, dat de ziele belijdt: ik ben overreed geworden!
God werkt' in elk Zijner schepselen naar zijnen aard.
Wij zijn van nature zoo afkeerig, dat wij voor alle mensphen en engelen saè, m onzen tegenstand niet wilden laten varen; maar de Heere is de Almachtige, Hij opent de oogen en maakt het hart opmerkzaam. Hij leert ons den zwarten keursteen van het schuldig als voor ons bestemd achten en dat maakt zoo diep, zoo nameloos-ongelukkig, dat we zoo worden toebereid, om uit genade gezaligd te willen worden Kortom, deze bewerking des harten is zoo onnaspeurlijkmachtig en tegelijk zoo onuitsprekelijkteeder, dat de onwillige gewillig, de afkeerige begeerig wordt, en wie niet anders wou dan tegenstreven nu tot volgen bereid. Zoo trekt de Vader tot den Zoon; en zoo gaat er van den Zoon op de gegevenen des Vaders een trekkende, magnetische werking uit, die niét is te weerstaan.
Dit is Gods gave. Toen Simon Petrus met de goede belijdenis Christus aannam, wij hebben . geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, 'de Zoon des levenden Gods, toen luidde * 't onverwijld van 'sHeilands lippen: vleesch en bloed hebben u dit niet geopenbaard.
Hier is sprake van in Zijn naam gelooven; onze Catechismus neemt elke twijfel weg, als hij zegt, dat wij door een oprecht geloof Christus worden ingelijfd opdat wij zoo Zijne weldaden zullen leeren aannemen! En de Bruidskerk kan op de instemming van elke ontdekte ziel rekenen als zij vraagt: Heere, trek ons en wij zullen U nalöopen.
Waarlijk, de Heere fs de Alfa en de Omega.
En elk herboren zondaar zal 't van heeler harte getuigen : .^i^j ik had nooit naar Hem gevraagd noch omgezien; ik zwierf al verder en verder van den Heere weg; maar toen, toen heeft Hij de trekkende koorden van Zijn reddend ontfermen over mijne ziel geworpen, en mij onweerstandelijk getrokken.
En zoo komt 't alleen, dat er nu ook nog zijn, die Hem aannemen. Als 't oog voor de eigen zondeschuld wordt geopend en de last der verlorenheid wordt opgehouden, dan wordt de behoefte aan een algenoegzamen Heiland gewekt en als dan 't getuigenis klinkt: zie het Lam Gods, dat de zonde wegneemt, en daarmede paart zifch de trekking dier almach
tige liefde-magneet des Heeren, dan wordt de tegenstand weggèbrokkeld; en dan ziet ge 't nog vaak, dat waar de zondaar eertijds de hand op Christus niet leggen wilde, omdat hij Hem verwierp, hij 't nu niet durft en uitroept: maar dat is niet mogelijk, dat Christus mijn Redder wil zijn.
O welk 'n last doen wij den Heere aan! Nog zou hg niet overkomen, ware 't, niet dat de Heere ten laatste met vaste hand alle bezwaren wegruimt en dan klimt uit de ziel, die overreed werd, de jubel op: mgn Heere en mijn God.
O welgelukzalig zijn degenen, die Hem zóó mogen aannemen, want zij ontvangen macht om kinderen Gods te worden. Dit macht-geven beduidt niet, dat de Heere er u alsnu toe in de gelegenheid stelt, maar 't aan u overlaat, of gij van de gelegenheid gebruik maken zult; God laat niets aan u over en er zal 'n tijd komen, dat ge Hem daarvoor op de knieën zult danken!
Neen, , als God u macht geeft om Zijn kind genaamd te worden, dan wil dat zeggen, dat geen wereld *of satan, geen vleesch of bloed, geen zonde of dwaasheid u daar meer kan uitdringen uit dat zalig bezit; de roeping en verkiezing Gods zgn onberouwelijk.
Öf wij kinderen Gods zullen zijn en daarmee het hoogste en zaligste zullen bereiken, wat voor 'n menschenkind kan weggelegd zijn, dat hangt af van de vraag: hoe wij töt Christus staan. Hij heeft gesproken: Ik ben de Weg; nie-
mand komt tot den Vader dan door Mij.
Geen grooter goed, in hemel of op aarde, dan kind van God te mogen zijn, voor eeuwig de iZiJne; kind van zulk een Vader! hoe noodig is 't dan, dat wij Christus leeren aannemen!
Maar hoe kan ik dat? Laat mij eens een wedervraag mogen
dpen: wilt gij dat? gq onbekeerde zondaar, wiens leven één afwqken is van "den Heere, één verwerpen van Immanuel, ; éen roepen dat aan het Kruis uw lust niet is, wili gij dat?
Schuil toch niet immer weg achter ."UW onmacht?
%• Hoe weet gij, onmachtig te zijn?
Gij wilt het niet; want Christus aannemen, dat is het licht binnenlaten, dat u ontdekt hoe 't dichte stof uwer zonde zweeft in de zonnestralen.
Wij willen Hem geen toegang verleenen, Die onze schuld en verdorvenheid blootlegt. Dat licht ontbloot, vernietigt, veroordeelt en doodt ons in onzen ge-- rechtigheidswaau.
En als 't even door een kier binnenvalt,
dan vliegen wij op, om de luiken weer ' dicht te "grendelen, want wij willen niet,
dat het Waarachtige Licht over ons heerschen zal.
Dat licht toont, wat gruwelen daarbinnen huizen, en daarom schuwen wij ^ het licht.
-j Overvloediger zal uwe gerechtigheid i - moeten zijn dan die van Schriftgeleerden : en Parizeërs!
Wee u, geveinsden, die 't buitenste van den drinkbeker reinigt; aan de gepleisterde graven zijt gij gelijk!
Breed is de weg, waarop ge 't leven zult verliezen, en 't pad is smal, waarlangs ge de ziel als een buit zult uitdragen!
Nietwaar, lezer, altemaal van die eischen, waarop 't bij ons ten eenenmale afstuit, dat niet, dat nooit!
Maar wat dan, arme dwaas? Dan nooit kind van God, maar eeuwig slaaf van Satan? Welk 'n toekomst!
Bezin u ernstig I Bedenk, wie den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.
Wij bidden u van Christus' wege, zou het niet verre het beste zijn Christus aan te nemen; maar hoe?
Niemand kan zeggen Jezus den Heere ïtte: zijn, dan door den Heiligen Geest.
Die in Zijn Naam gelooven, die hebben Hem aangenomen. En het geloof is Gods gave.
Dat wijst u den weg, want de Heere heeft gezegd: Al wat u ontbreekt, schenk Ik, zoo gij 't smeekt, mild en overvloedig.
Als wq ons opmaken om Christus aan te nemen, ' dan bemerken we weldra, dat dit zoo maar niet gaat.
Want Christus aannemen, dat is uzelf loslaten; uzelf met al den aankleve van dien.
Hem aannemen, dat is den Heelmeester binnenlaten, voor Wien ge niets verbergen kunt, en die niet rusten zal, voor al de smet der zonde is uitgezuiverd, uitgebrand als 't moet. Maar, Hij doet 't niet uit lust tot plagen; tot uw eeuwig herstel; tot uw eeuwige winst!
Hem hebben wij noodig, lezer, opdat wq van den vakohen op den vasten grond zullen komen en opdat wij macht zullen ontvangen Gods kinderen genaamd te worden.
En als ge dan bedenkt, wat u alleen mèt Christus kan vereenigen, Gods trekkende genade, dan rijze de bede: trek mij, Heere; woon en werk in mijn hart; neig het tot Christus; leer mij Hem aannemen.
En middelerwijl staat Christus aan de deur van uw hart en brengt zelf het antwoord: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand mqne stem zal hoeren en Mij opendoen. Ik zal tot hem inkomen en avondmaal met hem houden.
En de ziele fluistert: Kom, Heere Jezus, kom haastelijk!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 januari 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 januari 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's