Vanuit het kerkelijk. leven.
Het geloof aan de Heilige Schrift.
Degenen die van gereformeerd beginsel zijn zeggen met art. 5 van de Ned. Gelopfsbelijdenis: „En gelooven zonder eenige twijfeling al wat in deze (heilige en canonieke Bijbelboeken) begrepen is: en dat niet zoozeer, omdat ze de Kerk aanneemt en voor zoodanigen houdt; maar inzonderheid, omdat ons de Heilige Geest getuigenis 'geeft in onze harten, dat ze van God zqn". Gereformeerd is dus, dat de Heilige Geest getuigenis geeft in de harten der geloovigen. Dat dit getuigenis voor de geloovigen 't hoogste is. Maar dat dit getuigenis' precies overeenstemt met 't geen Gods Woord bevai'.
Er kan dus nooit sprake zijn van strijd tusschen het getuigenis des Geestes en 't geen Gods Woord leert, 't Getuigenis des Geestes en 't getuigenis des Bijbels moet dus altijd 't zelfde zijn. 't Kan elkaar nooit tegenspreken. Is dé, t 't geval dan is 't getuigenis dat een getuigenis des Geestes genoemd wordt niet van den Heiligen Geest; 't Is dan niet uit God en 't moet dan om des Woords wille veroordeeld worden, 't Woord gaat boven alles. En de H. Geest is er nooit mee in strgd. Dat kan niet.
* De historisehe continuïteit.
Daar is al wat over geschreven! Over de vraag nl. of de Kerk der Reformatie, in de 16de eeuw tot openbaring gekomen, de historische voortzetting is van de oude Christelijke Kerk uit den Apostolischen tijd of niet?
Vooral Rome ontkent dit. Rome leert, dat in de 16e eeuw een stuk van ^e Roomsche Kerk zich heeft afgescheurd en er toen een nieuwe Kerk is ontstaan, welke Kerk zij niet erkent als hebbende de doodzonde begaan om zich te verzetten tegen de alleenzaligmakende Kerk, zich losscheurend van Paus en priester.
Zóo zou de Roomsche Kerk de historische voortzetting in rechte Iqn zijn van de Kerk van den Apostolischen tijd. En de Protestantsche Kerken zouden dan scheurkerken wezen, wier geschiedenis niet verder teruggaat dan tot de ruwe daad van den monnik Maarten Luther.
Natuurlijk denkt .de Protestant er anders over, en 't is wel goed om zich in deze weer eens rekenschap te geven van 'tgeen we daaromtrent denken.
Met Groen van Prinsterer — en anderen — zeggen we: , het Protestantisme is de voortzetting der apostolisch-catholieke kerk." We zeggen met den Duitschen geleerde Stahl: „der Apostel Paulus ist aucb der Ur-Protestant", d. w. z. Paulus, de Apostel, was zoo echt protestant! En 1 ingevolge daarvan is onze meening, dat ! de Protestantsch-Christelijke' Kerk in rechte lijn de voortzetting is van de aloude Christelijke Kerk uit de dagen van de Apostelen. Waarbij we ten opzichte van de Roomsche Kerk verklaren, dat deze Kerk oorspronkelijk geheel, daarna grootendeels protestantsch is geweest — maar. allengs sloop allerlei dwaling in, waarbij in de dagen der Hervor ming terugkeer tot de oude, oorspronkelijke, apostolisch-christelijké beginselen plaats had.
Sedert de Reformatie zijn dus de Protestantsche Kerken opgekomen als de van Rome's 'dwalingen gezuiverde Kerken, in rechte lijn de voortzetting zijnde van de aloiide Christelijke Kerk; terwijl Rome in de Kerkvergadering van Trente principieel en voor goed zich als een afvallige secte van de Pi*otestantsche Kerk heeft afgescheurd, weigerend om terug te keeren tot den weg 41© naar Gods Woord is; welke weg in den aanvang werd bewandeld, maar die al spoedig, vooral sinds de 8ste eeuw, gruwelijk is verlaten. Vandaar noemen we dan ook de Kerkelijke beweging van de 16e eeuw Kerkhervorming.
De Christelijke Kerk is toen naar den ouden vorm hersteld; tot den vroegeren vorm teruggebracht; gereformeerd.
't Is geen stichten van een nieuwe Kerk geweest.
't Is geweest het hervormen (reformeeren) van de Christelijke Kerk die gedeformeerd en gansch vervallen was.
Wij spreken dus ten opzichte van onze Protestantsche Kerken van historische continuïteit, waar ze in rechte Ign de voorzettirtg van de aloude Christelijke Kerk zijn, zich voegend naar de leer der Apostelen en profeten.
Maar — zoo zeggen de tegenwoordige „Gereformeerde Kerken", uit Afscheiding en Doleantie ontstaan (1834—1886) — nu zijn wij weer de voortzetting in rechte lijn van de aloude Ger^f. Kerk hier te lande en „het Nederlandsch-Hervormd Kerkgenootschap is geheel verbasterd, verdorven, vervalscht en alzoo we^meer in rechte lijn de voorzetting van de Apostolisch-Christelijke Kerk; niet meer de voortzetting van de aloude Geref, Kerk van 1574 en 1618.
Wat is daar van waar? Wij zeggen: niets, dan een schijn van waarheid. Want met de Nederlandsch Hervormde Kerk van onze dagen staat het gansch ènders dan met de Roomsche Kerk in de 16e eeuw.
In onze Herv. Kerk ligt nog altijd de belijdenis onzer Vaderen en wordt van ieder geëischt dat hij, in gehoorzaamheid aan Gods Woord, in geest en |hoofdzaak met die belijdenis zal instemmen, terwijl aan allé Kerkeraden en aan alle hoogere Besturen is opgedragen om de leer der Kerk te eerbiedigen en te handhaven.
Van den kansel mag — en moet! — Gods Heilig Woord verkondigd worden. Op de Catechisatie, aan de huizen, aan de ziekbedden mag — en moet! — gesproken worden naar Schrift en Belijdenis, De sacramenten van Doop en Avondmaal mogen — en moeten! — bediend worden naar uitwijzen van Gods Woord en 'He formulieren daartoe in onze Kerk gebruikt. En er is geen Paus die de leer der waarheid, de leer der vrije genade met de prediking van de alles bedekkende kracht van Christus bloed, vervloekt of verhindert.
O! wanneer Luther in Utrecht's domkerk had mogen staan zooals nu onze Herv. leeraars. Indien hg zóo tot zijn gemeenteleden had mogen gaan als nu onze Herv. herders, neen! hij zou niet uit de • Kerk waarin hij geboren en gedoopt was zijn uitgegaan om tot formatie van een nieuwe Kerk naast de bestaande (valsche) Kerk over te gaan. Hij zou er niet oyer gedacht hebben. i
En ja — hg zou zeer zeker met ons strijden tegen de gebreken en de zonden die ons kerkelijk leven aankleven. Maar hoe zou hij, de stoere Luther, voorzichtiglijk te werk gaan, om de Kerk niet te verscheuren en niet te verbreken, maar om haar te herstellen en op te richten, om haar uit haar dwangbuis uit te krijgen waarin zij sedert 1816 is bekneld.
Natuurlijk, spreken we over Luther T alzoo in betrc^-kelijken zin. Want Luthera van zijn tijd en met zijn beschouwing mag zóo maar niet, zonder meer, tusschen de Nederlandsche Kerkelijke toestanden van den huldigen dag gezet worden.
Dat gaat niet. Dat kan niet en dat mag niet. Maar waar 't om gaat is dit: dat in 1517 de Roomsche Kerk de eigenschappen, die in het wezen der Kerk gegrond zijn, miste, terwijl onze Herv. Kerk nog altijd in haar wezen de Gereformeerde Kerk is.
Daarom had men iii 1834 en in 1886 ook niet het recht om de Herv. Kerk den scheidsbrief te geven en zich van die Kerk los te maken.
Men had moeten blijven in die Kerk, omdat de Herv. Kerk zelf altijd nog zegt, dat de aloude geref belijdenis haar fundament is, gelijk het ook alzoo is.
En zijn er dan vele, zéér vele gebreken in haar midden, men had — gedenkend de zonde en de ongerechtigheden der vaderen èn eigen overtreding — in den geloove den strijd moeten aanbinden en in deze moeten volharden ten einde toe. Ook in déze zaak is er te leeren van het woord der Schrift: „wie volharden zal tot het einde die zal zalig worden."
Maar men is uitgegaan uit het huis dat de Heere hier in dezen lande tot Zijns Naams gedachtenis en eere geiticht had. Men heeft het overgegeven aan de vijanden — de vrienden der waarheid, die wenschten te blijven, in den heeten strqd alleen achterlatend. Men heeft zich niet — waar 't noodig was - — in afzonder Igke samenkomsten teruggetrokken (z.g.n. Evangelisaties), om zo5 intusscheh gesterkt te worden in den geloove en gestaald te worden voor den strijd, om op Gods tijd weer in de Kerk terug te keeren onder het genot van de prediking der volle waarheid. Neen! men heeft zich afgescheiden en men is kerken gaan bouwen en men heeft een nieuw kerkelijk leven georganiseerd en zoó is men gekomen tot een kerkformatie naast de Herv. Kerk, welke Kerk, hoezeer haar zonde en verval groot is, in wezen nog altijd is en blijft de Gereformeerde Kerk van Nederland.
Dat is niet goed geweest, noch in 1834 noch in 1886.
En daarom kunnen en mogen wij ook niet zeggen dat „de Gereformeerde Kerken" die ontstaan zijn in 1834 en 1886 de historische voorzetting zijn van de Kerk der reformatie in dezen lande. Neen! ze zijn eigengemaakte kerken, waarin men te weinig bedenkt, dat de gemeenschappelijke zonden en de gezamenlijke schulden roepen tot God, en waarbij men van onder de hand des Heeren is uitgeloopen, om in eigen wegen, — hoe mooi en vroom ook misschien overigens — in te gaan.
Maar verlost. zóó wordt de Kerk zelve niet
Zoo kunnen wel tal van menschen z.g.n. uit de gevangenis worden bevrijd, om nu maar te zeggen, een heerlijke vrijheid te genieten. Maar zoo wordt de Kerk zelve niet vrijgemaakt! Die zucht nog onder het juk der dienstbaiarheid.
En we zullen allen recht in de schuld moeten komen voor God en hét rpoken aan eigen garen moeten nalaten, opdat de Heere Zijne genadige ontfermingen toone, gedenkend aan Zijn Verbond.
Waarbij de profeet zegt: „toeft Hij al, verbeidt Hem, Hij zal gewisselijk komen." /
't Gaat om de. vrijmaking van de Kerk des Heeren welke Hij Zelf plantte in deze lande als vrucht van de gezegende Reformatie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 januari 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 januari 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's