De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

10 minuten leestijd

Vervolg van den brief van den heer Belksma.

SCHOLEN. Een , van de voornaamste hulpdiensten waardoor de Zending tracht het vertrouwen van den inlander te winnen, en alzoo den weg voor het Christendom te banen, is wel het onderwijs. Het ligt dan ook in den aard der laak, dat wij met bijzondere belangstelling den arbeid der goeroes gadeslaan niet alleen, maar ook in het goede spoor trachten te leiden.

In de onderafdeeling Rante Pao zijn de scholen op één na nog noodscholen, d.w.z.. ze zijn gemaakt van bamboe, evenals de schoolbanken en het schoolhuis. Wegens den grooten drang naar onderwijs lag deze inrichting voor de hand. Daar deze scholen echter beslist onvoldoende zijn, moeten wij er voortaan op bedacht zijn deze bamboegebouwtjes te vervangen door scholen van duurzaam hout. Dit is niet zoo eenvoudig. Vooreerst laat de bereidwilligheid en samenstemming der inlandsche hoofden wel eens wat te wenschen over. Bestaan er veeten tusschen de hoofden van eenzelfde landschap, die den bouw van een school voor hun rekening hebben, dan kan men er tamelijk zeker van zijn dat er van bouwen weinig komt. Bovendien zijn er in deze landen weinig bofeschen. Het timmerhout is dus erg schaarsch en moet dagen ver weg gehaald worden. Daar komt nog bij, dat er vanwege het Bestuur alhier wegens jarenlangen achterstand veel gebouwd moet worden aan markten en bruggen. Daardoor zal het nu duidelijk worden hoe moeilijk het is aan hout te komen voor scholen, goeroehuizen, banken en ook voor Zendelingswoningen.

In Makale is de toestand veel beter. Daar zijn de scholen en huizen dadelijk ingericht zooals het behoort, al zijn ocjk daar nog niet alle scholen van goede banken voorzien, 't Doet ^00 weldadig aan een school binnen te treden, die aan behoorlijke eischen voldoet en de goeroes te «en wonen in welingerichte geriefelijke huisjes.

't Is ook 200 wenschelijk voor dfen invloed van den onderwijzer. De grootte en het aanzien van de woning der helpers is in vele gevallen de maatstaf van het prestige, dat deze nuttige hulpkrachten genieten, omdat de Toradja's maar al te veel aanzien wat voor oogen is.

DE GOEROES. Zooals U bekend is zijn het hoofdzakelijk menschen uit de Minahassa en Ambon die dienst doen, in de week als onderwijzer, des Zondags als Evangelist. Slechts een tweetal Toradja-jongens zijn na gehouden examen tot de school als hulp-goeroe toegelaten.

Het is ons gebleken, dat deze «buitenlanders» zich over 't algemeen nog niet erg op hun gemak gevoelen in onze landen. Vele. oorzaken lijn daarvoor aan te wijzen. Vooreerst zijn ze in "hun geboortestreek gewend aan meer geordende toestanden; Woonden ze in de Minahassa en zelfs in Posso al in liefelijk kleine dorpjes met de school in 't centrum, waar ze reeds vrij wait invloed begonnen te krijgen, hier is alles nog rimboe, wildernis.

lm de tweede plaats is het gemeentewerk hier zeer moeilijk, omdat ze de Toradja's moeten opzoeken in hun kampongs, wat wegens de vaak onmogelijke ligging op de rotsen een verre van gemakkelijke taak is. Sommige goeroes konden in hun geboorteland zelfs meer verdienen dan wij hun kunnen geven, zoodat deze werkelijk een offer aan hun beginsel brengen. Daartegen over staat dat er ook wel zijn, die ons met alle plezier in den steek willen laten, zoodra ze ergens, bij Gouvernement ©f Indische kerk een gulden of vijf per maand meer kunnen verdienen.

Komt er dan nog bij een bouwvallige school en een nog bouwvalliger goeroewoning dan moet het ons niet verwonderen, dat het heimwee naar familie en vaderland onzen goeroes soms te machtig wordt en zij weer vertrekken, even spoe dig als zij gekomen zijn.

Enkelen zijn ongehuwd en dat maakt het leven in de rimboe voor hen nog onaangenamer, is menigmaal zelfs aanleiding tot groote verzoeking. Gaarne staan wij dan ook een trbuwverlof toe aan hen die een levensgezellin wenschen te zoe^ ken in de Minahassa.

Al deze dingen samengenomen hebben tenge-[volge gehad de droeve noodzakelijkheid om een viertal scholen te sluiten ^wegens gebrek aan personeel. We wachten op betere tijden, betere huizen en scholen en meer goeroes.'

Wat het peil hunner ontwikkeling betreft, nu dat is bij, allen niet , even schitterend. In de Heilige Schrift konden sommigen beter thuis zijn. Een zag kans, de geheele geschiedenis van Jozef, , vanaf het oogenblik zijner wegvoering tot zijn ontmoeting met zijn vader, in minder dan een half uur tijds aan de kinderen te vertellen ?

Hierbij komt, dat zeer velen van eigenwaan niet zijn vrij' te pleiten. In eigen öogen zijn ze o, zoo knap en geven ze o, zoo goed onderwijs, Deze karaktertrek staat de verbetering van het onderwijs niet weinig in den weg. Onduldbaar is ook die dwaze gedachte, dat de Toradja's een geslacht zouden zijn van veel lager orde, de tegenzin dien we zoo vaak ontmoeten om de landstaal te leeren, de zucht orti het Maleisch tot voertaal van het geheele onderwijs te verheffen, de afkeer VEtn Torad^-kindernamen, waardoor we telkens op de absentielijsten Europeesche namen als Luther en Calvijn aantreffen. Een was er zelfs die het noodzakelijk achtte eigenmachtig Woorden te schrappen in Maleische leesboekjes, omdat hij vond, dat ze verouderd waren.

Ziehier eenige typische staaltjes van de denkwijze onzer, helpers. Algemeen onder hen is de minachting die zij koesteren voor handleidingen bij het onderwijs. Het bleek ons menigmaal, dat, zoo ze wel aanwezig waren, deze toch bijna nooit gebruikt werden, 't Zal onze eerste zorg rndeten wezen, dat er voor alle vakken van onderwijs geschikte handleidingen naar de behoeften der bevolking worden samengesteld en dat ze ook gebruikt worden. Toch vrees ik, dat het nog geruimen tijd zal duren voor we onze goeroes aan geregeld methodisch onderwijs geven gewend zullen hebben.

Eerlijkheidshalve dient echter vermeld, dat er ook goeroes zijn die zich met hart en ziel aan hun werk wijden, ook wel naar goeden raad en voorlichting willen luisteren, en die door hun tactvol optreden reeds veel invloed op de bevolking hebben verkregen, en ons alzoo onschatbare diensten bewijzen.

Toch moet .ons ideaal blijven: werken mét eigen, goed opgeleide landskinderen, al zullen deze nog langen tijd de noodige zelfstandigheid missen. Wij kunnen dus de buitenlandsche leerkrachten vooralsnog niet ontberen, daar onze Toradja-jongens onder hun leiding het werken zullen moeten leeren.

We vertrouwen, dat de gemeente gedurig den Zendeling in den gebede gedenkt en dat is uitnemend, doch men vergete toch nimmer onze inlandsche helpers daarbij in te betrekken, want ze zijn ons o, zoo veel waard, ja zonder hun hulp zou ónze arbeid oneindig veel moeilijker, ja schier onmogelijk zijn.

(Slot volgt).

In de Nederlander van 29 Januari komt een ingezonden stuk van de hand van dr, Kromsigt uit Amsterdam voor, dat wij op verzoek' van den inzender hieronder gaarne een plaats geven.

Leid ONS niet in verzoeking. Mattheus 6 : 13.

Het zij mij vergund mijne hartelijke instemming te betuigen met uw artikel van Zaterdag 1.1. over het zedelijk peil in cijfers en met het daarin uit het Voorloopig Verslag naar voren gebrachte bezwaar tegen het wetsontwerp op de vervroegde oproeping der lichting 1918. Laat mij dit bezwaar, dat een hoogst gewichtig moreel beswaar is en alles behalve denkbeeldig nog eens dubbel mogen onderstreepen en den wensch uitspreken, dat toch in de eerste plaats onze Christelijke Kamerleden, maar voorts ook allen, die nog geen voorstanders zijn van «tweeërlei moraal» etc. en die dus inzake de zedelijkheid nog op het oude. Christelijke standpunt staan, bedoeld bezwaar zeer ernstig onder de oogen zullen zien. En hartelijk hoop ik dan, dat deze overweging tot verwerping van het voorstel leiden moge, tenzij er dringende, volstrekt onvermijdelijke oorzaken mochten zijn, die tot aanneming moeten nopen.

De vraag toch, waarom het hier gaat, is m.i. deze: Mogen wij, waar wij de verzoeking als een oordeel Gods voor ons zelven en voor onze kinderen afbidden, niettemin onze achttien-jarige jongens in verzoeking brengen ? Met opzet, heb ik de vraag zoo scherp geformuleerd, opdat men goed gevoele, dat het hier inderdaad gaat om de hoogste zedelijke én godsdienstige belangen, die dus niet  door nuttigheidsredenen van welken aard ook, mogen op zij geschoven worden. De vraag is : Mag de overheid, mag een Christelijke i overheid dit doen ? En daarom is dit een vraag zeer bepaaldelijk van Christelijke politiek. Mogen daarom inzonderheid onze Christelijke Kamerleden hier staan als één man.

Het lijdt geen twijfel, dat juist inzake den militieplicht de Christenen den krachtigsten steun vormen voor de regeering, omdat zij belijden, dat »de overheid iiet zwaard niet tevergeefs draagt» (Rom. 13 : 4). Voor anti-militairisme behoeft men dus onder hen, tenzij zij tot de »Doopersche» geestesrichting behooren, niet te vreezen. Maar daarom behoort de regeering-, hoeveel nuttigheidsargumenten zij ook kunne aanvoeren, hunne godsdienstige en sedelijhe bezwaren te meer te ontzien.

Dat er nu hoogst ernstige moreele bezwaren bestaan tegen de vervroegde oproeping van de lichting 1918, behoeft geen 'uitvoerig betoog. De gewone diensttijd (19 i 20 jaar) is reeds rijkelijk vroeg en nu wil men dit nog ongeveer eenjaar vervroegen, juist op den tigevaarlijken leeftijdt, zoodat tal van achttienjarige jongens re^ds zullen moeten opkomen. De jongens verkeeren dus nog geheel in den overgangstijd van knaap tot jongelmg en nu zullen zij plotseling aan het ouderlijk gezag en aan de beschermende macht van het gezinsleven en van heel hunne dagelijksche omgeving worden onttrokken juist op het oogenblik dat ^ij die nog het fneest behoeven. Men vergete toch geen oogenblik, dat op dien leeftijd één jaar meer beteekent dan vijf jaren op een anderen leeftijd. Zij worden dus op den gevaarlijksten leeftijd, terwijl zij nog half kpaap zijn, als 't ware verplant op een geheel nieuwen bodem en men weet wel, hoevele zelfs volwassenen tegen een dergelijke verplanting volstrekt niet bestand zijn. Juist de mobilisatie heeft dit weer zoo droevig in het licht gesteld, hoe zeer vele menschen ge4ragen worden louter door hunne omgeving, door traditie in hun kring door schaamtegevoel voor hunne kennissen enz., en hoe zij, in een gansch vreemde omge.ving gekomen, voor de bezoeking terstond bezwijken.

Men hoort daarvan soms de ongeloofelijkste berichten.Ö'Waarlijk, men behoeft niet op «cijfers» te wachten, die uit den aard der zaak de helft van het kwaad nog lang niet aanwijzen. Er zijn nu eenmaal tal van gevaren, die niet in cgfers te brengen zijn. Onlangs sprak ik een Christelijk onderwijzer, die geruimen tijd gemobiliseerd was geweest, maar wat deze mij toen vertelde van de gevaren en het vallen voor verzoeking ook van anders «fatsoenlijke» mannen en jongelieden, was allerdroevigst

Zal men nu jongens van 1% jaar zonder volstrekte noodzaak gaan blootstellen aan eene verzoeking, waarvoor krachtige mannen, helaas, bezweken zijn ? Als er volstrekt noodzaak is, dan houdt natuurlijk alles op en dan mogen wij gelooven in de kracht des gebeds voor onze kinderen ook tegen zulke verzoekingen, waarin wij hen niet moedwillig gebracht hebben. Maar die, noodzaak kan toch niet hierin liggen, dat oudere lichtingen thans moeten afgelost worden. Het tijdelijke en ook betrekkelijk zedelijke voordeel voor die anderen weegt toch in geen geval op tegen het veel grootere zedelijke gevaar voor' de jongeren.

Er is in den laatsten tijd, naar het mij voorkomt, een zekere neiging om de Regeering ter wille te zijn. Dit is ook te begrijpen en tot op zekere hoogte niet te laken. Maar op dit punt zou ik al onzen Kamerleden een krachtig « Caveant Consules<< willen toeroepen. Moge ons vertrouwen in hen niet worden beschaamd. Het gaat hier om de hoogste belangen van duizenden onzer toekomstige mannen en vaders.

U vriendelijk dankende voor de plaatsruimte, noem ik mij met de meeste hoogachting,

Uw dw. dr..

Dr. P. J. KROMSIGT.

Amsterdam, 24 Januari 1917.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's