De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

8 minuten leestijd

Laffe opmerking.

In ons artikel „Vruchiteloozemoeite? " waarvan de strekking was om toch niet moedeloos te worden, ook niet ten opzichte van het kerkelijk vraagstuk, hebben we o. a. geschreven :

„Ga van Amsterdam, over Haarlem, Leiden, Den Haag, Delft, Rotterdam, Woerden, Utrecht, Ede, Arnhem, Kampen naar Groningen: en is daar een prediking om Christus te hoonen, om Gods Waarheid te verkrachten, ora zielen té misleiden, om voor de eeuwigheid te bedriegen ? "

We schreven dat, omdat we er van overtyigd zgn, dat de Heere ons daar nog goede dingen bewaard heeft, al zal er overal wel wat aan te merken zijn.

Ds. Huismans, Gerèf. predt. te Zevenhoven, redacteur van de Rljnlandsche Kerkbode, bekend als „De Poortwachter", zittende in de poort om èlles wat in-en uitgaat te visiteeren, te controleeren, te critiseeren en te adresseeren, valt op bovenbedoeld artikel en bovenaangehaalde zinsnede aan en heeft, natuurlijk"I als predikant bg de Geref. Kerken, waar alles in zake de prediking zoo kantjes in ^ orde is, ernstige bezwaren tegen onze voorstelling.'

Dat is op zichzelf niets bizonders.

't Zou heel bizonder zgn als een predikant van de Geref. Kerken niets had op te merken in zulke gevallen.

Maar wat merkt hij nu op? Niet iets wat hg zelf. heeft verzonnen.

Maar meesmuilend en handenwrijvend zegt hij:

„Wie zijn licht ontsteekt aan de laatst verschenen brochure van Prof. Visscher, die zelf Gereformeerd Hervormd is, zal op deze vraag nog niet dadelijk het ge-, wénschte gunstige antwoord geven."

'Dat is een laffe zet.

Want dit is een strijdgeschrift uitbuiten, waar men partij kan trekken van woorden bij een broedertwist, gesproken terwijl men overigens al het geschrijf van dien zelfden Hoogleeraar, gericht tegen Vrije Universiteit en Geref. Kerken, negeert.

Men vindt het breede relaas van Prof. Visscher overigens niet de moeite waard om het in de gereformeerd-kerkelijke pers onderhanden te nemen, zelfs „De Heraut" laat het liggen — maar als er wat te gebruiken is om uit te spelen tegen de.Herv. broeders, dan is men er bij als de kippen!

Waarom ^rkent men niet liever met ons het goede dat de Heere ons in de Herv. Kerk liet en laat?

Of vreest ipen nadeel voor eigen kerkje ?

Oost-Indisch doof.

Dit opschrift is niet in orde. Want we bedoelen niet de gefingeerde doofheid van iemand. We hebben het oog op iemand die zich blind houdt. Zoo iets dus als Oost-Indisch blind. Maar dat klinkt zoo vreemd en daarom begonnen we maar met Oost-Indiech doof. We komen dan vanzelf op dat eigenaardig blind zijn van den „Poortwachter" in de Rijnlandsche Kerkbode, dien we nog even moeten hebben, om een woordje te wisselen.

We hadden geschreven: „ Dat - heeft Ood gedaan!"

In verband met het goede dat nog in het midden van onze Herv. Kerk is.

„Natuurliijk!" schrijft de Poortwachter, „wat is er, dat de Heere niet doet!"

Juist.

De Heere blaast in de dingen, die Hemniet behagen.

De Heere bewaart en onderhoudt wat Hem welbehagelijk is.

En nu merkten we op, dat het in de Herv. Kerk nog te zien iSj dat de Heere haar den scheidsbrief niet gegeven heeft.

Dat is óns tot troost.

En het zou ons bitter leed doen, als de gescheidene broeders dat tot ergernis was.

Ook doet het ons leed als de gescheidene broeders dit niet willen zien.

Niet willen zien, dat de Heere nog het goede bereidt aan onze Kerken, in weerwil van de zonden van ons en onze vaderen"

Wat ons moet terughouden van het uitgaan van haar.

En wat ons moet bemoedigen om voort te varen tot de volmaking.

Laat ons toch ook het goede niet vergeten, dat God ons schenkt.

Er is zooveel goeds in het midden van ons kerkelgk leven. Wat niet ons tot roem ia. Maar tot roem van dien God, die niet laat varen de werken Zijner handen. Die. ia weerwil van onze zonden ons en ons volk nog genadig wil zijn. En ons daardoor wil lokken om onze booze wegen te verlaten en in het midden van Zijn huis^ onzen weg wèl aan te stellen, naar uitwijzen van Zgn Woord.

Er zijn duizenden, gelukkig! die het goede zoeken voor Sion.

't Gaat er nu maar om, dat de Heere, Die alleen het goede ons schenken kan, meer saambinding, meer éénheid, meer oprechte trouw en liefde komt schenken.

Komt, laat ons toch niet blind zijn en blind blijven voor het goede dat de Heere werken wil.

En laat de bede ^oprijzen: Heere, verhef Gij Uw aangezichte over ons, leid ons, stuur ons, vereenig ons, strijd voor ons, bevrijd ons, zegen ons!

't Gaat om Kerk en Volk.

Tweemaal preeken.

Wij zijn wel eens geneigd van den goeden ouden tijd te spreken op. een manier alsof er toen niets dan goeds was, en nu niets dan slechts is. Natuurlijk is dat verkeerd. Want vroeger was lang niet alles goud wat er blonk, en nu zijn er gelukkig ook nog wel goede dingen.

't Kerkgaan — dat was vroeger ènders ( En heel wat beter! En dan twee-of driemaal kerk per Zondag!

Dat is zoo'n gewone wijze van voorstelling.

Doch — daar mankeerde vroeger ook wel wat aan.

Die Brakel, Smytegelt, Hellenbroek enz. gelezen heeft en nog leest, weet dat wel.

Dezer dagen kregen we een stukje oude kerkgeschiedenis onder de oogen. En toen lazen we:

„Tweemaal preeken op Zondag heeft ook in den tijd der Republiek voor de Priesche predikanten weinig aantrekkeIijks gehad. De Synode vermaant ertoe, beveelt het aan, stelt het daarna verplichtend, maar het mag niet helpen — de nalatigheid is in dezen zóó sterk, dat dat in 1675 een reglement ervoor werd vastgesteld, en hierbij wordt, om tot nakoming te dwingen, de hulp van Gedeputeerde Staten ingeroepen. Een uiterste redmiddel, en zeker gevaarlijk genoeg, daar de Synode thans uit eigen beweging den Staat in de inwendige aangelegen-^ heden der Kerk betrok!

Toch heeft het weinig uitgewerkt: „de gansche republiek door is de middagpreek gebleven voor de dienaren een valstrik en voor de gemeenteleden een steen des aanstoots." (Dr. St Cuperus, Kerkelijk leven der Hervormden in Friesland tgdens de repubhek, II blz. 137.

Dat is er nu gelukkig niet slechter op geworden.

De Kerk onder curateele

De vrijheid van de Kerk was vroeger geheel zoek. De machthebbers der wereld heerschten over haar. Ze stond geheel onder curateele van den Staat.

Bij resoltitie van 10 Juli 1622 was door de Staten van Friesland bepaald: „Geene synodale resolution (besluiten) sullen eenige kragt ofte effect hebben, voor en aleer deselve bij de Staten van 't land sullen syn geapprobeert (goedgekeurd)"

Zonder goedkeuring van den Staat waren de Synodale besluiten dus van nul en geene waarde.

Afgevaardigden van Gedeputeerde Staten woonden de Synodale vergaderingen bij, en waarlijk niet voor de leus, want de. ter Synode ingediende voorstellen werden zelfs niet in behandeling genomen, wanneer genoemde afgevaardigden zich daartegen verzetten.

Van alle Synodale beslissingen was er ook hooger beroep bij Gedeputeerde Staten!

Hoe vreemd op die manier do positie der Kerk werd, valt gemakkelijk te denken. Zij kon zich eenvoudig niet roeren noch bewegen en stond geheel gebonden aan handen en voeten. Op eigen terrein had zij niets te zeggen.

Een voorbeeld uit zeer vele andere genomen is 't volgende:

Ds. de Cock werd in 1764 wegens onrechtzinnigheid aangeklaagd, de classis neemt de zaak ter handj maar Gedeputeerde Staten verbieden de verdere behandeling, en de classis, hoewel onder protest, geeft toe. Ds. Gellius in 1678, Ds. .Nethenus in 1719, worden door de classis in een tuchtzaak te zacht beoordeeld. Geven Gedeputeerde Staten daarover in het eerste geval enkel hun misnoegen te kennen, in het tweede wordt de classis gelast, in 't vervolg strenger te wezen, anders zullen HunEd.Mog. genoodzaakt zijn „de saken en stukken tot haer over te nemen en daarin te disponeeren (beschikken), 'twelkhetE Classis misschien niet aangenaam soude sijn."

Zoo was de Kerk dus geheel geknecht!

De predikanten werden dan ook behandeld als staatsambtenaren en de kerkelijke lichamen werden aangezien als besturen, aan wie een bepaalde tak van staatsdienst was opgedragen. In vele opzichten werd aan die kerkelijke lichamen dan wel zelfbestuur vergund, maar in alles waren zij aan het toezicht van Gedeputeerde Staten onderworpen.

Min of meer zou men het kunnen vergelijken met den rechtstoestand der tegenwoordige waterschappen: die bestaan ook ter behartiging van een speciale aangelegenheid, hebben ook in verschillende opzichten zelfbestuur, maar hun besturen staan in alle zaken van eenig belang onder toezicht van Gedeputeerde Staten.

Gelukkig dat de Kerk-het gevaar, dat haar dreigde, bemerkte. En al heeft zij zich niet kunnen ontworstelen aan het ongeoorloofde en hinderlijke Staatsgezag, telkens liet zij toch Jiaar protest hooren, zoodat het Staatsgezag gelukkig niet in alle consekwenties is doorgevoerd.

Ook in deze zijn we er niet op achteruitgegaan I

Want neem nog dit voorbeeld.

Te Leeuwarden bepaalde de vroedschap in 1780 dat de proefpredikatie ter voorbereiding tot het Avondmaal op Donderdagavond zou gehouden worden en tevens, dat de Psalmverzen vóór de preek „niet meer na vervolg zullen worden gezongen, maar gekozen in verband mét het onderwerp der preek."

De vóórdienst, zoöala die nu nog te Amsterdam bestaat, werd-dus door den Magistraat geregeld en niet door den Kerkeraad of den predikant — gelgk ook de vroedschap bepaalde op welken avond in de week men de voorbereidingspredicatie moest houden.

Wonderlijke dingen. Waarbg we ten besluite nog dit vermelden, dat de Magistraat van Praneker een tijdlang de gewoonte had, in den beroepsbrief de clausule aan te brengen „dat de beroepene zonder communucatie (mededeeling) aan den achtbaren magistraat niet Ijuiten de provincie mocht reizen." ,

W«l verzette de classis zich tegen deze Staatsbemoeienis. Maar Gedeputeerde Staten stelden de classis in het ongelijk en de Magistraat werd in haar dwaze pretentes gehandhaafd. (1770).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's