Stichtelijke overdenking.
Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd, komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte kleederen opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uwe oogen met oogenzalf, opdat gij zien moogt. Openb. 3: 18.
Een goede raad.
Daar is een oogenblik in Zijn toorn, maar een leven in Zijne goedgunstigheid, zegt de Psalmist.
Zou er voor deze waarheid wel een krachtiger bewijs zijn bij te brengen dan hier. Van de Gemeente, welke ons in Openb. 3 : 18 staat geteekend, laat zich wel niet iets anders verwachten dan dat de bijl aan hare wortels wordt gelegd om haar laatste spoor spoedig en geheel te zien uitgewischt. Immers de Heere ZeH moet dit oordeel vellen: zoo dan, omdat gij lauw zijt en noch koud, noch heet. Ik zal u uit mqn mond spuwen."
Denkt u dit eens in: de Waarheid heeft den rechterstoel beklommen, en die voor haar wordt gedaagd, staat daar als een hoogmoedige, eigengerechtige zelfgenoegzame zondares. Zij is voor alles warm noch koud. Ook het liefdeleven Gods kan haar niet meer bekoren, het hart voelt voor andere dingen. Zij weet het schijnbaar zelve niet meer, getuige dit woord: gij zegt: ik ben rijk en verrijkt en ge weet niet dat gij zijt arm
Verschrikkelijke gedachte, niet waar, te goeder trouw te veronderstellen: ik heb alles en inderdaad te staan voor een geestelijk bankroet,
Een vreeselijk iets, wanneer men niet weet, dat het pad waarop men voortloopt eindigt in een wis verderf, ja wanneer men zelfs nog in de inbeelding leeft, dat de weg welken men bewandelt die des levens heet.
Wat is het dan heerlijk dat men met een getrouwen en waarachtigen Getuige te doen heeft. Die niemand ongewaarschuwd gaan laat.
Hij, Die recht zou hebben in Zijn toorn alle leven uit te blusschen, wendt Zich in Zijn ongekreukte trouw, met nooit verflauwden qver, tot haar: Ik ïaad u dat ge van Mij koopt
We wielen hier een oogenblik met u over handelen.
Zoude hier niet gewezen worden op het goud voor de armen, op kleederen voor naakten en op oogenzalf voor blinden.
Ziet hier de rijke aanbiedingen van den Heere uit den hemel zelf.
Hier worden schatten te koop aangeboden voor den wonderlijksten prijs.
De Heere treedt hier met recht naar voren, zooals Hij Zichzelven in de gelijkenis heeft geteekend, als een koopman in groote parelen.
Dit beeld treft ge op meerdere plaatsen in de Schrift. Denkt maar eens aan Jesaja 55: „o alle gij dorstigen, komt tot de wateren en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet"
Gelijk een koopman, die zijne goederen heeft uitgestald, om de koopers te lokken, zelf naar voren treedt, als iemand aan zijn uitstalling voorbij komt en dan onmiddelijk zijn waren begint aan te prijzen, alzoo ook de Heere.
Hij zegt tot den armen, den naakten, den blinden zondaar: „och koop toch van Mij. Ik raad u."
Is dit niet teekenend?
Heel de markt des levens is met men-8oh«n gevold.. 2e JEoapea : ..aUen. Daar zijn er zeKs, die met min-gierige hand uitgeven, alsof zij over millioenen hadden te beschikken —^ en de werkelijkheid leert, dat ze voor al hun moeite, vooral hun offerenj nog nooit iets thuis halen, dat de moeite loont.
De Heere spreekt hier over rijk worden. Zou Hq dan het oor niet hebben van onze eeuw? En niet alleen van onze maar van alle eeuwen, immers dit blijkt maar al te zeer de geaardheid van het menschelijk hart: hij wil rijk worden.
Goud blinkt ieder in het oog.
Men heeft zelfs het huidige samenstel van de menschenwere^ld vergeleken bij een groote machine, welke gevoed wordt met menschenlevens en toch geen hooger bedoeling 'schijnt te hebben dan maar voortbrengen in steeds grooter hoopen: goud en goed. Zou de werkelijkheid er ver buiten vallen?
Hoeveel edels wordt er niet geofferd \ op het altaar aan den goudgod gewijd 1
Wie zal tellen de zielen, die niets hoogers te beluisteren krggen dan enkel klanken van het goud van deze wereld ? i Wat eene blindheid, waarmede de ' mensch toch is geslagen!
We behoeven, als naar dit kwaad wordt gewezen toch niet eens zoo ver uit te ; wijken. Wanneer de hand wordt gestoken in eigen boezem, zou er dan ook niet ' worden aangeraakt een plaats waar de jbesehuldiging wordt vernomen: »mgn , ziele kleeft aan het stof."
Wat een wakkerheid vaak wanneer daar voor het natuurlijke eenige winste valt te boeken.
Is de teekening niet geheel naar waarheid, zooals de mensch van nature bestaat weet hij niet hoe dwaas, hoe onbezonnen big voortgaat op zijn levenswegen?
't Is wel eene gedachte om schrik aan te jagen: een menschenziel, die zooveel schats vertegenwoordigt als door geen getallen kan worden weergegeven, zóó maar ^ tegen het lichte goud uitgegeven.
Dat is toch een verlies dat in geen ' eeuwigheden weer is goed te maken; het kan nimmer worden hersteld.
En toch ziet ge deze dwaasheid heel de wereld over. Hier komt zoo treffend uit: „daar is niemand die goed doet, zij zijn allen afgeweken". Zij vragen uit zich zelf nooit naar het goed dat bestendig is, naar het goud dat blijft.
Hoe komt dat?
Zou soms de schuld hiervW of een deel derzelve op rekening moeten gebracht van den Verkooper? Zou de Heere schuld hebben?
Dit durft ge toch niet staande houden, is het wel? Wien trad Hij nog nooit op zij met: „Ik raad u, dat ge van Mij koopt". Och, zegt Hij, Ik wil niets liever dan rijk maken.
Zou soms hier het geheim niel schuilen? Deze koopman handelt zoo geheel anders dan iedereen. Ik wil armen met goederen vervullen.
Wie zich nu maar arm, weet, wie nu maar temidden van zijn ellende en armoede hooren mag naar de lokstem Deze verkooper heeft goud, dat beproefd is, dat uit den smeltkroes komt, dat het keur des hemels draagt.
Wat een rijkdom.
Weet ge daar nu ook van lezer? Ge verstaat toch deze beeldspraak, niet waar? Het goud, hier genoemd, vertolkt een dubbele gedachte. Dit omvat den Christus zelf met al Zijn volheid, van goederen.
Hij biedt zich dus zelf aan.
Nu van dit goud mag gezegd worden dat het beproefd is. Het komt uit het vuur. Daar is geen vuur zóó heet, als waar Hij door moest.
Ware niet Zijn mensch-zijn gesterkt geworden door zijn Goddelijke natuur. Hij ware bezweken.
Beproefd is het goud in den smeltkroes der loutering. Satan, wereld en zonde zijn op Hem losgelaten als tegen niemand. Godes heiligheid heeft het wit gevormd van de rlammenhitte.
Daar is nooit iets zóó beproefd als het goud dat in Christus Jezus gestalte heeft aangenomen. Nooit iets, maar ook nergens waar het keur zóó heerlijk in uitschittert als in dezen Eéngeboorne. Met dit goud betaalt de heilige Hemelkoning zich zelf.
Dit is het eenige waarin de verzoening kan worden aangenomen.
Doch nu moet de andere gedachte naar voren gedragen. We spraken immers van een dubbele. De eene is zonder de andere niet af.
Dit beproefde goud moet gekocht worden. Met andere woorden: het moet ons persoonlijk bezit worden. Het moet gekocht zijü.
Juist, hier schuilt de moeilijkheid voor mij, zegt diegene, die niets meer heeft wat voor God kan en mag gelden. „Och, dat ik maar iets had waarvoor ik het koopen konde", zoo klinkt de verzuchting.
Vergist u niet, legt uw oor maar te luisteren. Hoort ge het wel: „Ik raad u, dat ge van M^ koopt, "
Ja juist, zegt ge, daar schuilt het „koopt". Ik heb niets om voor te koopen.
Meent ge dat de Heer dit niet zou weten? Het verwijt treft immers juist de zoodanigen, die meenen iets te hebben, „gij weet niet dat ge zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt." Neen, wilt ge de koopsom weten, leest dan eens met een biddend hart Jes. 55 : 1:
„O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet".
Hebt ge niets meer en ge komt zoo als èen doodarmt, de schat wordt a toebedeeld.
Hij verkoopt om niet. Hij schenkt uit.
Wat gij geeft is uw armoede, wat Hij daartegenover plaatst is zrjn rijkdom.
Ruilen anders is het toch niet, heel ons koopen, nietwaar?
Nu, dit doet de Heere.
Als dit plaats heeft, dan is de wereld te klein. Dan moet alles op zij.
. Dan wordt ervaren dat Hij tnachtig is alle ledigheid te vervullen en van alle kwaad te verlossen.
Zalige rijkdom als ge dit goud moogt koopen. Het kapitaal, dat in Christus' persoon en in Zijn werk is gelegen, geeft zooveel jrente dat al Gods volk er in de eeuwigheid meer dan genoeg aan zal hebben. In Christus is een eeuwige overvloed.
We gaan verder.
Daar is naast goud nog meer.
De zucht naar geld en goed is algemeen; toch is dit het eerste niet. Daar is een tijd dat men de waarde van geld nog niet kent en toch de begeerte naar het schoone kleed zich al laat gevoelen.
Neemt maar eens de proef. Uw kind zal, als het een kleed wordt voorgehouden, waarin het lust heeft, onmiddellijk het geldstuk loslaten. De begeerte naar het kleed grijpt dieper.
. Wet zeilen ons dn, het uiterlijke, vsga; dit verschijnsel niet verliezen; alleen willen we dit opmerken: wat een teeken is van zijne schande — immers was er geene zonde er kwam geen kleed — is nu zijn trots, zijn grootschheid geworden.
Spiegelt zich hier ten duidelijkste af de diepte van zijn val ? Toch kan dit ons bedoelen niet zijn hierop te wijzen.
We legden het oor te luisteren naar wat de hemélsche Koopman toeriep aan degenen, die Hem voorbijkwamen op de markt des levens: Ik raad u, dat ge van Mij koopt witte kleederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde.
Hier worden onderscheidene dingen naar voren gebracht. Vooreerst, het kleed dat Hij biedt ziet lelieblank. Het is wit.
Wanneer ge weten wilt vanwaar dit hemelsch-wit is verkregen, zoo legt eens voor u Openb. 7. „Deze die bekleed zijn met de lange witte kleederen, wie zijn ze en vanwaar zijn ze gekomen? '' Daarop komt dit antwoord: deze zijn het die uit de groote verdrukking komen en zij hebben hunne lange kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams. Daarom zijn ze voor den Troon.
Het wit van het kleed, dat door den Heere wordt geboden en waarmede de naakte zondaar omhangen moet zijn, wordt verkregen aan den voet van het kruis.
Maar nu het kleed zelf.
De Heere spreekt van een „opdat".
Opdat de schande van uwe naaktheid niet geopenbaard worde.
De mensch, zooals hij van nature leeft, heeft dus niets waarmede hij zich dekken kan. Komt dit niet zeer sterk uit in wat Adam en Eva deden in het Paradijs, dadelijk na den val? Zij hechtten vijgeblad aan vijgeblad. En zochten ze niet door allerlei verontschuldiging zich tegen God te dekken?
Naakt staat hg voor den Heere, tenzij hg bekleed mag worden. Hij moet dit kleed ontvangen uit de hand des Heeren. Deze wil het hem schenken.
't Is hier wederom dezelfde wonderlgke koopprijs. Hij verkoopt het om niet. Hij schenkt het aan een armen, naakten zon-I daar.
Och, zegt de Heere, arm menschenkind, uw vijgeblad dekt u niet, uwe dekking kan voor Mij niet bestaan. Het is te kort en te smal, overal zijn er scheuren en tornen. Het is overal gevlekt en al uw pogen maakt het nog zwarter. Ik raad u, alzoo de Barmhartige Hoogepriester, koopt de witte kleederen van Mij. Ik wil zorg dragen voor alles. De schande van uw naaktheid heb Ik voor Mijn rekeni.ig genomen. Laat u maar kleeden door Mijn hand Mijn werk. Mijn gerechtigheid alleen kan u dekken. Wanneer de zondaar, die zich in het heilig oog des Heeren gansch ongedekt gevoelt, in de plooien van Christus kleed zich verbergen mag, wat zal hij dan den Dichter van harte kunnen nazingen:
Welzalig is dè mensch, wien 't mag gebeuren. Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt, Voor 't heilig oog des Heeren is bedekt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1917
De Waarheidsvriend | 5 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1917
De Waarheidsvriend | 5 Pagina's