Uit de Pers.
lot van den brief van den heer Belksma.
DE KINDEREN. Van af het oogenblik dat de kleine Toradja-kleuters ons bij onze sblijde incomstev in Rante Pao hunne welkomstliederen toezongen, hadden ze onze sympathie, 't Is dan ook een' leuk volkje, eerst schuw, telkens de oogen neerslaand achter grootere broer of zus. Ik vertrouw dat er onder goede leiding wel wat van hen te-maken valt, daarvoor staan mij hun echt heldere kijkers borg. Van hetgeen ik totnogtoe van hen heb kunnen zien en hooren kreeg ik den indruk dat het jonge volkje volgzaam, ordelijk en leergierig is. Daarbij behoorlijk schrander. Als wij een school binnentreden klinkt ons altijd een langerekt taabée toeoe-an (gegroet mijnheer) tegen. Ontmoeten we in het veld kinderen, ge behoeft nimmer lang in twijfel te verkeeren of het schoolkinderen zijn of niet. Is het eerste het geval, dan zeggen hun vj-iendelijke groet en opgeruimde blik het U reeds op, tien passen afstahds. Ze kennen ons al en daarom zijn ze niet bang meer. Kinderen, die niet school gaan, sluipen ons, strak voor zich heenkijkend, langs het uiterste randje van den weg voorbij.
In fluitspel en gezang hebben sommige goeroes hun leerlingen al aardig ver gebracht; jammer is het slechts, dat de zucht om .direct twee-ja driestemmig te willen zingen met kinderen, die het zingen nog moeten leeren, aan de zuiverheid van het gfezang wel eens heel wat afbreuk doet.
Het gaat ons steeds ter harte te moeten ver-' nemen, dat de jeugd den geheelen schooltijd van 8 tot 12 uur op den nuchteren maag moet werken. De kinderen krijgen van de ouders voor schooltijd geen eten. Dit staat in verband met de dagindeeling der Toradja's. Als wij er de ouders opmerkzaam op maken, dat het zoo goed zou zijn als de kinderen voor het naar school gaan eerst behoorlijk konden eten, krijgen we steeds ten antwoord: iWe kunnen de rijst niet zoo vroeg gaar krijgen».
Ja, ja, men komt soms voor eigenaardige dingen te staan. Zoudt ge wel denken, dat er volgens de goeroes schoolkinderen zijn die, nu ze onderwijs krijgen, weigeren meer te werken ? Toch is het zoo. Ze verheffen er zich eenigszins op, en denken dat ze nu al een zekeren srang» bekleeden, en dat het daarom niet aangaat in hun vrijen tijd padi te snijden of op den rug van een karbouw te liggen, om hem langs de hellingen der bergen te weiden. Daarentegen zijn er ook wel to makaka's (vrijen) di'e aan hun slavenkinderen weigeren langer eten te geven, nu ze school gaan, doch dezen beweren nu op hun beurt dat die kinderee ook zoo veeleischend worden, sedert ze schoolgaan, want ze willen maar steeds rijst eten en ze lusten heelemaal geen aard vruchten en mais meer.
- Zoo ziet ge, lezer, dat zoo'n school in een Heidensche maatschappij heel wat teweeg brengt, en dat er veel van onze goeroes gevergd wordt om den wagen in het goede spoor te houden.
Wat U bij het bezoeken onzer scholen ook zou opvallen is het feit dat er nog zoo weinig meisjes komen. Sommige scholen hebben heelemaal nog geen vrouwelijke leerlingen, andere slechts zes of zeven hoogstens. De Toradja' gaat 'van de onderstelling uit, dat de vrouw niets anders behoeft te kennen dan werken en slooven vanden morgen tot den avond. De positie der vrouw is hier dan ook inderdaad treurig. Op den leeftijd dat de HoUandsche meisjes in korte rokken spelen en het haar.nog in een vlecht dragen, is het Toradja meisje reeds getrouwd, ja moeder, en in den regel het slachtoffer van de wellusten des mans.
Van haar wordt huwelijkstrouw geêischt; bij schending daarvan wordt ze zwaar gestraft. De man is vrij in doen en laten en misbruikt die cvrijheid» dan ook wel. Gaan ze samen naar de markt, 't is de vrouw die, gebogen, de zware lasten draagt, gedwee volgend haar «heer». Deze draagt hoogstens zijn pruimgereedschap. Ik geloof stellig, dat de Toradja's niet zoó dom zijn, of ze begrijpen heel goed, dat het met hun uitbuiten der vrouw wel eens gedaan kon zijn, al ligt dat ook nog in een ver verschiet, ingeval de meisjes naar school gingen en evenals de jongens allerlei nuttige idingen leerden. En daarom houden ze de meisjes maar liever thuis. De afgezette Pommaramba, die eerst schijnbaar onzen arbeid welwillend gezind was, doch zich later afkeerde, heeft ons in dat opzicht veel kwaads berokkend, want zijn invloed werkt nog na. En toch is er ons veel.aan gelegen, de vrouwelijke jeugd onder onze bearbeiding te krijgen. Want wat zal er van onze jongens worden, als ze de school hebben verlaten en er geen andere vrouwen voor hen zijn dan de Heidensche kampongmeisjee. Wij vreezen dat ze in korten tijd weer in het Heidendom zouden zijn teruggezonken; en dat al onze arbeid verloren moeite was. Neen, wij moeten ook de meisjes hebben, opdat het Christendom de vrouw waarlijk vrij moge maken ' en dan zal blijken dat de invloed der vrouw, een zeer té waardeeren steun is in den Zendingsarbeid.
1. Zoover zijn we intusschen nog niet. We staan ook nog maar pas aan het begin van den «strijd», 't Zijn slechts «voorpostengevechten» die we leveren, om «voeling» te krijgen mét den vijand.
Veel onzichtbare «voorarbeidsmoet voorafgaan, doch de wereldoorlog leert ons, dat die stille, verborgen voorarbeid in den regel beslist over den uitslag van den strijd.
Zij uw bidden en werken voor ons in het vaderland maar steeds 'als de ondersteunende krachten van Aaron en Hur voor de vermoeide armen van Mozes. ,
Uw vriend,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1917
De Waarheidsvriend | 5 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1917
De Waarheidsvriend | 5 Pagina's