De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Allerlei.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Allerlei.

9 minuten leestijd

Zijn geboortebewijs.

Een groot aantal Europeanen — Pranschen, Éngelschen, Zwitsers, Duitschers, Hollanders en anderen — zijn in den loop der jaren als landverhuizers naar Brazilië in Zuid-A merika veftrokken en hebben zich daar in en om de hoofdstad Buenos-Ayres gevestigd.

Om de vreemdelingen in geval van nood te helpen en hunne belangen te behartigen, waren er in Brazilië — evenals in alle andere landen — ook consuls gevestigd. De Nederlandsche consul is dus, als 't eenigszins kan, een Hollander, de Engelsche consul een Engelschman, de Fransche een Franschman enz.; doch allen spreken zij niet alleen hunne eigene taal, maar ook de taal van het land, waarin zij gevestigd zijn, in Brazilië het Spaansch.

In die dagen nu meldde er zich eens bg den HoUandschen consul een jonkman aan met het verzoek om een schriftelijk bewijs, dat hg een zoon van Hollandsche ouders" was. Kreeg hg dat bewijs niet en kon hg het dus niet overleggen, dan zou hij sold at moeten worden, en dat was onder de regeering van President Rosas waarlijk geen gekheid!

De jonkman sprak vloeiend Spaansch. „Alles goed en wel, beste vriend" sprak de consul, ook in het Spaansch; „doch waar is uw geboortebewijs? "

„Dat heb ik niet" antwoordde de jonkman.

„Bezit je dan geen ander schriftelijk bewijs omtrent je herkomst? "

„Neen mijnheer ü'

Niet? Nu, kom dan maar eens met je ouders hier!"

„Vaderen moeder zijn reeds lang dood!"

„Zoo? Ja — spreek dan maar eens Hollandsch met mg, al is het maar een paar woorden".

De man deed geen mond open.

„Ja, dan weet ik waarlijk niet, hoe ik rU helpen moet", verklaarde de consul. I „Hoe kan ik u een bewgs geven, dat gg een Hollander zijt, wanneer gg zelf mij dat niet kunt bewijzen. . Zoo zou wel iedereen bg mg kunnen komen".

„Stellig èn zeker, mijnheer de consul, ik ben een Hollander!" betuigde de jonkman. „Mijne ouders waren uit Gelderr land, en ik zeg u de zuivere waarheid!" . De consul liep zgn kamer op en neer. De jonkman had een eerlijk gezicht, sprak zoo openhartig en ongedwongen, en toch....

Plotseling kwam er bij den consul een reddend denkbeeld op. Hg ging vlak voor den jonkman staan en zeide: „Lieve vriend, hebt ge dan in 't geheel niet.s uit uwe jeugd onthouden? Kent ge bijvoorbeeld niet een gebed, dat uwe moeder u geleerd heeft? "

En nu hadt ge dien glans van blijdschap in zgn oogen eens moeten zien.

„O ja, mijnheer!" riep hg dadelijk En als een klein kind vouwde hg eerbiedig zgne handen en bad hij het Onze Tader van het begin tot het einde, zonder een oogenblik te haperen, en toer. hg „Amen" gezegd had, stonden er een paar groote tranen in zijn oogen, en als eene herinnering uit lang vervlogen dagen zag hg zich - weer naast zijn moedertje staan, op wier sclioot hg dit gebed geleerd had.

Ook de consul was diep ontroerd. Alle? wat 's mans HoUandschen afkomst bewijzen kon, was in den langen tijd van twintig jaren spoorloos verdwenen; alleen het eerste en allervolmaakste gebed was onuitwischbaar in zijn geheugen geprent gebleven.

„Mijn waarde landgenoot en vriend" sprak de consul thans — „nu wil ik n gaarne een schriftelijk bewijs geven, want het Hollandsche Onze Vader kunt gij alleen van eene Hollandsche moede T' geleerd hebben!"

Een dankstem.

'tGekrookte riet verbreekt Gg niet; de wiek die walmt en uit wil gaan, tot helder vlammen blaast Gg haar aan.

Het hart dat breekt en tot U srneekt, de ziel vol wonden die tot U vliedt, Uw groote liefde verstoot ze niet.

Uw zachte hand geneest den brand van 't felste schrijnen der diepste wond; en 't Woord Uws Levens, dat maakt gezond.

(Uit Nelly van Kol's

„ Dankstemmen").

Een leven, besteed in den dienst van en in gemeenschap met God is het troost rijkste en genot volste leven, hetwelk iemand in deze wereld kan leiden."

MATTHEW HENRY.

Als ik geen leeraar was, dan zou ik onderwijzer willen zijn en ik weet nog niet, welke van deze twee ambten het belangrijkste is.

M. LUTHER.

* * Wie den Heere in waarheid vreest, die wenscht Hem te gehoorzamen, zichzelven geheel aan Hem te geven en steeds op Hem geheel en al te vertrouwen.

De Heere doet Zijne kinderen de beproevingen door Zijne hand dikwijls zwaar ondervinden, doch redt hen op Zgn tijd er heerlijk uit.

Als de Heere ons tegen komt, , .dan moeten wij onderzoeken waarom Hij dat doet. Als wg dat doen dan werpt de beproeving vrucht af voor de eere van Gods naam en de zaligheid onzer ziel.

„Neen" zeggen.

Dikwijls behoort er in het leven moed toe om „neen" te zeggen. Als een kind neen zegt tot vader en moeder, wanneer deze hem iets gelasten, wat hem niet naar den zin is; als een jongeling of jongedochter vaders vermaning en moedere emstigen raad wederstaan; als een dienstbode haar meesteres gehoorzaamheid weigert en in plaats van haar plicht te volbrengen, zegt: Br)at verkies ik niet te doen!" — dan behoort daar moed toe, treurige öioed. Want zulk een kind, zulk een jongeling en jongedochter verzetten zich daardoor tegen de machten, die God over hen gesteld heeft.

Dat „neen" is als een scherp mes, 't welk de teederste banden doorönijdt en diepe wonden toebrengt, 't Is niet te zeggen, tot hoe grievende smart een tegensprekend kind voor zgn ouders is. En toch zgn er helaas! vele kinderen, die oneerbiedig en zelfs brutaal hun ouders durven tegenstaan. Stoutweg spreken ze uit, ook terwijl er anderen bij zijn, dat zij niet verkiezen te doen, wat hun vader en moeder van Godswege rechtmatig van hen moge eischen.

Wie nijn ouders nederig eert, zal door den Heere gezegend worden; m«^ het

oordeel Gods zal hem treffen, die door ongehoorzaamheid, door tegenstand en verzet zijn ouders op het hart durft treden. Door zulk een snood gedrag wet het ontaarde kind zijn eigen zwaard.

Er behoort dikwijls moed toe om „neen" te zeggen. Een treurige, onheilige, goddelooze moed.

De roepstemmen Gods gaan op velerlei wijzen tot ons uit. Ernstig laat de Heere ons vermanen, dat wij hart en hand toch niet aan de wereld en de zonde, maar

Hem alleen zullen toewijden. Doch de mensch is van nature een vijand Gods'. »Wie is de Heere, dat ik Hem dienen zoude? " zoo roepen velen spottend uit. , Neen" zeggen zij door woord en door daad, stout en hoonend, zoowel op de ernstige vermaningen als op de liefelijke noodigingen 'des Heeren, die door het Woord Gods dagelijks tot ons komen.

Is het roekeloos ontaard, als een kind tegeö^ijn ouders zich verzet, aan wie het in het natuurlijke toch alles te danken heeft; hoe snood, hoe goddeloos is het dan niet, als een mensch tegen den Heere, die zijn Schepper en Weldoener is, hoonend en lasterend opstaat 1 Wie dat durft bestaan, zintt in steeds dieper poel van zonde en misdaad weg, en stort ten laatste in'den afgrond van eeuwigen jammer neer.

'^ Doch er zijn ook vele omstandigheden, waarbij goede en heilige moed noodig is om „neen" te zeggen.

Als de zonde u haar netten spreidt en haar strikken spant. Als haar zoete, verleidelijke stem u toelispelt: „Gametmij; kom meel" Als iemand u wil overhalen tot wat ge weet, dat niet mag, wijl God het verbiedt in 'zqn Woord, dan „neen" te zeggen, krachtig en uitdrukkelijk, daar is toe noodig.goede moed. Want wie in zulke omstandigheden „neen" zegt, wordt daarover vaak bespot en gesmaad. Velen belachen u er om. Zij houden u voor een lafaard, die niets mag en niets durft. En die spot en smaad hebben dikwijls zoo noodlottige uitwerking, dat menigeen die eerst „neen" gezegd had, zijn woord weer introk, en meeging op het verkeerde pad, en meedeed aan verkeerde dingen — maar met een kloppend geweten, dat hem bang maakte op ontzettende wijze.

Het is de diep jammerlijke staat van den mensch, dat hij „neen" ze'gt, als hij „ja" zeggen moest; dat hij zich overgeeft, aan wat hij als een pestilentie moest ontvlieden. Voortdurend gaan er vele roepstemmen en vermaningen Gods tot hem uit, maar die worden roekeloos wederstaan. En aan het verlokken, verleiden en verzoeken tot zonde geeft hij gereedelqk gehoor.

Dat gij, lezer, de zonde bq het licht van Gods Woord leerdet zien I Dan zoudt gij haar niet najagen, maar verfoeien. Wacht u voor de bedriegelijke gestalte der zonde. Zq reikt heden u een bloemtakje toe, om morgen u in boeien en ketenen te knellen. Zij werpt u een net over het hoofd, spant een strik voor uw Voet en stort vergif in uw aderen. Dat is op de schrikkelijkste wijze ervaren door zoovelen die geen „neen" wilden en durfden zeggen tegenover de verleidelijke stemmen des kwaads.

Tusschen de hoogopgaande aren van een korenveld staan gewoonlijk vele klaprozen, wier losse bevallige bladeren schitteren in het heldere licht der heerlijke zonnestalen. Dikwijls gebeurt het, dat een knaap speelt bij den weg en, door den lust tot die klaprozen bevangen, over de sloot springt, met de handen de korenaren wegduwt en ze daarna met den voet plattreedt, om zich zóó een weg te banen tot die verlokkende bloem. Als hij er dicht bij gekomen is, strekt hy de begeerige handen uit en rukt den dikken, taaien stengel af — maar dan volgt bijna altijd onmiddelijk de bittere teleurstelling: de losse, bevallige bloembladeren vallen één voor één tegen den grond en de begeerige knaap houdt niets over dan een ontbladerden steel! Een schrale belooning voor al zijn moeite. Niets in de hand dan een onnoozelefi stengel, rondom zich afgevallen bladeren, en achter zich een groote streep van neergedrukte, geknakte en vertrapte korenaren!

Zoo is nu ook de bittere ervaring van den mensch, die geen „neen" durft zeggen, als de zonde lokt. Hij plukt, wat hij niet plukken mocht. De bloemen der zonde blinken hem in de oogen, en begeerlijk zien ze er uit. Doch een innerlijke stem vermaant hem: „Pluk ze niet! Pluk ze niet!" Wie ze plukt zal veel goeds vertreden: de stem der consciëntie, : de stem van Gods Woord, de vermaningen | en waarschuwingen zijner ouders.'

Jongeling en jongedochter, vertreedt toch deze korenhalmen niet, om de verlokkende bloemen der zonde te plukken! Bewillig niet de verleidelijke stemmen der wereld, die u steeds omringen. God doe u de schrikkelgkheid der zonde zien, welke u\v lichaam verwoest en uwe ziel verderft, en Hij schenke u kracht om nadrukkelijk „neen" te zeggen tegen haar aanhoudende verlokking.

Bedenk, de genade Gods, door welke volkomene vergeving is, ook voor den grootsten der zondaren, kunt ge ongeloovig en onbekeerlijk afwijzen — maar het oordeel Gods, dat over al uw zonden rechtvaardige vergelding zal doen, afwijzen - Dat kunt ge niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Allerlei.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's