De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

Zie, waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is. Joh. I : 48*.

Nathanaël.

De mensch ziet aan wat voor oogen is maar de Heere ziet het hart aan. Gij weet, bij welke gelegenheid de Heere deze woorden eens heeft gesproken; Zij werden oorspronkelijk gericht tot Samuel, toen deze in het huis van Isaï was ingegaan, om een zqner zonen tot koning te zalven. Alle zonen van Isaï moeten dan voor Samuel komen, en aanstonds bij het binnentreden van den oudste meent Samuel al dat deze de gezalfde des fleeren zal zijn. Maar de Heere zegt tot hem: zie zijne gestalte niet aan, noch de hoogte zijner statuur, want ik heb hem verworpen, want het is niet gelijk de mensch ziet, want de mensch ziet aan wat voor oogen is, maar de Heere ziet het hart aan. Zelfs Samuel zag dus, toen hij door eigen ook keek, de dingen verkeerd. Eerst bg het licht des Geestes dat God hem verleende, leerde hij zien dat niet Eliab, maar David, niet de oudste maar de jongste, niet de grootste maar de kleinste de van God verkoren koning zou zijn. Ook hier bleek dus weer dat God in het kleinste zijn grootste genade verheerlijkt. En o, hoe menigmaal heeft de Heere dat sinds dien tijd al getoond dat Hij het hooge en groote, het aanzienlijke en rijke, het machtige en edele dezer wereld verwerpt, om juist aan dat gene wat klein is en zwak, wat laag is en gering, wat nietig is en veracht Zijn gerechtigheid te openbaren en Zijn heil bekend te maken.

Een bewijs daarvan is ook de man, wiens naam we hierboven schreven. Nathanaël, de discipel die dooi-middel van Filippus tot Jezus kwam. Wie was deze Nathanaël? Op die vraag behoeven we; waarlgk het antwoord niet schuldig te blijven. Immers de Heere zelf heeft ons zijn portret laten zien. En als de Heere zelf eene beschrijving van iemand geeft, dan kunnen wij er op aan dat deze tot in' de kleinste bijzonderheden op den persoon, die door Hem voorgesteld wordt, gelijkt. Wanneer wg menschen een beschrijving van iemand moeten geven, dan doen wij het zoo licht verkeerd. Dat komt omdat wij aanzien wat voor oogen is. Daarom maken wg ons van zoo menigeen een verkeerde voorstelling en is het beeld dat wij van zoo menigeengeren niet zelden in strgd met de werkelijkheid. Maar als de Heere zegt hoe iemand er uit ziet, dan kunnen wg er op aan dat het zoo is. Welnu, de Heere zelf heeft ons van Nathanaël deze beschrijving gegeven: , zie, waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is "Nu moeten we van de trekken van dat beeld geen verkeerde verklaring geven. Een Lsraëlietin welken geen bedrog is.. Wat I k moeten we daaronder verstaan? Gij bezgrijpt dat dit niet is een Israëliet die d zich nooit aan eenige zonde, met name e nooit aan overtreding van h«t negende v gebod heeft schuldig gemaakt. Immers n wat dat betreft, dan was er maar één z Israëliet zonder bedrog, en dat was de t Heere Jezus Christus zeK; maar in dien d zin kon deze teekening zeker van Nathanaël niet gegeven worden. Immers n ook hij was uit en van zich zelf een zon­ D dig menschenkind. Ook hij was een het kind van Adam, die in zijn stam-en l verbondshoofd van God was-afgevallen h van wien het ook gold, dat hij in zonden d ontvangen en in ongerechtigheid geboren h was. Ook hij was een mensch die zich aan overtreding niet slechts van êen en­ s kel, maar van al de geboden des Heeren had schuldig gemaakt, en die het dus t ook van zich zelf had te belijden; „'kBen door Uwe wet te schenden, krom van n lenden, vol van druk, benauwd van hart." Makr wat bete^kent het dan, zoo e vraagt ge, dat in hem geen bedrog was? Het wil, naar het ons voorkomt, dit zeg­ f gen, dat hij in bijzonderen zin des woords oprecht voor God was geworden. Zonder bedrog, dat beteekent immers, ons van buiten niet anders voordoen dan wij v^n binnen z^n. Zooals we weten was dat een karaktertrek die Israels volk in den regel niet sierde. Integendeel, gesproten uit de lendenen eens mans die den veelzeggenden naam van Jacob, d.i. verzenenvatter droeg, zat de slangenaard de Joodsche natie als 't ware in 't bloed, en nog heden ten dage weten we wat het be-toekent als de naam „Jood" op iemand'u van toepassing is,

Niet het minst in de dagen van 's Heilands om wandeling op aarde trad die | karaktertrek inzonderheid in het Farizeisme bgzonder naar voren. Ziehzelve uitwendig anders voordoen dan men inwen­dig was; van buiten allerlei schoons aanbrengen op een graf dat van binnen vol van doodsbeenderen was. Ja, dat was een trek die inzonderheid het karakter' van het Israëlitische volk ontsierde; en i zou Nathanaël hierop nu geheel een uitzondering hebben gemaakt? ' Ach, zou er [ wel iemand zijn die zich nooit aan dat euvel vergrepen zou hebben? En zoo denk ik, dat ook Nathanaël, hij mocht dan een gunstige uitzondering maken op de meesten zijner tijdgenooten, wel niet rein van handen en wel niet zuiver van i 1 hart is geweest. Maar weet ge wat het' geval was? Blijkbaar was de Geest des \ Kerven in Zijn ontdekkende werkzaamheid vaardig geworden over dezen man En als de Geest Gods ons aan onszelve ontdekt, dan komen we in oprechtheid voor Gods aangezicht, dan leèren we onszelve kennen zooals we zijn; dan zien we dat ons hart van nature, ook al kwam het niet tot uitbreking, vol is van bedrog en vol is van geveinsdheid. Maar dan trachten we dat voor deïa Heere ook niet langer te bedekken of te bemantelen. Integendeel, dan belijden we onze zonden en is het met den diqhter van Psalm 32: ik zal belijdenis van mgne overtredingen doen voor den Heere.

Israëlieten, in welke geen bedrog is, dat zijn dus zulke menschen bij wien God waarheid in het binnenste gaf, dat zijn menschen die ziehzelve niet beter en niet vromer voordoen dan zij zijn, die niet verder spreken dan zij spreken kunnen. Israëlieten zonder bedrog, dat zgn menschen die zichzelven schuldig kennen voor Gods  aangezicht, die van zich zelve niet anders te belijden hebben dan dat zij midden in den dood liggen, en dat er uit hen in der eeuwigheid geen vrucht gevonden zal worden, maar die nu ook zoeken naar een leven buiten zich zelf, en naar een vrucht der gerechtigheid waarmee zij voor het aangezicht des Heeren zullen kunnen bestaan.

Welnu, zulk een Israëliet was Nathanaël. Deze Nathanaël komt zooals hg is. Dat blijkt aanstonds al uit de vraag die hij tot Filippus heeft gericht. Deze Filippus toch is tot hem gekomen en heeft hem verteld dat hij den Messias gevonden had in Jezus van Nazateth. Wellicht heeft Filippus gedacht dat dit ook voor Nathanaël een oorzaak van groote blgdschap zou zijn. FUippus wist toch dat ook Nathanaël behoorde tot die Israëlieten, die evenals Simeon, de vertroosting Israels verwachtende waren en wat kon nu blijder boodschap voor Nathanaël zijn dan dat die verlossing er was; dat er een man gevonden was, in wien alles vervuld was wat in de wet en in de profeten geschreven was?

Maar inplaats van te gelooven bleek Nathanaël aan bangen twijfel ten prooi te wezen; als een bieze bleek hij geslingerd door den storm .jler onzekerheid. Immers, de afkomst uit Nazareth, dat is de steen des aanstoots waaraan Nathanaël zich stoot. Uit een zoo onbeduidend plaatsje in Galilea, waarvan noch in de wet, noch in de profeten sprake was, meende Nathanaël dat het heil des Heeren niet kon voortkomen. Wanneer Filippus nu gesproken had van iemand uit Jeruzalem, dan zou Nathanaël zeker meer neiging getoond hebben om zijn oor te luisteren te leggen. Maar nu uit Nazareth, neen, zulk een Messias, daar uit afkomstig, meende Nathanaël, kon de zijne niet zijn.

- Ach, wat zijn wij menschen toch allen g geneigd om Gods werk te verwachten k van datgene wat groot is en machtig en d wat heeft de Heere het toch al menigmaal getoond dat het heil des Heeren een wortel uit een dorre aarde is.

Nazareth, een plaats waaruit niets goeds was voortgekomen, maar daarom juist zulk een trefifend beeld van het hart van den zondaar — ook van het hart van Nathanaël—waaruit ook niets kan voortkomen dat den Heere welbehagelijk was. O, wat gelukkig voor Nathanaël dat de Heiland niet uit Jeruzalem, maar wel ' uit Nazareth kwam. Immers ook Nathanaël moest met een vernederden Zaligmaker beginnen. Alleen-toch zulk een vernederde, zulk een verachte Zaligmaker zou Nalhanaël iets goeds, neen zou hem veel goeds, neen zou hem alle goeds kunnen aanbrengen. Ziet, dat was wat deze Israëliet zonder bedrog nog moest leeren verstaan. Hij meende dat een Zaligmaker uit Nazareth niets goeds voor hem kon bezitten, en nu zou hij moeten leeren dat juist in zulk een Zaligmaker de Heere verhooring zou schenken aan zijn gebed: , Geef dat^mijn oog het goed' aanschouw, 't Welk Gij uit onbezweken trouw. Uw uitverkoornen toe wilt voegen."

En hoe zal Nathanaël dat nu leeren? Zal Filippus met hem gaan redeneeren en zal hij hem door bewijsvoering trachten aan te toonen dat Jezus van Nazareth werkelijk de beloofde aan de'vaderen was ? Ach, Filippus begreep wel dat redeneering of bewijsvoering hier niet baten zou. Immers wat Filippus ook betoogde, 1 Nathanaël zou .toch telkens weer op Nazareth terugkomen en dat zou voor hem blijven een steen des aanstoots en een rotssteen der struikeling. Daar zou voor Nathanaël dan ook geen beter middel wezen om van zijn ongeloof verlost te worden dan dat hij, net als Filippus zelf ook gedaan had, zou komen en zien. De beste weerlegging van den aanstoot, dien Nathanaël aan Nazareth nam, zou zijn dat hij persoonlijk met Christus in ge-.meen schap zou komen. En, zooals wij weten, is dat ookv voor Nathanaël het middel geweest. Immers als hg FiUppus volgt en weldra met den Heiland van zondaren in persoonlijke aanraking komt, dan duurt het niet lang meer of hg is over Nazareth heen, en gg kent den uitroep waarmee hg in aarrbidding aan 's Hollands voeten is nedergevallen: Rabbi, gij zijt de Zone Gods, gij zijt de Koning Israels. Nu bleek het hem dus dat er uit Nazareth iets, zelfs heel veel goeds was voortgekomen, 'ja dat uit dat verachte Nazareth de grootste schat was voortgekomen, waarbij de ziel van Nathanaël niet alleen leven, maar ook sterven kon.

En zoo is het nu met alle Nathanaels, met, alle Israëlieten zonder bedrog, d.w.z. met alle dezulken die ziehzelve als ver-Ipren, zondaren voor God leerden kennen, en die in oprechtheid belijdenis va^innne overtredingen doen.

Gij kunt met dezulken redeneeren zooveel gij maar wilt; Gij kunt hun door bewijsvoering trachten aan te toonen dat Jezus Christus in de wereld gekomen is' om zondaren, dus ook hen te verlossen, maar telkens weer stuit ge op de tegenwerping of de Zaligmaker, dien zij verwachten, zou. zichzelf dan zóó diep vernederen maar En weer daarom met Filippus is het goed te zeggen: om telkens, Kom en zie. Immers eerst als daar persoonlijke gemeenschap met den Heere Christus geoefend mag worden, eerst als daar een komen is tot den Heere en een zien van den Heere, dan zal het wezen: u dan die gelooft, is Hij dierbaar, en dan zullen ook wij in dien eens vernederden maar nu verhoogden Middelaar zooveel goeds vinden dat wij het der koningin van Scheba zullen nazeggen: de helft is mij niet aangezegd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's