Staat en Maatschappij.
De Minister van Oorlog en de rechterzijde.
De Minister van Oorlog bekleedt in het Kabinet geen sterke positie.
In dezen tijd, nu haast het ongeloofelijke van een minister van oorlog moet gevergd worden en zulk een bewindsman een krachtige figuur moet zijn en over een doortastend karakter behoort te beschikken, blijkt het bij den dag duidelijker, dat de tegenwoordige titularis die eigenschappen mist;
Het mankeert bij minister jBosboom aan organiseerend talent, aan de noodige voortvarendheid om de vraagstukken, welke zich telkens voordoen, en die vaak veel hoofdbrekens kosten, tot oplossing te brengen en aan den durf om daar, waar dit noodig is, zijn wil door te zetten.
In zooverre valt het dan ook te betreuren, dat het voornaamste stuk der landsverdediging zich niet bevindt in handen van een man, die in alle opzichten voor zijne taak berekend is; dan toch zou voor de schatten gelds, welke nu reeds de mobilisatie van het leger kost en voor den groeten economischen druk, welke op de schouders der bevolking is gelegd, heel wat meer verkregen zijn
Is minister Bosboom een zwak bewindsman, die feitelijk bij het begin der mobilisatie evenals zijn oud-ambtgenoot van Financien, 4e beer Bertling had moeten heengaan, daar komt nog iets bij dat het beleid van dien minister zoo weinig aantrekkelijk maakte.
Het ontbreekt den heer Bosboom aan het vermogen, om zich in den gedachtengang van een ander in te denken. Zooals de minister het zegt, is het alleen juist.
Uithoofde van die eigenaardigheid van den minister, draagt schier elk dftbat, dat tusschen hem en de Kamer gevoerd wordt, een scherp karakter. Dit toekent zich echter in bijzondere mate af, als in de discussies met de rechterzijde de geestelijke en zedelijke belangen der militairen een onderwerp van beraadslaging uitmaken; want ook eene andere levensbeschouwing, die van de zijne afwijkt • de vrijzinnige ^-kent de minister al evenmin.
Een enkel voorbeeld ten bewijze van dit laatste.
In de Kamer werd nog onlangs aangedrongen, dat van overheidswege geen wedstrijden en sportdemonstraties op Zondag worden gesteld.
Men zou zoo zeggen een alleszins redelijke vraag, waarop een, bevestigend antwoord, althans een toezegging van nadere overweging mocht verwacht worden. Doch dit zou met 's ministers karaktertrek in strijd komen.
Het antwoord luidde botweg: dat ran den minister niet te verwachten is, dat hij de wedstrijden of sportdemonstraties op Zondag zal tegengaan.
Natuurlijk kan het niet anders, of het standpunt, dat een minister inneemt waarbij elke overtuiging onredelijk wordt geacht die van de zijne afwijkt, moet ten slotte tot een uitbarsting leiden.
Zoo geschiedde het de vorige week toen het wetsontwerp aan de orde was om aan de regeèring gelegenheid te geven de lichting 1918 vervroegd op te roepen,
In een vorig nummer van ons blad werden ten aanzien van dit wetsontwerp enkele opmerkingen gemaakt en daarbij op de bezwaren van geestelijken en zedelijken aard gewezen, die eene inlijving van jongelui van 18 jaar mrt zich brengt.
Met groeten aandrang werd nu in de Kamer aan den minister gevraagd, orn maatregelen te nemen ter bescherming tegen de gevaren, welke de geestelijke en zedelijke belangen dier jongemannen bedreigen.
Er werd daarbij voorts gewezen op vaak ergerlijke vertooningen, welke den militairen in het leger voor ontspanning wordeit aangeboden en hoe tot het bijwonen dier voorstellingen dikwijls indirecte dwang wordt uitgeoefend.
Toen dit gezegd was, barstte de minister in toorn los. Hier werden leugens en verdachtmakingen gedebiteerd.
Maar weerlegde de minister nu met de feiten, wat was beweerd geworden?
In geenen deele !
De minister bepaalde er zich toe, om het blad „DaMiddernachtzendeling^', WB, B uit geciteerd was geworden, een schunnig blad te noemen en over de walgelijke vertooning, welke destijds te Amsterdam opgevoerd werd, en waaromtrent ernstige bezwaren waren ingebracht, mede te deelen, dat de minister de voorstelling door een ofiicier had laten bywonen, die op de vraag of het stuk onzedelijk was, dit zeide: „neen Excellentie, maar.... ja, toch, dat stuk was onzedelijk, doch alleen voor hem die onzedelijk denkt of onzedelijk is, "
Het spreekt van zelf, dat deze laatste woorden, die nota bene door de linkerzijde toegejuicht werden, door de rechterzijde met ergenis werden aangehoord, De minister slingerde hier eene beleediging in het aangezicht van allen, die vertooningen als te Amsterdam plaats hadden den rug toekeerden, want die dit doen denken onzedelijk of zijn onzedelijk.
Door zulke woorden wordt de verleiding voor jongelieden van christelijken huize nog zwaarder; immers wanneer zij =ïullen weigeren om met de anderen naar den schouwburg mede te gaan, staat hun te wachten, dat zij geacht zullen worden onzedelijk te denken of onzede"-Iqk te zijn.
Er kan daarom niet genoeg op worden toegezien, zoowel in de Kamer als daarbuiten, dat de noodlottige invloeden, waaraan de militairen bloot staan, worden tegengegaan.^
De samenwerking tusschen den Minister van Oorlog en de rechterzijde is er sinds de vorige week niet op verbeterd.
Na den oorlog.
Oud-Miüister Colijn heeft dezer dagen te Haarlemmermeer een rede gehouden over de toestanden die zich na het beëindigen van dezen groeten en gruwelijken wereldoorlog zullen voordoen zoowel hier als elders.
Dit woord van den algemeen geachten Christen-staatsman geven we hier gaarne een' plaats.
De heer Colijn sprak aldus: „Elke vergelijking met wat vroeger na een oorlog gebeurde moet worden terzijde gesteld.
Vroeger had. men beroepslegers; maatschappelijk bleef daardoor het leven in oorlogstijd vrijwel hetzelfde. Thans vechten de volkeren; de natiën zijn tegen elkaar opgestaan.
Deze oorlog is zelfs niet te vergelijken met het Napoleontische tijdperk. Denkt slechts aan het sterkste leger uit dien tijd; het leger van Napoleon op weg naar Rusland. Het bezat een sterkte van vijf tot zeshonderd duizend manschappen. En thans? 35 millioen mannen staan gewapend ; dat is het 60-voud van Napoleons groote leger waarover hij beschikte. Rekent men daarbq, dat voor ieder man aan het gevechtsfront er 3 of 4 zijn thuis gebleven om dien strijder te onderhouden voor approviandeering, aanmaak van kleeding, munitie enz, dan kan men veilig' zeggen, dat thans 150 tnillioen menschen bezig zijn een werkzaam aandeel te nemen aan dezen modernen oorlog.
Het is mogelijk, zegt Spr., dat vroegere verschijnselen na groote gebeurtenissen zullen terugkeeren; maar-de omvang zal dan zoo reusachtig veel grooter zijn, dat ze niet meer op elkander gelijken.
Het best is misschien ze te vergelijken met het tijdperk na de Kruistochten of na de Fransche revolutie; maar Spr. meent wel te mogen zeggen, dat de invloed van den oorlog die van de Fransche revolutie belangrijk zal overtreffen. Enkele factoren wil hij memoreeren.
Wanneer in Nederland alle valide mannen van 18 tot 50 jaar wofden bij eengerekend, komt men tot een getal van 1 millioen. Op dit oogenblik is men in de oorlogvoerende landen aan dooden en gewonden reeds verloren 10 millioen man
den oorlog zal dit getal toch zeker: l^^esteffen run tot 15 millioen man. ^t wil dus zeggen, dat een aantal van; 5 maal de productieve bevolking van ederland aan de productie zal zgn ontzallen.
Ten' tweede is daar de oorlogsschuld eze zal in de oorlogvoerende landen mtrent 1 April van dit j ar gestegen •Q tot 2Q0 milliard, een bedrag, dat bij ênadering niet is te overzien en, naar or 's meening, Tiooii betaald kan worden, e gevolgen van dezen enormen schulenlast zija dan ook dat in België de aatsschuld is verdubbeld; tn Bulgarije erdubbeld; in Duitschland verviervou-Vd-in Engeland vervijfvoudigd; in rankrijk verdrievoudigd en in Oostenrijk n Rusland verviervoudigd
In Frankrgk is de staatsschuld, per öfd berekend, vier maal zoo groot als Nederland; in Duitschland driemaal, Engeland twee en een half maal en Rusland even groot als in Nederland.
Dat geeft eene vergelijking. In Nedernd is de staatsschuld tot heden met ) pCt. verhoogd, al ziet Spr. *r in, dat ie ook hier wel zal verdubbelen. En zie u eens wat het hier al kost om de zaken 3cht te houden. Nu is alleen nog maar enoemd wat geleend is.
Zie nu eens wat vernield is, en opgeouwd moet worden. Het is niet te beekenen; maar dat zal wel meer vragen an 10 müliard.
En dan zijn we er nog niet. In de orlogvoerende landen zijn milKoenen weduwen en weezen, die moeten an orden onderhouden. Straks zal de last aarvan niet meer drukken op leeningen, och op de j aarlij ksche staatsuitgaven.
Dat zijn nog maar de staats& n& nciën. och wie zal ook maar bij benadering urven schatten de schade, die is aanebracht op maatschappelijk gebied? Let ens op die millioenen van bedrgven, die ot stüstand zijn gedoemd. Er is nu maar én mdustrie; dat is die van het maken an kanonnen en granaten. En nu zegt en wel: „Het geld blijftxtoch in het and"; doch men rekene er mee, dat voor at geld nu zaken worden voortgebracht, ie op den bodem van de zee terecht omen, of wel in stukken springen. Met erschiUende voorbeelden toont Spr. dan an, welk enorm kapitaalverlies daarvan et gevolg is.
Er is nog een factor van invloed op en toestand na den oorlog: het is dat e voorraad van bewerkte artikelen volaakt is uitgeput.
Zoo ook bij het graan. Het vorig jaar everde alom een slechten oogst op: er s te weinig voedsel; voor elke 4 hectoiter graan die — over de geheele wereld enomen - 7 per hoofd noodig is tot 1 eptember a.s. is slechts 3 hectohter aanezig. Het gevolg zal zijn, dat de groote raag naar al die artikelen den prijs norm zal doen stijgen; waarbg nog komt at het gemis aan geschoolde werkkraehen ook in dit opzicht zijn invloed zal ''oen gelden. Doordat de wereldvloot ge eeltelgk is vernield, zal de verdeeling eel te wenschen overlaten.
Als eerste conclusie meent Spr. te moen vaststellen, dat we een tijd van ongeende duurte tegen gaan; ook na het sluiten an den vrede.
Dat de oorlog een democratiseerenden! vloed zal hebben, schijnt een gewaagde' telling, zegt Spr. Ze is het echter niet.'
Na de Pransche revolutie waren dej cheidsmuren tusschen verschillende stan-1 en der bevolking lager geworden, wat: ijn oorzaak vond hierin dat de bevolking, T het leger met elkander in aanraking as gekomen. Hetzelfde zien we ook nu. e 35 mUlioen menschen die nu onder e wapenen staan, leven allen met enj nder elkander.
Zij hebben drie jaren lang op gelijke; ijze en onder gehjke levensomstandig-' eden geleefd. Het gevolg zal zijn dat ok nu weer een stuk van den scheids-' uur zal afbrokkelen. In dien zin bedoelt pr. dat de oorlog zal hebben een demoratische uitwerking; zooals de oorlog an 1870 dat ook had, in Frankrijk niet' Heen, maar ook in Duitschland.
Ook voor hen die thuis zgn gebleven, 1 gn de omstandigheden zoozeer veranerd; wie vroeger in Duitschland 8 mark erdagverdiende, verdient nu 35 mark; . n al mag aangenomen worden, dat daaran wel iets zal afgaan wanneer weer de ormale toestanden zgn ingetreden, tot e loonen van voor den oorlog zal het! el met meer komen. Ook dat zal zijn; vloed doen gelden op het maatschappe-; k leven.
Met 13 dan ook niet te sterk gezegd, ' t m Juli 1914 in Europa een econoschepenodeworsroed is afgesloten. Die eert nimmer terug. Wat loe als abnormaa hben beschouwd zal nu blijken normaa iijn geworden.
Een van de grootste nabijliggende oeielgkheden zal zijn de overgang van e abnormale tot de normale toestanden. ertig millioen menschen zgn uitgetogen en strgde; honderd millioen zgn thuisebleven om voor hen te werken. De rbeid van al deze millioenen behoort eer te_ worden genormaliseerd; terwgl Ie fabrieken zijn herschapen in munitieabrieken. Het zal blijken, dat dezenoraliseering alleen kan geschieden onder eiding van den Staat. Trouwens, nu reeds staan deze fabrieken en bedrijven ' onder staatsbeheer en dit kan niet plotse-I ling worden losgelaten, wgl dan zeker ' 1 een ontwrichting van de verhoudingenI zou te duchten zijn.
Spr. komt nu aan het tweede punt van j 1zijne beschouwingen.
Hij^verwacht na dezen oorlog een. buiten! gewoon sterken stroom in de richting van staats-socialisme.
Men is er aan gewoon geworden, dat • de Staat heeft ingenomen de plaats van het individu Dit geldt voor de oorlogvoerende landen nog meer dan voor ons land.
I Hiermede staat het vraagstuk van den vrouwenarbeid in het nauwste verband, I We waren op weg dien arbeid uit het Ij industrieele leven terug te dringen; in één. "Slag is dat ideaal vernietigd en de vrouwenarbeid.
De export-industrie zal goedkoop moeten zijn wil zg voortaan slagen en concurreeren kunnen. Japan heeft zich meester gemaakt van een heel groot afzetgebied van Engeland en Duitschland. En daar werkt men nog voor enkele centen per dag; daartegen moet Europa gaan concurreeren Spr. vreest dat men dit zal trachten te vinden door exploitatie en bevordering van den vrouwenarbeid.
Er is nog een verschijnsel. In Duitschland spreekt men reeds van een graanmonopolie la'ii den Staat, ook na den oorlog. Alle mogelijke bedrijven tracht men te brengen onder leiding van den Staat; i de textiel-industrie is daar als een geval j van recenten datum.
En wanneer eenmaal het staats-socialisme wortel heeft geschoten en de gemeenschap het individu heeft verdrongen, zal het zeer veel moeite kosten weer terug te keeren tot de vroegere paden.
Als derde motief voert spr. aan dat hij voorziet een scherpe tegenstelling op sociaal gebied. Kaj)itaal en arbeid zullen groote tegenstellingen openbaren, en hg verwacht, dat het staats-socialisme zoover zal weten te gaan, dat de vaststeüing van een loonstandaard komt in handen van den Staat. Dit is, zegt de heer Colgn, een van de reusachtige vraagstukken van onzen tijd; de vorige eeuw had zijn staatsrechtelijk probleem; in de laatste vijf en twintig jaren heeft zich het sociale probleem aan de orde gesteld. Duitschland heeft dat ingezien en de ieiding genomen. Het is niet de vraag of we er onze aandacht aan schenken; het zal wel moeten.
Spr. aarzelt niet het te noemen een tgd van sociale omwenteling. En dat in een arm, verbloed, ontwricht Europa. Het zieltogend lichaam zal wel niet anders kunnen doen dan de armen opheffen om hulp, die het verwacht van den Staat.
Het Staats socialisme heeft ons omringd van alle zijden en laat ons niet meer los; al is dat dan ook in Nederland niet zoo erg als in Duitschland. Hier is tenminste tot dusver aUes intact gebleven en niets vernietigd, al betalen we dan ook hoogere belastingen,
Maar de algemeene duurte, daaraan : ontkomt ook Nederland niet.
De economische strijd zal zgn iuternationaal; en Spr. maant zijne hoorders aan zich geen illusie te maken dat Nederland daaraan ontkomen zal.
Spr. meent dat alleen in vereeniging met alle poUtieke partijen het mogelijk zal zijn te trachten de moeihjke kwestie op te lossen. De tijd om elkander een politieke-vUeg af te vangen is voorbg. i Toch acht Spr. het noodig zich opnieuw \ te oriënteeren.
In welke richting? Hij laat het ant-| woord geven door Prof. Scholten uit Amsterdam in de Februari-aflevering van , Onze Eeuw", waar deze geleerde spreker betoogt: „Vit hei Calvinisme en niet uit Rousseau stamt onze democratie". Hetzelfde dus wat Dr. Kuyper schreef reeds in 1870. Maar Spr. laat het liever Prof. Schoiten zeggen en gaarne neemt hij diens uitspraak over.
Hij betoogt dat het Nederlandsch Calvinisme hier een schoone taak te v'ervuUen heeft; de moeder zal haar kind immers niet verloochenen,
Daarna doet hij de politiek van den laatsten tgd kortelings de revue passeeren; het wachtwoord was vrede en verzoening.
Inzake de onderwgskwestie toont Spr. zich dankbaar maar nog niet voldaan; gelijkstelling van het middelbaar e» Shooger onderwgs büjft ons ideaal.
Daarna wordt het nieuwe stelsel van evenredige vertegenwoordiging besproken, het kiesrechtvraagstuk, het duurtevraagstuk, het belastingvraagstuk, salarissen l der ambtenaren, arbeids organisatie kor-telings besproken, en beschouwd vanuit anti-revolutionair standpunt, er op wgzende dat de anti-revolutionairen hier wel degelgk een taak te vervullen hebben.
Spr. had slechts kort een en ander kunnen aanstippen en elk der onderwerpen levert voldoende stof voor een afzonderlgke rede. Spr. heeft willen doen nen dat we staan voor een uiterst moei-Igken tgd; een oude wereld staat op het punt voorbg te gaan en een nieuwe wereld is kotnende. Alles ligt op Gods weg; kunt ge dit gelooven dan hebt ge houvast: anders zoudt ge bezwijken.
We behoeven slechts terug te gaan tot-den geopenbaarden wü van God om te vinden de fundamenten voor het te stichten gebouw.
In zgn wezen voor alle tgden; in zijn vorm van dezen tgd. Dat geldt ook voo de problemen die ons wachten.
In God onze sterkte. Dat was de leus van Groen van Prinsterer; zoo was he onder Kuyper. Dat het zoo blijve.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's