Luther en de Hervorming.
Luther op den Wartburg.
XII.
Nog 21 dagen zou voor den ketter Luther, over wien de rijksban was uitgesproken, het hem verleende vrijgeleide gehandhaafd worden. Daarna mocht ieder met hem doen wat men wilde.
Den 26en April begon Luther, door Katpar Sturm begeleid, de terugreis. Reeds den Friedberg'zag hij van verder geleide af. Van Eisenach uit maakte hij een uitstapje naar Möhra, de woonplaats van zijn vader. Verder door het Thüringer wald gaande, werd hij op den weg naar Gotha, in de nabijheid van Altenstein door gewapende ruiters overvallen, op een paard gezet en. als gevangene naar het eenzaam gelegen kasteel Wartburg gebracht, waar hij "zijn monnikspij verwisselde met een ridderkleed. Daar, achter die beschuttende muren, is Luther op bevel van zijn keurvorst Frederik onttrokken aan de nasporingen van zijn vijanden, aan wie'hij anders onherroepelijk zou prijsgegeven zgn door den rijksban, die reeds in de maand Mei bij Keizerlijk edict over hem was uitgesproken.
Het gerucht verspreidde zich als een loopend vuurtje, dat Luther door zijn vijanden uit den weg geruimd was. Toen er evenwel een paar geschriften verschenen tegen de oorbiecht, de kloostergelofte, de lijkmissen en den aflaathandel, die door den aartsbisschop van. Mainz weer was' toegelaten, bemerkte men wel, dat Lu ther nog niet dood en zijn '^pen nog on versneden was.
10 maanden — tot 1 Maart 1522 — heeft Lutberin zijn Pattnos op den Wartburg in stille afzondering vertoefd, gekleed dis een ridderlijk jonker met het zwaard aan de zijde doorgaande voor JowAier Georg. Niet ledig in arbeid evenwel, want op den Wartburg is de grond gelegd voor de vertaling des Bijbels in de Duitsche volkstaal, welke later te Wittenberg, met behuip van Melanchtou en anderen is voltooid geworden. In 1534 kon de Heilige Schrift, in het Duitsch vertaald, worden gedrukt en uitgegeven.
Zijn verblijf op den Wartburg heeft Luther voor enkele dagen moeten onder breken om heimelijk naar Wittenberg te gaan, vanwaar alle berichten tot hem kwajnen, welke hem met de grootste onrust vervulden. Karlstadt trad daar al te onstuimig op bij het afschaffen van allerlei oude gebruiken. Helaas! heeft Luther het dreigend gevaar niet kunnen beteugelen. Er was eer toename van de door Karlstadt gestichte verwarring, toen tegen het einde van 1521 onruststokers uit Zwickau in Wittenberg verschenen, die voorgaven onmiddellijk door God geroepen profeten te zijn en een algemeene en gewelddadige omwenteling in het bestaande Kerkwezen beoogden. Uit Zwickau verdreven, beproefden zij in Wittenberg hun woest en hartstochtelijk drijven voort te zetten. Twee van hen waren lakenwevers, de derde een voormalige student Markus Stübner. Met hen verbonden had ook Thomas Münzer in Zwickau zijn rol gespeeld.
De onrustige Karlstadt maakte helaas! met deze dweepzuchtige nieuwelingen gemeene zaak en met geweld werd nu een nieuwe orde van zaken ingevoerd. Op een samenkomst van Augustijner monniken werd besloten - om de kloosters op te heffen. Eenige priesters traden in het huwelijk.' De misgewaden werden afgelegd; de oorbiecht niet meer geëischt. Op het Kerstfeest werd door Karlstadt het avondmaal in de Duitsche taal bediend onder beide gedaanten, met brood en wijn. Ruw werden alle vastengeboden geschonden. Zonder eenige voorbereiding nam men deel aan het avondmaal. Met medewerking der academische jeugd werden de heiligenbeelden en zelfs de crucifixen van de altaren afgebroken, vernield en verbrand. Zelfs het bestaander hoogeschool werd door die woelgeesten bedreigd. Karlstadt legde zijn doctorstitel af, verklaarde dat de wetenschappen nutteloos waren na de nieuwe en onmiddellijke openbaringen van den Geest aan de geloovigen geschonken, en raadde zijne toehoorders naar huis te gaan en den akker te" bebouwen, want er staat gechreven dat de mensch in het zweet zijns aanschijns zijn brood zal eten. De rector van de jongensschool te Wittenberg wierp de schoolboeken uit het venster en riep den burgers toe hun kinderen uit de school te halen; voortaan zou God hen leeren.
• De vijanden der hervorming juichten, daar op deze wijze de zaak van Luther in discrediet zou raken. Melanchtón was ten einde raad en de Keurvorst toonde zich zéér ontstemd over hetgeen er gebeurde.
Toen Luther dit alles vernam, was het hem niet mogelijk langer op den Wartburg te' blijven. In het begin van Maart 1522 verliet hij zijn schuilplaats. Hij nam zijn weg over Jena, rijdende te paard, n riddergewaad gekleed. Den 3den aart nam hij aldaar zijn intrek in de erberg „De zwarte beer". Hier had hij en ontmoeting met twee Zwitsersche tudenten uit St. Gallen, die op weg naar Wittenberg waren. Een hunner, Johann eszler, heeft over die ontmoeting met uther het volgende verslag gegeven. „Toen wij in „Den zwarten beer" binengekomen waren, " zoo verhaalt hij, .vonden wij een man alleen aan een tafel itten. Wij meenden niet anders of het as een ruiter, die naar 's lands gewoonte ekleed was in een rooden mantel, broek n wambuis met een zwaard^aan de zijde." n den loop van het gesprek, waarin de reemde ruiter naar de herkomst en het eisdoel der studenten informeerde, vraage een hunner: mijnheer, weet ge niet of Maarten Luther te Wittenberg is of ergens anders, waarop de door de Zwitsers nog altijd niet herkende ruiter antwoordde: „ik weet zeker dat Luther niet te Wittenberg is; hij zal er echter weldra komen". Luther onderhield zich nog langen tijd met hen en betaalde ten slotte hun vertering. Toen hij opstond om zich ter ruste te begeven, gaf hij hun de hand tot afscheid met de woorden: „Als ge naar Wittenberg komt, groet dan doctor Hieronymus Schurf van mij". Op de vraag van wien zij den doctor moesten groeten, antwoordde hij: „zegt niets anders dan dat wie komen zal hem laat groeten, dan weet hij genoeg".
Toen de Zwitsers daarna doctor Schurf bezochten om hem den groet over te te brengen, vonden zij daar Luther zittend te midden van zijn vrienden en herkenden in hem den vreemden ruiter uit den „Zwarten beer" in Jena.
Nog vóór zijn aankomst te Wittenberg schreef Luther van Borha uit aan zijn Keurvorst, in antwoord op een schrijven waarin deze hem ernstig vermaande den Wartburg niet te verlaten. Luthers antwoord is een der'kostelijkste getuigenissen van den ndoed des geloofs en het vertrouwen in God, die hem ook in de moeilijkste omstandigheden bezielden; tegelijk echter-spreekt er bezorgdheid uit óver wat in Wittenberg voorviel.
In dezen aan den Keurvorst gerichten helden brief staat onder meer: „ik kom naar Wittenberg onder '^bescherming van een veel Hoogere dan den Keurvorst".
Te Wittenberg aangekomen, besteeg Luther reeds den volgenden Zondag den kansel en trad de onruststokers tegemoet met eenvoudige, ernstige en toch vriendschappelijke getuigenis. Acht dagen achtereen predikte hij, en hij slaagde er in den storm te doen bedaren. De nieuwigheden, waaraan vele aar.hangers der Oude gebruiken aanstoot genomen hadden, werden afgeschaft. Luther verklaarde : „Wat niet tegen de Schrift is, is geoorloofd" en liet daardoor ruimte voor een historische ontwikkeling der K^rk.
De Zwickaner profeten ruimden het veld en verlieten Wittenberg. Dat zij hem later een brief zonden vol scheldwoorden en verwenschingen, heeft Luther weinig zorg gebaard.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's