De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Wat klaagt dan een levend mensch ? Een ieder klage vanwege zijne zonden. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeeren tot den Heere. Klaagl. 3 : 39, 40.

Laat ons wederkeeren.*)

Wij leven in een benauwenden tijd. Daar gaat geen dag voorbij of ons bereiken de tijdingen van al scherper ppanning, al banger gruwelen, al schrikselijker vernieling, waarbij de beklemmende vraag rijst: hoe lange nog? zal lan de jammerbeker tot de heffe moeten gedronken worden?

En allermeest wel benauwt dit degenen, iie door een oprechte behoefte naar dezen bidstond werden gedrongen, dat wij weten: lod laat niet met zich spotten; Hij geeft Zijne eer aan geen ander; eenmaal zal Hij rekenschap afvorderen, en wij zijn ingesluimerd onder de roepende oordeelen Gods; neen, erger nog, de menschheid gaat halsstarrig voort op haar zelfgekozen wegen, als ware er niets te doen.

Diepe beschaming moet ons aangrijpen wij terugdenken aan de samenkomsten, waarin wij kort na het uitbreken fan dezen krijg onzen nood voor Gods aangezicht hebben uitgebreid. Herinnert je 't u nog, dat we toen maar nauwlijks ie handen omhoog durfden heffen, om fau den Heere te smeeken, dat Hij ons zou vrijwaren tegen 't bittere leed van ien oorlog, zoo onwaardig wisten wij ons zulk een weldaad; en nu, God heeft gedaan boven bidden en denken; hoevelen zagen hun welvaart niet stijgen tot een ongekende hoogte, en wqzelf hebben de «egenmgen in een vloek verkeerd. Hier geldt het oude woord; dat zich steeds vernieuwt: toen Jeschurun vet werd, sloeg hij achteruit. Jeremia's klaagliederen hierboven aangeduid, ons tot oprechte, vernedering en verteedering. , .oog een springader van tranen, zoo zou ik dag en nacht weenen! want dit onderzoek recht ingesteld levert een huiveringwekkenden oogst op.

Zal ook hier op het: „tot den hemel verhoogd" volgen een „tot de hel toe nedergestooten" ?

Weer werd het bewijs geleverd, dat het den mensch moeilijk valt, ja al zijne krachten te boven gaat, in voorspoed dankbaar te zijn.

Wat? dankbaar? maar dat wil dan toch zeggen, dat ge Gods daden in gedachtenis houdt, aan Hem, die u weldeed, blijft denken; en wat zien wig ? dat het God-vergeten de massa heeft aangegrepen en de lauwheid Christus' Kerk heeft aangetast, terwijl weeldezucht en hoovaardij alom hoogtij vierden: o land, land, land, hoor des Heeren Woord!

Wanneer gij bij een hoop buskruit kinderen met vuur ziet spelen, dan ijst ge, nietwaar; en wat ge, nu ziet, is angstwekkender nog; te midden van Gods weldaden en oordeelen speelt de mensch, speelt ook ons volk met het vuur van Gods heiligheid, die den schuldige niet onschuldig houdt.

Dit overdenkende, zoudt gij voor deze ure grijpen naar het ontzaglijke woord uit den 119den Psalm, dat woord, dat alle hope afsnijdt: het is tijd voor den Heere, dat Hij werke, want zij hebben Uwe wet verbroken; maar nog spreekt de Heere tot ons dat wöörd zoo rijk ip erbarmen: Ik ben goedertieren. Ik zal den toorn niet in eeuwigheid behouden, alhen ken uwe ongerechtigheid.

Wij zijn saamgekomen, om te bidden, doch dat gaat zöó niet. Dat zij geen uiting van in het nauw gedreven zelfzucht; hiertoe is allereerst oprechte, diepe verootmoediging van noode.

't Gebed eischt altijd, maar nu met bij zonderen nadruk, een vooropgaand schuldbelijden.

Zal 't met onzen bidstond wèl zijn, zal 't meer zijn dan 'n Kaïnsoffer, dat God niet aanziet, dan zal het gebed nu uit ihet diepste van de vallei van den ootmoed

Strekke het aangrijpende woord uit klaagliederen hierboven aangehaald tot oprechte, vernering en verteedering

Wat klaagt dan een levend rhensch! De menschelqke natuur is verfoeilijkzelfzuchtig. Benauwing grijpt den mensch aan, wanneer hij vreest dat het zijne zal te gronde gaan, maar hij is o zoo spoedig gewend aan den aanblik van den schreienden nood zijns naasten.

Daar wordt veel gebeden, dat niet anders is dan het werk van zondige zelfzucht, die zich bedreigd weet. Ge behoeft niet eens te vragen, of dit dan eigenlijk riog wel bidden is; God moge er ons voor behoeden!

Daar rijst ook zoo menige klacht, die vrucht is van gewonde zelfzucht, van gekwetste eigenliefde. Daartegen verheft nu de profeet zijn stem; daartegen keert dit woord Gods zich ook bij ons.

Hoe menigvuldig wordt ook onder ons de klacht in eiken toonaard beluisterd; dat die klacht over velerlei misplaatst is, zeggen we niet, inzoover ge er mee bedoelt te zeggen, dat er nood is; dat die nood toeneemt en nijpender wordt, en dat — zoover ons oog ook reikt — geen teeken te vinden is, dat dit spoedig anders zal zijn, wel integendeel dat dit klem ons enger zal omvatten. Niemand wane, dat hem de sleutel der toekomst is toevertrouwd, er zijn te veel profeten, maar ge behoeft slechts even na te denken en 't springt u in 't oog, dat het verschiet zich somber af toekent in een tijd, waarin het satanisch geweld steeds breeder óm zich-grijpt.

En 't is waarlijk niet te veel gezegd, dat de tijden ernstig zijn en de toekomst bang.

Nu rqst de klacht: nood, schaarschte, gebrek kloppen steeds dringender aan de deur.

Wij allen hebben onze stem in dat klachtenkoor gemengd. Maar de profeet vraagt: hebt gij nu waarlgk geen andere reden nog om te klagen?

Ach, wij brengen het niet verder dan tot zelfbeklag; maar de profeet dringt zijn volk, en 's Heeren Woord dringt ook ons tot zelf aanklacht: een ieder klage vanwege zijne zonden I

Daar is in al' dat klagen om het zorgelijke dezer tijden toch 'n toon van opstand te beluisteren; daar is iets in van 't murmureeren der kinderen Israels in de woestijn; 't is één doorslaand bewgs, dat wij geestelijk blind zijn; ware dit anders, wij zouden niet 't allereerst grijpen naar den klaagtoon: dit is er te weinig en dat is te schaarsch; maar uit het beklemd gemoed steeg de belijdenis omhoog:

Wij hebben God op 't hoogst misdaan, Wij zyn van 't heilspoor afgegaan, Ja wij en onze vaadren tevens.

Heeft dan een ieder schuld I

Ach, kan op zulk vragen 't antwoord anders luiden dan: er is niemand, die verstandig is; er is niemand, die God zoekt.

Indien ge op dezen regel: een ieder klage vanwege zijne zonden, uitzonderingen zoudt stellen, dan kwamen daar toch 't eerst voor in aanmerking diegenen, die God macht heeft gegeven om Zijne kinderen genaamd te worden.

Vraag 't hun, én gewis, als ze bij hun hart zijn, dan zullen ze u antwoorden: och, dat mijn hoofd water ware, en mign springader van tranen, zoo zou dag nacht weenen!

Waren er geen zonden, daar waren ook geen wonden!

Al de ellende, die 't menschdom geeselt, komt slechts uit één wortel op: de zonde.

Hieraan wordt te weinig gedacht, en zóo-komt hét, dat duizenden de gebalde vuisten ten hemel opheffen, om God te betichten, en wie 't zoo rauwelings niet doet, wentelt toeh ook van nature de schuld van zichzelf af.

Gelooft gij dit niet, M. H., wanneer op die zonde meer de aandacht viel, wij zouden minder tijd hebben om te klagen over alles en nog wat, en het geringste werd ons nog een onverdiende gave, waarvan 't moest beleden worden: wij hebben alles verbeurd, 't Werd ons 'n wonder, dat de Heere nog bemoeienis met ons maakt.

Dat sta bij ons allen op den voorgrond nu wig ons opmaakten tot gemeenschappelgk gebed.

De zonde in ons persoonlijk leven, in onze gezinnen, in ons kerkelijk leven en in ons volksleven eischt, dat wij ons voor den Heere verootmoedigen.

Nu was 't langen tijd een tarten en tergen van den hoogen God, 'twas als eeh inroepen van Zijne'oórdeèTen dóór een volharden in wegen, die niet goed zijn.

En wie gaat hier vrij uit? Wie droeg den nood dezer ontzaglijke tyden op 't hart; wien dreef 't in de engte? wien bezwaarde het voor God in de binnenkamer? Daar is een verstomping, een verharding, een onaandoenlijkheid over ons gekomen, die het ergste doen vreezen.

Daaraan staan allen schuldig, van de hoogste tot de laagste; in raadzaal en leger, in school en kerk, bij arbeid en handel', werden Gods inzettingen gesmaald en vertreden. O daar is oorzaak, om nu, nu zich de klachten vermenigvuldigen, nu de massa te hoop loopt onder het slaken van den kreet der revolutie, om nu het woord van den profeet met klem te herhalen: wat klaagt dan een levend mensch, een ieder klage vanwege zijne zonde!

Maar opdat om de zonde de klacht in oprechtheid zal rijzen, moet zg ons eerst ontdekt en getoond zijn, moeten wij haar gezien en ervoor gebeefd hebben!

Daarom laat dan nu de profeet een nóodiging uitgaan, die voor 'toogenblik geen vreugde belooft, die bij velen zelfs op ernstig verzet stuit, en die toch noodig is, zal 't komen tot de rechte verootmoediging : *

Laat ons onze wegen onderzoeken, en door zoeken.

Onderzoeken en doorzoeken; ge verstaat, dat de profeet hierin bij ons aandringt op een nauwgezet, nadrukkelijk, met aandacht en grooten ernst doorzoeken, op 'n biddend onderzoeken van onze wegen.

Onze wegen, dat zijn niet slechts onze uitwendige wegen en wandel, maar ook de uitgangen, de wegen des harten, de verborgen paden der begeerten en gedachten.

En dit onderzoek geschiede bij 't licht van Gods Woord en Geest, met den maatstaf Zijner heilige wet, om alles wat wij vinden te leggen in de weegschaal Zijner smettelooze gerechtigheid.

't Is te verstaan, dat de mensch niet ' begeerig is op deze nóodiging in te gaan.

De hand, die diep genoeg in den boezem wordt gestoken, kan niet anders dan melaatsch te voorschijn komen.

Waartoe dreef ons het dagelqksch gerucht dezer van jammer zwangere tijden?

Wat hebben wij geleerd in deze ontroerende werkelijkheden van smart en verbreking ?

Wat werd er van de ernstige voornemens, van de heilige geloften, die dagteekenen uit 't begin ^ van den tijd dezer smarten? /"

Ach, M. H., 't is bij dit alles niet te zeggen, hoe groot de lankmoedigheid Gods over ons was.

Laat ons onze wegen doorzoeken, laat ons ze toetsen aan den maatstaf van het Woord, laat ons ze vergelijken met den eisch der Getuigenissen, en de uitslag zal zijn, dat wij erkennen moeten: onze wegen voeren van God af.

Wat zullen wq nu doen? Tot God om bewaring in den nood bidden met de lippen, terwijl onze voeten, hart en gedachten van Hem afvoeren? Maar dat gaat toch immers niet. Gq gevoelt het immers ook wel, M. H. Daarom laat de profeet nu nog volgen: en laat ons wederkeeren tot den Heere!

Laat ons niet' volharden in onze zelfgekozen wegen, maar wederkeeren tot Hem, Dien wij in onze dwaasheid verlaten hebben.

Als de uitslag van het onderzoek onzer wegen zoo verpletterend is voor den mensch, dan behoeft nauwelijks gevraagd, hoe die wederkeer zal moeten geschieden. Immers, als de verloren zoon, als de schuldbewuste tollenaar, gehuld in 't kleed van den ootmoed, in diep en echt zondeberouw, met de belijdenis in 't hart en op de lippen: Wig hebben gezondigd, wij en onze vaderen, wij zijn niet waardig, dat Gij, o Heere, de trouw Uwer weldadigheden ons betoont.

In dit wederkeeren ligt de erkenning:

Gelijk een schaap heb ik gedwaald in ['t rond, dat onbedacht zijn herder heeft verloren.

Het is een opheffen der handen ten hooge met de ootmoedige belijdenis eener verslagen ziel: Heere, big U is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten.

Dit wederkeeren, o gewis, wij zijn er n onszeK onbekwaam en onwillig toe, aar wie onder de voorlichting des eestes het onderzoek van eigen wegen iddend en recht heeft ingesteld, en tot de erpletterende slotsom kwam: wij hebben egen al Uwe geboden gezondigd, —die - ordt ook onwederstaanbaar getrokken ot Hem, die geen half werk doet, weder e keeren, in de schuld te vallen en uit e roepen: Zoo Gg, Heere, de ongerechtigeden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Zoo zij ook ons klagen, ons bidden in eze ure een wederkeeren tot den Heere, n dan zullen wij ervaren, dat de Heere armhartig en genadig is, lankmoedig en root van goedertierenheid.

Nauwelijks heeft de verloren zoon uitgesproken, of reeds omvangen trouwe vaderarmen de in lompen gehulde gedaante, reeds rust onder den , ruischenden lofzang der engelen aan 's vaders hart het kind, verloren eens, nu weergekeerd. Wq hebben te doen met een God, die heilig en rechtvaardig is. Die Zijne eer aan geen ander geeft, maar bij Wien ook menigvuldige vergeving is, en Die Zijne hand tot den kleinen wil wenden en Zijn oor in gunste tot 't geroep uit de diepte,

O laat ons bidden dan zijn een geloovig aangriipen van den Heere - bij den zoom van het kleed Zijner teêdere ontfermingen, opdat onze ziel rust vinde in Hem.

*) Toespraak, gehouden in den bidstond van 2i Febr. j.l. Verkort weergegeven.


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's