Uit het kerkelijk leven.
Onze Jaarvergadering.
Zonder bizondere gebeurtenissen blqft onze Jaarvergadering nu bepaald op Donderdag 15 Maart a.s. in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Mariaplaats, Utrecht.
.Men weet de oorzaak waarom we 22 Februari niet konden saamkomen. De Jaarbeurs stond ons in den weg. Maar nu is dé baan weer vrij en konden we in het Gebouw ieen plaatsje veroveren om vrij en rustig te vergaderen.
We hopen zeer, dat velen Donderdag 15 Maart genegenheid mogen hebben en gelegenheid zullen vinden, om ter vergadering in. de vermaarde Bisschopstad te gaan. Laten we maaic denken aan die bekende woorden: „hoe vroolijkgaan de stammen op!" Dan gaat het goed.
We hebben in deze tijden van oorlog, vijandschap, afgunst en naijver behoefte aan vroolijk met elkaar opgaan en bigde met elkaar vergaderen!
Wat staat héél de wereld in brand! Wat ligt alles wreed uit elkaar geslagen!
Wat worden er schrikkelijke dingen gezien!
En dan staat er in de Schrift: hoe goed is 't, dat zonen van 't zelfde huis als broeders samen wonen. Waarbij de dichter zingt: „Waar liefde woont gebiedt de HEER den zegen, daar woont Hij zelf, daar wordt Zijn heil verkregen, en 't leven tot in eeuwigheid." —
't Kan een belangrijke worden. vergadering
Hoe ouder onze Bond wordt, hoe grooter zijü huisgezin wordt.
We hebben dan ook over allerlei te praten.
Onze organisatie zal eens flink moeten worden besproken. Want organisatie ia niet alles, maar 't belang van een goede oiganisatie kan niet ontkend worden.
Ons Bondsblad vraagt onze aandacht. De bizondere tijdsomstandigheden maken bizondere maatregelen noodig, en dat zullen we allen saam moeten voelen, OBa hier ook saam de schouders te zetten onder den last—die gelukkig nog al niet 'Izoo héél zwaar is. 't Kon wezenlijk wel erger gesteld zijn!
Ons leerstoelfonds — maar vooral ons studiefonds zal een punt van onze besprekingen uitmaken. Er is predikantennood. De nood is groot. Er wordt bizonder gevraagd naar gereformeerde candidaten, naar gereformeerde predikanten. En helaas! er zijn er zoo weinigen.
Hier moet onze volle aandacht aan geschonken worden. Want wel kunnen we geen gereformeerde predikanten uit den grond stampen.' Ook is het geen fabriekswerk. Maar er dient toch met ernst gehandeld te worden over de wegen en de middelen, die ons ten dienste staan om de liefde voor het predikambt op te wekken, en waar begeerte is om dienaar des Woords te worden, de helpende hand te bieden, als vooral de financieele bezwaren groot en veel zijn.
Natuurlijk, dat vooral bij dit soort fondsen, waaruit studiebeurzen gegeven worden, tal van moeilijkheden zich kunnen voordoen. Ook is alles maar niet in één keer goed geregeld. Die een weinig menschenkennis — en zelfkennis — heeft, voelt dat wel. En we moeten ons door mogelijke bezwaren of mogelijke moeilijkheden of mogelijke bedenkingen maar niet dadelijk van de wijs laten brengen. Integendeel. Door moeilijkheden heen ligt . de weg naar de volmaking! „Aanpakken" • is de boodschap. En „eendracht maakt macht".
We hebben goede hope, dat ons Bondsleven hoe langs hoe meer in vaste sporen komt.
We hebben een '„eigen" leven. En dat „eigen" moet blijven.
Maar dat wil volstrekt niet zeggen, dat we anderen moeten haten en vlieden.
Als men met ons één is in de belijdenis der waarheid, mag dat niet.
Terwijl we met degenen die een anderen Christus verkondigen geen gemeenschap mogen hebben.
Ook dit is maar niet met een enkel woord en met een enkelen zucht goed te maken De practijk, van het leven bewijst het wel. Maar we moeten de hoofdlijnen maar in 't Qog houden, waarbij de Kerkgeschiedenis ons leert, dat vopr vervloeiïng gewacht moet worden en dat men zich wachten moet voor onnoodige versnippering van krachten ^ en verdeeling in richtingen'of partijen.
O! wat is dat moeilijk! We denken aan de avondmaalsleer van Luther, van Zwingli en van Oalvijn.'
Had men elkaar toch beter begrepen! Maar ook hierin is het de Heere die regeert.
Wat ons niet ontslaat, om eenheid te zoeken waar geestelijke gemeenschap is en tot den strijd op te roepen dèar waar de waarheid Gods wordt aangevallen en Christus wordt gelasterd.
Welnu, onze Jaarvergadering vinde ons dan in Utrecht.
Ons samenzijn sta in het teeken van Ps. 133.
Onze wijsheid zij van Boven. Onze strijd worde vernieuwd en geheiligd.
Onze idealen worden ons helderder voor oogen gesteld en worden ons nader gebracht.
't Gaat tenslotte om de eere Gods. Om de eere van Zijn Christus en Zgn Woord. Om het heil onzer Gereformeerde Kerk, welke de Heere in dézen lande plantte en sinds dien bewaarde.
De Heere verootmoedige ons. Hij vervulle ons met moed.
Dan zullen wij. Zijne knechten, ons, opmaken en bouwen.
Welk verlangen ons allen, mannen en vrouwen, aanspore om naar Utrecht te gaan, waarbij' de moeilijke tijdsomstandigheden ons niet boven mate mogen bezwaren om ons verkeerdelijk af te houden van een zaak, die waarlijk verdient in onze belangstellende liefde te deelen.
Liever missen we wat ènders dan onze samenkomst in Bondsvergadering!
Utrecht gaat vóór.
Op tijd.
't Spoorboekje ziet er ènders uit dan onder gewone omstandigden. Dat kan ons bij onze reis naar onze Bondsvergadering voor groote moeilijkheden zetten. En, natuurlijk! valt ook hier „geen ijzer met handen te breken". Men zal niet precies kunnen komen en gaan, zooals men zoo graag zou willen. Maar mogen we met het oog hierop vriendelijk vragen, niet al te laat te komen, en niet èl te vroeg te vertrekken?
Nog eens, we weten zéér wel, dat er nu moeilijkheden zich voordoen bij het reizen.
Maar laat ons Donderdag 15 Maart maar eens niet tegen extra vroeg van huis-gaan opzien, en laat ons thuis maar de boodschap achterlaten, dat we niet zoo heel vroeg terugkomen.
Goasumptie
Graag zouden we in de Pauze weer saam koffiedrinken in de koffiekamer van het Gebouw, waar we vergaderen. Dat is wèl zoo aardig, dan dat de éen hier en de ander d& ar heen gaat. Er is bij gemeenschappelijk koffiedrinken nog eens gelegenheid om elkander té groeten en met elkaar te praten.
Heel gezellig vinden we het evenwel doorgaans niet in de koffiekamer. Dat kon wel anders. Wanneer er eens lange tafels in orde gemaakt werden, die eenvoudig gedekt zijn, ons dunkt, dat zou het gemeenschappelijk aanzitten gezelliger maken. Als we dan vóór de morgenvergadering eens opgaven wat we willen gebruiken, zou dat rustig kunnen worden voorgezet in de-pauze. Ons dunkt dan kon gemeenschappelijk worden begonnen en geëindigd, wat veel beter is dan het ongeregeld in en uit loopen, zooals we dat wel eens gezien hebben.
Mogen we de Utrechtsche Afdeeling deze zaak hier eens onder de oogen brengen en haar vriendelijk verzoeken, eens te willen probeeren hoe ver zij het met den pachter van het gebouw en met de bezoekers van ónze vergadering in deze kunnen brengen?
Wij zullen dan intusschen voor een broodkaart zorgen!
De lijdensweken.
De Gemeente des Heeren mag in deze weken weer bizocder bepaald worden bij het lijden en sterven van den Heere Jezus Christus, Die Zijne ziel heeft uitgestort in den dood, na tallooze smaadheden geleden te hebben en zieleangsten te hebben doorworsteld.
-'t Mag zeer zeker als een voorrecht worden beschouwd, dat ook van zoovele kènselsin onze Herv. Kerk het heerlijk Evangelie des kruises wordt gebracht. Hierin gaan we gelukkig niet achteruit. Integendeel, hier mag een merkbare vooruitgang worden geconstateerd. Op éen ding willen we in dit verband even wij'zen. Er is tweeërlei hoofdzaak welke Over 't algemeen naar voren wordt gebraéht bij de lijdensprediking. En wel men legt 5f den nadruk op de liefde van Christus, welke om wederliefde vraagt bij den Christen, 5f men bep alt de Ge meente voornamelijk bij het plaatsbekleedend karakter in het werk der verzoening, om de ziele dan uit te lokken tot het geloof inde schulduitdelging en een hartelijk vertrouwen dat de zonden zijn vergeven. Het eerste zal men in doorsnee meer bij de ethischen, en het tweede meer bij de gereformeerden vinden.
Nu is 't een zoowel als 't ander goed. Maar de geschiedenis bewijst, dat 't éen zoowel jals 't ander zoo gemakkelijk kan ontaarden.
Als het werk van Jezus' liefde wordt losgemaakt van het recht Gods en den raad des vredes, waarin Vader, Zoon en H. Geest zijn betrokken, dan raakt men spoedig buiten den weg des Woords en wordt alles gericht naar eigen inzicht en gevoel, , waarbij de mensch zelf ook zoo gemakkelijk aan 't werk gezet wordt, om 't goed te maken bij God, Wiens wet en recht. Wiens vloek en oordeel men eigenlijk niet kent.
Het werk van Jezus wordt dan eigenlijk losgerhaakt van het werk des Vaders en des H. Geestes. En, nog eens, het plaatsbekleedend karakter van het 1^'den wordt veronachtzaamd, terwijl de liefde van Jezus, die wederliefde moet wekken, op den voorgrond staat.
Denk nlaar aan Sternbergs Jezus'-portret, met het onderschrift: „dit deed Ik voor u — wat doet gij voor Mij? " — welke woorden graaf Zinzendorf 200 in de ziel grepen.
Wat nu de prediking der gereformeerden betreft, daar wordt over 't algemeen de nadruk bizonder gelegd óp het plaatsbekleedend karakter van Jezus' lijden en sterven, om Sion te verkondigen: „de straf die op ons was kwam op Hem en door Zijne striemen is óns genezing geworden". Dan wordt verkondigd, hoe Sion dpor recht verlost wordt. Waarbij het doel moet voorstaan om de geloovigen te doen deelen in den geheel èenigen troost des Christens, die zeggen mag: niet meer voor eigen rekening te' staan, maar voor rekening te liggen van Jezus Christus, Die met Zijn dierbaar bloed voor alle onze "zonden betaalde en ons van het geWeld des duivels verloste. Om! ook de bekommerden uit te lokken als! goddeloozen te komen tot dien plaatsbekleedenden Middelaar, Die nog altijd zegt: „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven". Daarbij de goddeloozen aanzeggend, dat het hun kwalijk zal gaan indien ze in hun zonde sterven.
En ja, — dkn zal„ indien" de ziele welgesteld mag zijn en mag overleggen, dat de Heiland Zijn dierbaar bloed heeft üit-1 gestort, en niet met gouji of zilver, maar 1 met Zich z§lf, met Zgne ziele betaald heeft, haar ^gevende als een rantsoen 1 voor al de Zijnen, ook in dat lijden en | sterven , zóo begeeren in te zien, dat de Heere de eere ontvangt en het Lam de; dank worde betaald. Niet als ruil, om I 't een met het ander te betalen, maar i uit liefde en dankbaarheid, zeggende: Wat zal ik met Gods gunsten overlê, an, dien trouwen HEER voor Zijngenavergelden? 'k Zal bij den kelk des heils Zijn naam vermelden, en roepen Hem met blijde erkent'nis aan". (Ps. 116 : 7).
Men moet dus niet scheiden wat bij elkaar hoort.
Men plukt geen vruchten van een boom, wiens wortel men afsnijdt.
Maar aan een goeden boom mag de vrucht ook weer niet ontbreken; de vrucht des geloofs en der liefde.
Het Bioscoopgevaar.
Niet genoeg kan gewezen worden op het gevaar dat dreigt voor ons volk van den kant van de bioscopen.
Die Satanische dingen, die als paddenstoelen uit den grond opkomen, verstaan de kunst om den mensch als in eea tooverwereld over te zetten, 't Is alles licht; 't is alles goud wat er blinkt; 't is alles even aantrekkelijk wat men ziet —voor den mensch die zich zoo gemakkelijk door den schijn der dingen laat bedriegen.
Knusjes zit men, met een weinig geld op zak, als in eens konings paleis. Voor een paar stuivers wordt men overgezet als in een andere wereld, vol pracht en praal. Geen armoede bestaat er. En intusschen wordt dan 't vergif ingedruppeld in de ziel van jongens en meisjes, van manne.n en vrouwen, waardoor zij weldra geheel doortrokken worden en waarvan ze zich niet meer kunnen losmaken.
Wat worden in de bioscopen de zinnen geprikkeld, de booze lusten des vleesches opgewekt en het pad tot onzedelijkheid effen gemaakt voor kinderen en volwassenen.
't Vuile wordt zoo mooi. 't Gemeene wordt zoo aantrekkelijk. 't Verachtelijke wordt iets dat moedig, flink, heldhaftig en groot genoemd wordt. En men wordt uitgelokt tot allerlei waaghalzerg en zotte, onbestaanbare en onbetamelijke dingen, 't Gaat alles daar zoo vlot, zoo mooi, zoo aardig. En dat lokt en trekt. De duivel telt hier z'n, gewillige onderdanen bij honderden en duizenden.
Pas nog weer konden we in de bladen lezen waartoe dé bioscoop al niet brengt.
Een jongen, pas üit de bioscoop komend, waar hij een wonderlijke geschiedenis had gezien, steekt een 24-jarige onderwijzeres, die hem overigens onbekend is, met een mes in de buik, zoodat ze na enkele uren aan de bekomen wonde sterft.
De vorige maand werd in het Noorden des lands een bankaanslag gepleegd. Ook hier had in den 'opzet ongetwijfeld de bioscoop zijn fatale werking verricht: met een zwart gemaakt gezicht, een muts over het hoofd, een slagèrsmes dwars in den mond en in de hand een Browning, viel een man binnen in een bankierskantoor. Ondanks. het feit, dat hij twee leden van het personeel zwaar verwondde, mislukte de aanslag en werd hij door het talrijk personeel overmand.
Toen de rechter een onderzoek instelde bleek uit alles dat deze man met recht een auto-bandietenstreek had willen uithalen, zooals hij in de bioscoop had gezien en die daar zoo 'prachtig was gelukt.
Nóg een geval.
Een 13-jarige jongen was op een Zondagavond weer tegen den zin van zijn ouders naar een bioscoop geweest. Hij komt thuis, krijgt een standje van zijn vader, loopt weg en gaat zich verdrinken.
Pas had hij in de bioscoop zoo'n mooie film.gezien, waarbij de geschiedenis van een meisje was voorgesteld, dat ook woorden had gehad thuis, in het water sprong en zoo wonderlijk toen was gered.
Verschrikkelijke dingen. Men moest die voorhoven van de hel uitroeien met alle macht en kracht die een mensch maar ter beschikking staat!
Waarbij we ouders en voogden niet ernstig genoeg op het hart kunnen binden: waakt tegen het bioscoopgevaar.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's