De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Luther en de Hervorming.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Luther en de Hervorming.

12 minuten leestijd

Luther's huiselijk leven

XIV.

Reeds op de Spaansche Synode te Elvira (306) was de ongehuwde staat der geestelijken verplichtend gesteld (coelibaat). Men meende, dat het ongehuwde leven heiliger was en hooger stond dan de gehuwde staat. Ook zou de ongehuwde priester zich gemakkelijker van de wereld kunnen losmaken en zich geheel kunnen geven aan de Kerk.

Toen de beginselen dèr Hervorming begonnen door te werken, was het met deze on-bgbelsche en on-ware beschouwing aangaande het huwelijk voor de geestelijken uit. Men geloofde niet meer aan de verdienstelijkheid van een echteloos leven. En Luther rekende het zich tot p^ht, na vele priesters en monniken den nmd gegeven te hebben een vrouw te zoeken, ook zelf in het huwelijk te moeten gaan. Toch is hij slechts na lange overweging er toe gekomen.

Langzamerhand waren alle monniken uit het Augustijnerklooster te Wittenberg vertrokken en velen gehuwd, zóodat Luther alleen met den prior was over-'gebleven in het groote, nu zoo ongeriejfelijke en ongezellige gebouw. Eengeheel 'jaar legde Luther — zoo verhaalt hij zelf — zich 's avonds vermoeid in een onopgemaakt bed.

Dat Luther niet zoo gemakkelijk besluiten kon tot een huwelijk, vond voor een deel z'n oorzaak hierin, dat hij meende dat z'n brandstapel gereedstond en hij dagelijks den dood verwachtte.

Den 4den Mei 1525 schreef hij een brief aan een Mansveldschen raadsheer, waarin voor de eerste maal de naam van Oatharina van Bora voorkomt, op wie hij zijn oog gevestigd had. Hij spreekt in dezen brief van „zijne Kathe", met wie hij vóór zg-n dood nog trouwen wilde. En einde Juni 1525 was Luther reeds met haar in den echt verbonden.

Catharina van Bora was 26 jaar oud toen de 42jarige Luther haar huwde. Merkwaardig is het te weten, dat Luther haar toen niet zoo bizonder lief had; dat heeft hij later dikwijls genoeg tegenover zijn vrienden en haarzelve uitgesproken.

Eerst was Catharina met een zoon van een rijken burger uit Neurenberg verloofd, doch deze werd haaronttouw. Uit medelijden bemoeide Luther zich met haar en wilde haar laten trouwen met den predikant Qlatz uit Orlamünde, maar in hem had Catharina geen zin. Gelukkig maar, want deze was een onaangenaam man, die wegens twist met zijn gemeentenaren moest afgezet worden. Tot groote verrassing voor zijn vrienden besloot Luther zelf haar te huwen en toen hij daar voor 't eerst over sprak, waren zij veertien dagen daarna man en vrouw.

Dat dit huwelijk van den Augustijner monnik met de ontvluchte non uit het Bérnhardijner klooster opzien baarde en de lastertongen in beweging bracht, valt te begrijpen, maar Luther kreeg in zijn Kathe een uitnemende vrouw, die, ook volgens de portretten, die Cranach van h^ar schilderde, wel niet uitmuntte door bizondere schoonheid, maar die Luther, vol huwelijksgeluk, getuigen deed: „Mijn Kathe is mij meer waard dan het koninkrijk Frankrijk met de Venetiaansche heerschappij."

Het eerste jaar van Luthers echtelijk leven was — in het kloosterhuis wonend"— zéér gelukkig. Ongeveer een jaar na den trouwdag was Luther vader. „Den 7en Juni 1526 schonk mgn Kathe mij, dank zij de groote genade Gods, een Hans Luther, een gezonde eerstgeborene", schreef hg aan een vriend.

Het begin van het jaar 1527 bracht een zeer donkere wolk over het huiselijk leven van Luther. Zijn gezondheid werd ten zeerste bedreigd; hij kwam aan den rand van hét graf. Het was nu niet zijn oude kwaal, nl. galsteenen, die hem in nood bracht, maar een plotselinge bloedaandrang na'ar het hart scheen een einde aan zijn dierbaar leven te zullen maken. Onverwacht snel verdween echter deze ziekte, juist zooals zij gekomen was en er was groote vreugde in huis.

Kort daarop werd Luther weer ernstig krank, doch ook dezfe beproeving was niet tot den dood.

Toen brak de pest uit in Wittenberg. Een vreesélijke schrik maakte zich van de bevolking meester; de Universiteit werd naar Jena verplaatst, velen van Luthers collega's en vrienden gingen mee. Luther en Bugenhagen bleven de gemeente trouw, .welke nu meer dan ooit geestelgken bijstand noodig had. Spoedig telde Luther achttien dooden, die in de nabijheid van zijn woning uitgedragen werden. De vrouw van den raadsheer Reichenbach — bij wien Catharina van Bora indertgdpas na haar vlucht uit het' klooster door Luthers bemoeienissen een vriendelijk onderdak gevonden had — was het eerste slachtoffer, dat bijna als in Luthers armen ontsliep. Ook in Luthers woning openbaarde zich de gevaarlijke krankheid en wel bij een vriendin, die bij hem inwoonde; zg werd doodziek. Het gevaar sloop telkens nader, bange dagen brachten Luther, en zijn vrouw door; juist voor Kathe was Luther zoo bang, die de geboorte van haar tweede kind tegemoet i& g. Tot overmaat van ramp werd ook kleine Hans ziek. „Naar buiten strijd, naar binnen verschrikking, maar één troost is er: wij hebben Gods Woord" — zoo schreef Luther op den Sisten October van dat jaar.

Gelukkig werd Hans weer beter, Kathe bleef gezond en haar werd een dochtertje geboren, dat den naam van Elizabeth ontving.

Uit dezen hangen tijd stamt het bekende lied: „Een vaste burg is onze God", dat in 1528 voor 't eerst in een Gezangboek gevonden werd.

Zijn dochter Elisabeth mocht Luther niet lang houden; reeds na 8 maanden stierf zij.

Was de morgen van Luthers huwelijksleven donker, vol zware onweders, later klaarde de lucht op, de middag en de avond waren schoon. Het leed had niet de overhand op-Jhet lief. De huiselijke kring bleef Luthers vroolijk paradijs, waar hij zich bij vrouw en kinderen zoo innig gelukkig voelde.

In 1529 werd Luther opnieuw een dochter geboren, Magdalena, „Leentje" genoemd. Daarna volgde een jongen in 1531, dien Luther Maarten heette, omdat hij één dag vóór zijn verjaardag ter wereld kwam; in 1533 werd weer een zoon geboren, Paul genoemd, naar den gróoten apostel Paulus, aan wien Luther zelf zooveel ; te danken had.

Bij den doop van Paul sprak Luther de hoop uit, dat God de Heere „in hem een nieuwen vijand van den Paus of van de Turken mocht opvoeden."

In 1534 sloot Margaretha de rij der kinderen, zoodat 3 jongens, Hans, Maarten en Paul, en 2 meisjes, Leentje en Margreet, de vroolijke kinderschaar van Luther uitmaakten.

Van de innigheid, waarmee hij aan zijn kinderen gehangen heeft, geeft iedere brief het bewijs, dien hij bij gelegenheid van afwezigheid uit Wittenberg aan zijn vrouw geschreven heeft. Van zijn kinderen heeft hij ook veel vreugde beleefd. E ij noemt-ze herhaaldelijk zijn beste leermeesters in kinderlijk geloof. Door ! hen heeft hij eerst recht leeren begrijpen j wat het zeggen wil: „wordt als de kinderen."

Het meest hield hij van Magdalena, dat een bizonder begaafd en lief kind was, en daarom was het de hardste slag, die hem in zijn huiselijk en echtelijk loven getroffen heeft, toen hem die dertienjarige dochter op 20 September 1542 door den dood ontrukt werd. Toen zijn Leentje, zooals hij haar altijd noemdoj zwaar ziek daar nederlag, klaagde hij: „ik heb haar zeer lief, maar lieve God, daar het Uw wil is haar tot U te nemen, zoo wil ik gaarne weten, dat zij bij U is." Het is aangrijpend te lezen, hoe de sterke man zich vérplicht voelt zijn kind tot den dood voor te bereiden, hoewel hij haar zoo gaarne in het leven zou behouden. Hg vraiagt haar: „Leentje, mijn dochtertje, gij blijft gaarne bij uwen vader en gaat ook gaarne naar gindschen / Vader? " waarop zij antwoordde: „ja lieve vader, zooals God wil."

Toen zü in de kist lag, zei hij: „ik ben opgewekt in den geest, maar in het vleesch ben ik zeer treurig, het is wonderlijk toch zoo treurig te zijn en te weten, dat zij in vrede is heengegaan en tot haar welzijn." De treurende moeder echter troostte hij met de woorden: „Lieve Kathe, bedenk toch waarheen zij gegaan isl Hoe goed zij het nu heeft!"

Afgezien van zijn kinderen werd Luthers gezin dikwijls vergroot door een aanzienlijke schaar van kostjongens; en daarbg voegden zich vele vrienden die in en uit liepen, wetende dat Luthers woning altijd voor hen openstond.

Dat Luthers huis zoo gf^tvrg en gezellig was, is hoofdzakelijk te "danken geweest aan zijn Kathe, die een voorbeeldige huisvrouw was en, gezien de beperkte middeléü, alles uitnemend wist te scliikken en te beheeren. Zij brouwde haar eigen bier, hield een groot aantal varkens, die ze zelf op de markt kocht. „Ik heb", zoo zei Luther, „een vroom en trouw wijf, waarop het hart des mans zich verlaten kan." En zg stond hem ook hg in alles, zg deelde in zijn zorgen en worstelingen; en zij was hem dikwijls tot bemoediging en hulp. Als Luther soms den moed liet zinken, wist zij hem weer aan te wakkeren. Eens verliet Luther, geheel uit het veld geslagen, zijn huis — twijfelende aan God en aan alles; hg was wanhopig. Teirugkeerende vindt hij zijn vrouw geheel in rouwgewaad gehuld. „O, Herr Doktor" — zegt ze — „denk' 'n mal, unser Herr Gott ist gestorben!" („O, Heer Doktor, denk 't u toch eens in, onze Heere God is gestorven!")

Luther begreep haar terstond: „Ja, lieve Kathe", zoo sprak hij, „ik deed ook werkelijk alsof er geen God in den hemel waa." En Luther schepte weer moed!

Onder de gaven, die God ons tot vreugd en Hem tot eere gegeven heeft. nam de muziek bij Luther een vooruaoie plaats in. Vooral met zijn kinderea zong Luther veel; 's middags na tafel werd gemusiceerd. Zelf bezat hij in dit opzicht bizondere gaven. Immers zijn zang was het, die reeds in zijn jeugd de aandacht van vrouw Cotta op hem vestigde! Hij zong dan ook gaarne uit volle borst. Volgens Luther zingen de duivelen alleen niet.

Bekend zijn Luthers „tafelgesprekken", waarin zijn frissche geestigheid uitkomt en waarin algemeene levenswijsheid werd uitgedeeld en practische lessen werden gegeven. Luther kon soms wel eens wat vreemd uit den hoek komen; zijn humor komt ons wel eens oneerbiedig voor. Hij was wel eens grof; echter nooit gemeen of dubbelzinnig. Zijn soms ruwe wiijze van zeggen hangt samen jnet den tijd waarin hg leefde, maar ook inet den stand, het volk, waaruit Luther gesproten was. Oorspronkelijk woonden Luthers ouders in Möhra en de boeren van die streek stonden als echt origineele, degelijke, maar wel wat ruwe menschen bekend.

Deze trekken zijn, Luther altijd min of meer bijgebleven.

Enkele geestige gezegden zijn deze: tot zijn vriend Dr. Jonas zeide hg, toen een barbier hem den baard afschoor: -„de erfzonde in den mensch gelijkt op den baard van den man, die, al wordt hg heden afgesneden, toch den volgenden dag weer aangroeit; en dat groeien houdt niet op zoolang de mensch leeft; sterft hij echter, dan komt er een eind aan."

Op een vraag van een student, hoe hg preeken moest, antwoordde Luther: „Tritt frisch auf, thuts Maul auf, halte bald auf" d. i. „treed frisch op, doe je mond open, houd gauw op."

In dat verbaud zei hij ook: , een goed redenaar houdt altijd op, als de menschen nog aandachtig luisteren en meenen, dat hij pas begon — zoo ook d§ prediker, wanneer men zegt: ik had hem nog wel een poosje willen aanhooren, daar was het goed."

Luther begon een tegenzin tegen Wittenberg te krijgen. Het weelderige, wanordelijke, ze4elooze leven dat er gevonden werd, stond hem schrikkelijk tegen. Hij wil weg en denkt er over zijn huis te verkoopen en op Zulsdörf bij Leipzig te gaan wonen. Den 28sten Juli 1545 schrijft hij daarover aan zijn vrouw en zegt: „ik wil liever bedelbroed eten dan mgn arme, oude laatste dagen met de wanorde van Wittenberg martelen." Melanchton, Bugenhagen en anderen werden afgevaardigd om Luther van zijn besluit af te brengen, wat ook gelukt, en 16 Aug komt hij naar Wittenberg terug, waar hg zijn colleges over Genesis voortzette, terwijl hij ook des middags predikte. In November zei hg op college: ^ik kan niet meer, ik ben zwak; bidt God, dat Hij mij eea goede, zalige stervensure verleene." Den lOden November vierde hij zijn laatsten verjaardag in den kring van zijn gezin en vrienden; de Keurvorst had hem voor dezen dag rijkelijk met geschenken overladen en hg was recht vroolijk gestemd — n^aar ook droeve gedachten hielden hem bezig.

Terwijl hij in Mansfeld, zijn eigen geliefd vaderland was, om de graven van Mansfeld, - die ter wille van inkomsten aan patronaatsrechten verbonden, met elkander in twist leefden, te verzoenen, schrijft hij 17 Januari 1546 — zijn sterfjaar — aan zijn vrouw: „oud, afgeleefd, traag, moede, koud en nu ook nog met één oog slechts, schrgf ik."

Een brief aan zijn „vriendelijke, lieve huisvrouw" en aan Melanchton, „zijn waardigstén broeder in Christus", gedateerd 14 Febr., zijn de laatsten die hij geschreven heeft.

Toen predikte hij nog te Eisleben, maar brak zijn preek af met deze woorden: „dit en veel meer zou van dit evangelie te zeggen zgn, maar ik ben te zwak, wij willen het hierbij laten".

Zijn hartewensch, de verzoening der Graven van Mansveld, werd vervuld. Toen schreef hij aan zijn vrouw: „wij hopen deze week weer thuis te komen, als God het wil." Doch God wilde het ènders. Hij zou sterven te Eisleben, waar hij geboren was; niet in de armen zijner dierbare vrouw; alleen Paul en Martin, zijn beide zonen die hij op reis had mee-^ genomen, waren aanwezig in den kring der vrienden, waarin Dr. Martinus Lu ther den ISden Februari van het jaar 1546 ontsliep, ingaande in de ruste die er overblgft voor het volk van God.

Hij werd te Wittenberg, naast de •slotkapel met groote plechtigheid begraven.

Zonder finantieele zorgen maar in groote droefheid bleef zijn vrouw met hare kinderen achter. Haar troost was God, de Vader der weezen en de Rechter der weduwen.

{Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Luther en de Hervorming.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's