Stichtelijke overdenking.
En het geschiedde ondertusschen, dat de hemel van wolken en wind zwart werd en er kwatn een groote regen. 1 Kon. 18 : 45.
De Heere besehaamt niet
Elia ia een bliksemende verschyning, die als een bliksem komt en in een bliksemenden wagen tèn henjel opgenomen wordt.
Waar Elia precies vandaan komt weet men niet.
Woor de veronderstelling dat hij door Israels God uit een volk buiten Israel is getrokken om, Israel tot beschaming, in Israel getuigenis te geven van Jehova, den eenigen waarachtigen God, is geen genoegzame grond. Maar of hij uit Gilead afkomstig is dan wel of hg zich daar tijdelijk, om der vervolging wille, had teruggetrokken, weten we niet.
Wat we weten is: d^at hij een Tisbiet heet; een man uit Tisbe afkomstig; diej dan door den Heere uit Gilead geroepen wordt om tegenover koning Achab en koningin Izébel op te treden en in het midden des volks te getuigen van Jehova, Dien Elia beleed als den eenigen waren God.
Uit Gileao/^t^nterlanavanK^^anj" komt de profeet. En in zijn naam draagt hij .zijn program voor al zijn doen en laten, voor heel zijn optreden.
De naam Elia bestaat immers uit twee deelen en is een samentrekking uit Eli en Ja. Waarbij bekend is, dat\Bibeteekent God en dat Ja een saamtrekking is van Jehova.
Beth-el beteekent huis Gods; PniëZ aangezichte Gods.
En uit het vierde kruiswoord: »Eli, Eli, lama sabachtani" is wel bekend dat Eli beteekent mijn God.
Nemen we dus den naam Elia, dan is het duidelijk, dat in dezen naam een belijdenis aangaande het Goddelijk Wezen zit en wel déze belijdenis: mijn God is Jehova.
Zooals Jo'èl, Jesaya, Ohadja in hun naam dus de aanduiding hadden van den aard van hun werk nl.-om te getuigen van God en voor de eere van Jehova onder Israel op. te komen, zoo heeft ook Elia, die plotseling uit Gilead naar voren komt om zich te stellen tegenover den handel en wandel van het goddelooze konink-Igke echtpaar, Achab en Izébel, in zijn naam de aanwijzing, dat hij van God gezonden is, om te getuigen tegen de zonden en gruwelijke afwijkingen van vorst en volk, en den name des Heeren te vermelden en Zijn Woord voor te staan.
God zelf verschijnt in en door Elia onder het Bondsvolk, dat het zoo slecht afmaakte ten opzichte van den dienst van Hem, Die gezegd had: „Ik wil u tot een God zijn en gij zult mij tot zonen en dochteren wezen".
De Heere bewijst hierin een God te zijn. Die groot van geduld, mild in ontfermen en rijk in barmhartigheden is over een wederstrevend en afvallig volk. Hij laat het werk Zijner handen niet varen. Hij is dag en nacht uitstrekkende Zijne handen tot Zijn erfdeel zeggende: «wendt u tot Mij en wordt behouden, waarom zoudt gij sterven? "
Wat was de zonde van Israel in de dagen van Elia?
We willen dat even nader aanduiden.
In Jerobeams dagen was er een pogen om den God van Israel op è, nder( wijze te dienen dan de Heere zelf wilde. Eigeivwilligheid kwam bij den eeredienst. Jehova wilde men dienen, maar niet te Jeruzalem in den tempeldienst bij het altaar dat bediend werd door Levi's zonen. Men maakte zich Bethel en Dan tot heilige steden en daar richtte men gouden kalveren op; daar bouwde men altaren en stelde priesters aan uit het volk. 't Was er niet om te doen om van God te veranderen, maar men veranderde den dienst des Heeren. En op dat hellend vlak staande heeft de Heere Zijn bondsvolk gewaarschuwd, hen lokkend om de verboden wegen van eigenwilligen godsdienst te verlaten en weder te keeren tot den reinen dienst, die naar Zijn Woord is.
Maar het volk wou niet naar Zijn stemme booren. Israel verliet Hem en Zijn geboón — en de gevolgen zijn niet uitgebleven. Die God verlaat heeft smart p smart te vreezen; gelijk het anderijds waar is, dat in het houden van Gods
Het ging van kwaad tot erger met Israel. En in de dagen van Elia was het met het Tienstammenrijk zoover gekomen, dat men, onder leiding en dwang , van iAchab en Izébel, van den waren God aféchèid had geüomeü, orü te kiiiëien voor Baal en Astarte te kussen.
Lang had Baal den Heere reeds naar de Kroon gestoken.
Van af den Richterentijd lezen we, dat der Kanaanieten natuurgod in het midden van Abrahams zaad zocht binnen te dringen en de plaats van Jehova in te nemen. En was hem, door de kastijdende hand Gods daartoe gebracht, telke'ns door Israel weer een plaats ontzegd op de erve van het Heilige Land, van uit Tyrus en Sidon, in.Fenicië, deed Baal telkens weer nieuwe pogingen om vasten voet te krijgen onder Abrahams zaad en nu, nu Izébel, de dochter van Etbaal, koning der Sidoniërs, de vrouw van Achab, Israels koning, was geworden, nu was de gelegenheid schooner dan ooit te voren, om Jehova's plaats in te nemen en we lezen, dat het publieke leven in Staat en Kerk den indruk maakt, alsof ieder hoofd voor hoofd Baal als god erkent, waarbij menschen als Eüa 't gevoel hebben alléén een uitzondering op den regel te maken.
Gelukkig is het nog wel een weinig S, nders in werkelijkheid. De Heere houdt ook in de bangste tijden nog een volk dat op Zijn Naam hoopt. Hij weet Zyn erfdeel nog wel te bewaren. En er zijn er ook in Achabs dagen nog 7000 die hun knie voor Baal niet buigen en weigeren Astarte te dienen. Maar nochtans is de publieke godsdienst geen Jehovadienst maar Baaldienst. In de vorstelijke hoofdstad Samaria, de concurrent van Jeruzalem, staat een prachtige Oostersche tempel. Een breedë schare van priesters en profeten bewegen zich in de straten van de Noordelijke residentie én begeven zich van den tempel naar het bosch en van het bosch naar den tempel, en een steeds groeiende menigte des volks wordt aangegrepen en betooverd door dien weelderigen, zinnen-en lusten-prikkelende afgodendienst, waarbij alle aandacht wordt afgetrokken van Jehova, en het vertrouwen wordt gegeven aan de zon, aan de natuur, aan het geschapene, om daarop te bouwen in alle dingen des levens.
Dat is de godsdienstige en zedelijke toestand des volks. Om den Heere, den Schepper van hemel en aarde, bekom mert men zich niet me/r. Van Jehova, den God van Abraham, Izaak en Jakob, hebben ze afscheid genomen. En inplaats dat hun verwachting van boven is, is hun vertrouwen gesteld op de dingen die van beneden zijn.
Naar heidenschen trant beschouwt nu ook de Jood de dingen aldus: de aarde is zoo vruchtbaar én onder de kussen van Baal, den zonijiegod, wordt zij gewekt tot het geven van veel vrucht.
Vroolijk dient men dan ook Baal, met vroolijke feesten en velerlei offerand, opdat hij de aarde kusse met de kussen zijns monds en de vruchtbare aarde mensch en beest voedsel schenke.
Ook weet men, dat de vruchtbaarheid des menschen groot is en in zinnelijke uitspattingen, waarin de vruchtbaarheid des menschen geëerd werd, diende men de maangodin Astarte, veelal des nachts in het bosch, onder het groenende hout.
De mannelijke god Baal en de vrouwelqke godin Ast9, rte zijn saè.m voor Israël de springaders des levens, dat mensch en beest geschonken wordt. En men bewerkt de aarde, ^ aanbiddend neerknielend voor dat tweetal goden. Tepwijl de vruchtbaarheid van den man eri de vruchtbaarheid van de vrouw, uitkomend in het uitgroeien van het menschèngeslaeht, dankbaar als ^av© van Baal èü Astarte werd beschouwd, waarbij die uitspattingen van een ongebonden leven de aangebeden goden tot roem en eere moesten strekken.
Het is dus een natuurgodsdienst, waarbij de-zinnelyke lusten bot vierden.
Het is een opgaan in de dingen van de aarde met de lijfspreuk : „laat ons eten en drinken en vroolqk zijn, want, morgen sterven we."
Het is het materialisme, de godsdienst van het creatuur, van het schepsel, van de aarde, van de stof, welke het Tienstammenrijk heeft gevangen genonien.
En daar treedt dan Elia plotseling op, als een bliksem nederdalend van den hemel.
Schatten des vredes en oorlogswinst hadden het volk gedreven tot afval van God en aanbidden van vreemde goden. Verzwagering met naburige rijken had Israël gebracht tot de inbeelding, dat zij God niet meer noodig hadden. En terwijl het vorstelijk huis den toon aangaf, was er een uitgieten van weelde en een uitspatten in goddeloosheid, zooals nooit te voren» En Baal maakte het wèl, Zgn vriendelgk aangezicht bestraalde de aarde en deje bracht vruchten voort. Astarte, de maangodin, liet zachtkens en rijkelijk vallen haar nachtglanzen, waarbij akker en weide sliep, om vruchtbaarder dan te voren te ontwaken. Het volk des lands groeide en bloeide. En de mensch leefde zich zelf uit, ofiferende voor Baal en het beeld van Astarte kussende. Zoo leefde men voort, prachtige kleederen dragende, smakelijke spqzen gebruikende, aan vurig-tintelende dranken verslaafd, gelden goed vergaderende des daags en 's avonds en 's nachts uitgaande om uit te breken in kroegjool en prostitutiévreugd. De hofkliek deed het op haar manier, de rijke proietariërs op hun wijs, de arme menschen toefden weer op heel endere plaatsen. En zoo leefde men los van den Heere, doende den wil des vleesches, levende in weelde en overdaad.
En dan verschijnt plotseling Elia, van God gezonden, om het volk uit Abraham gesproten en door Mozes'hand uit Egyp-teland geleid, te, herinneren aan het woord der zegening door den grooten volksleider gesproken, vlak vóór dat Isr^jll het beloofde Kanaan mocht binnengaan: De Heere uw God brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten; een land, waarin gij brood zonder schaarschheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal." Maar om tegelijk in vlammend schrift voor' het oog van vorst en volk te schrijven de woorden des vloeks, welke óok uit dienzelfden mond waren uitgegaan: De hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zgn; de Heere uw God zal pulver en stof tot regen uws lands geven." (Deut, 28 : 23 en 24).
Deze woorden staan den koning niet aan. Deze woorden doen de koningin opvliegen als een helsche furie. Deze woorden ergeren het volk en de priesters vau Baal en de priesters van Astarte En men jaagt Elia weg, men bant hem uit, men zweert tot zijn dood, men haat hem; en zich van hem afwendend, werpt men zich met dubbelen ijver op den goddeloozen dienst, van hooger hand ingevoerd en beschermd. Maar dat neemt niet weg dat Elia Gods vloek achterlaat, zeggende: „in drie jaren en zes maanden zal er geen regen noch dauw zijn op ^i« aarde." En dat is letterlgk vervuld.
Waarom?
Opdat de lieden van het koninklijk uis als verleiders zullen openbaar woren. Opdat de priesters van Baal en de riesters van Astarte als leugenleeraars ullen worden ontmaskerd. Opdat Baal n Astarte zullen blijken te zijn geen oden te wezen; niets dan fantasie van en dwazen mensch, die het schepsel ert boven deii Schepper. Opdat het volk eschaamd zal uitkomen met het verlaen van den Heere en het nawandelen an de goden der heidenen. Opdat het al blijken, dat de mensch, die zonder God oor het leven.gaat, zoo diep ellendig is.
Zóo ver was het gekomen, dat het volk, door God verkoren, aan Jehova was ontrukt en geketend in den dienst van vreemde goden.
En als het dan lekkerlij k leeft, badend in tuchtelooze weelde, en sterk zich wetend door binnenlandsch welvaren en schitterende buitenlandsche betrekkingen, dan waakt de Heere op en treedt Zijn volk tegemoet in den als een bliksem verschijnenden Elia, ' om Israël te slaan en te bezoeken en te plagen en te benauwen, totdat er niets, niets meer is overgebleven, waarmee het volk zich verzadigen kan.
Niet8l
Geen voedsel vdor den mensch, geen gras voor het vee. Het volk in grooten nood, het koninklijf hof met het meest zuinige rantsoen. En overal verzengt de droogte, het stof vliegt in de keel; honger en dorst kwellen; de warmte des zomers is ondragelijk, de koude des winters is onhoudbaar.
Geld baat niet, want men kan niets koopen.
Sterken verzwakken. Zwakken verkwijnen. Kinderen en ouden van dagen sterven weg. Ontzettende nood en bange angst komt u overal tegen waar gij staat of gaat.
En of de koning al uitvaart en de koningin boos is en het volk ongevoelig, daar staat Elia weer om te getuigen, dat de afgoden geen goden zijn en de afgodendienst smart en ellende baart'— om tei prediken, dat Jehovah God is en alleen in het wederkeeren tot den Heere genezing en heil ligt voor vorst en volk.
En dan moet men op Karrnel komen, heel het yolk saam, benevens de koning. En dan zullen daar de priesters van ^ Baal staan en de priesters van Astarte, honderden bij elkaar. En dan zal Elia daar alléén staan. En dan zal het volk en de koning striemend scherp het voelen, dat een afgod niets, is en dat Jehova Ood is, Bij alléén.
, Waarbij de belofte uit Elia's mond uitgaat, dat in het houden van Gods geboden groot loon is en dat allen, die den Heere vreezen, hun brood zeker mogen weten.
Een afgod niets — dat bliksemt van den hoogen berg neer in de laagte waar het volk vergaderd is. En ze hooren het, ze zien het. Zé komen onder den indruk. Ze vinden het goed dat de afgodspriesters geslacht worden. Ze roepen het ook zelf uit en bekennen het in het openbaar : een afgod is niets en met een afgod heeft men niets. Om'te bekennen: de Heere is God en niemand meer; de Heere is ónze God en wij en onze kinderen zullen ons richten naar Zijne geboden en we zullen wandelen in Zijne wegen.
Dat is voor Elia, den trouwen Godsgezant, dié eenzaam gewandeld had in het rnidden zijns volks en alleen gestaan had tegenover den zondedienst van vorst en vaderland, een verrassende en blijde uitkomst.
3aal en Astarte zgn ten aanschouwe van het gansche volk tot leugenaars gemaakt, ijdele hersenschimmen, welker dienst aan Israel ramp op ramp had gebracht.
En nu mag het volk weer wat gaan voelen voor Jehova en voor Zijn Woord en voor Zijn knecht. Nur gaat Israel zich weer voegen naar den eisch van Zijn bevel en het zal zich weer geven aan 's Heeren dienst.
Dat zal zegening en weldadigheid geven. De wolken zullen zich nu gaan saainpakken aan den hemel en de regen zal bij stroomen nederdalen en het aardrijk drenken van omhoog en doen uitspruiten wat mensch en beest tot'verzadiging en vreugd zal zijn.
Al het geschapene zou 't ervaren dat de Heère, dat Jehova God is en dat de afgoden niets zijn. En straks zal de vogelenwereld zingen, de beesten des velds zullen huppelen, de bloemen en planten zullen vroolijk het hoofd ornhoog heffen en te zamen juichen. En van mond tot mond zal het gaan, doorarmenrijk, jong en oud zal het verkondigd worden, dat de Heere God is en Hg alleen; wat zal doorklinken tot in de binnenkameren van des konings paleis, waar de wellustige Izébel mokkend zal treuren over den dood van de priesters en grimmig, zal loopen met de gedachte aan de nederlaag, die de goden van haar land hebben geleden.
Zeker! het zou Elia dan verder nog niet meevallen. Den volgenden dag moest hij al vluchten naar de woestgn, omdat Izébel zijn ziel zocht om deze te stellen als de ziel van haar priesters, die geslacht zijn — ook zal het volk niet volharden in de goede belgdenis, om weer terug te keeren in de wegen van gruwelijke afgoderg, welke hen brengen zullen in de Assyrische ballingschap.
Maar daar hebben we het nu niet over. Waar het in onze teki^twoorden om gaat, dat is .dit: dat de weg tot zegening en heil voor het volk gelegen is in het
loslaten van den dienst der wereld en der zonde, om ootmoedig te belijden, dat de Heere God is en dat Hij moet gediend worden door rijk en arm, door jong en oud, door vorét en volk. Waarbij de Heere, die rampen en smarten zendt in de dagen dat men van Hem af hoereert en Hem trots den nek toekeert, bij het wederkeeren tot Zijn dienst en Woord barmhartigheid wil bewijzen, om lankmoedig en genadig en groot in schuldveirgeven, boven bidden en denken verrassende zegeningen te schenken.
En dè, t hebben we noodig te weten ook in ónze dagen, waarin men spreekt van hooge cultuur, breede volksontwikkeling, gewenscht welvaren en veelbcr lovendén vooruitgang op elk gebied, terwijl men zich niet schaamt om hoe langs hoe meer den Heere trotsch den nek toe te keeren en brutaal zich te stellen tegenover Zgn Woord en dienst, najagende de genoegens der wereld, vol uitspattende en luidruchtige vroolijkheid.
Bij al onze schatten des vredes en temiddeü van oorlogswinsten, terwijl de kroeg open staat, de bioscopen als paddestoelen verrijzen, de schouwburgen goede zaken doen en de bordeelen onbeteugeld als een kanker verderf zaaien onder het volk — bij al onze zorgen en moeiten, bij al den honger en kommer die er is,
bij werkeloosheid en broodgebrek^ — bij en te midden van dat alles hebben we mannen noodig als Elia. Een prediking als de zijne. Waarbij de-afgoden van dezen tijd met kracht worden aangevallen en de dienst des Heeren met ernst en liefde wordt aangeprezen, met de betuiging van Gods barmhartigheden, die velen zijn voor alle degenen die in oprechtheid zich tot Hem leeren wenden.
Neen — het is onder ons nog zoover niet, dat het woord van Mozes in vervulling is getreden: „de hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn en de aarde, die onder u is, zal ijzer wezen; de Heere uw God zal pulver en stof tot regen uws j lands geven." Maar dat is niet, omdat
onze ongerechtigheden nog niet zoo velen zijn. Neen, dat is louter, omdat de Heere zoo lankmoedig en genadig is. Doch het kost Hem maar éen woord, om ons te slaan, met den grootsten kommer en ons te vernielen onder de zwaarte Zijner beproevingen.
Iets, iets daarvan heeft de Heere ons in de weken van strengen vorst laten zien. En nog zijn de zorgen velen. Zullen we nu met de aanbidding van de afgoden der natuur, de afgoden der beschaving, de afgoden van aardsck bezit, de afgoden van weelde en genot, voortgaan? Zullen wij en onze kinderen ons geheel laten binden aan den dienst van het geschapene, van de stof?
Laat ons den Heere, onzen God, niet verzoeken!
Laten wij Hem niet langer hoonen en tergen en tarten.
Maar laten we onze afgoden toch leeren wegwerpen, om weder te keeren tot den Heere.
Dat is de weg tot waarachtig welvaren. Dan zal de vrede wederkeeren in dezenlande.
Dan zal zegening in het midden des volks zijn.
De Heere roept en lokt daartoe.
En Hij is een God groot van genade.
Neen, de Heere beschaamt Zijn knechten niet.
De Heere beschaamt niet allen degenen die mogen opkomen voor de eere Zijns Naams.
De Heere wil zegenen de kleinen en de grooten, die zich tot Hem leeren wenden.
Wolken, van zegeningen vol, zullen zich ontlasten over ons .volk, indien het ophoudt de vreemde goden te dienen, om zich te buigen voor Hem, me alleen God is en waardig om geprezen te worden door alles wat leeft.
Laat er dan maar gepredikt worden naar Gods Woord. Laat er maar gebeden worden door allen, die bidden geleerd hebben. Laat men maar pleiten op de beloftenissen Gods.
En laten Gods kinderen er toch naar staan om over den onvruchtbaren akker huns harten den malschen regen van Gods genade in Christus af te smeeken. Opdat hun ziele ervare, dat Heere Sion weet te verkwikken met de beekjes Zijner liefde.
Wat is alle ronddolen buiten Christus toch een wonen in de dorre woestijn I
En wat is het wederkeeren tot de gra zige weiden Zijner liefde heerlgk!
Neen, de Heere beschaamt niet allen die het van Hem mogen verwachten.
Maar die het vèr van Hem zoeken zullen vergaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's