De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

En de Heere zeide: Simon, Simon, zie de Satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, .. dat uw geloof niet ophoude. Luc. 22 : 31 en 32a.

De groote Voorbidder.

Daar is geen enkel plekske op heel deze wereld waar de zonde zoo zwart schijnt als op het heilig erf van Gods Kerk, maar ook — en dit moet in één adem genoemd — geen enkele stee waar Gods hefde zóó heerlijk uittreedt, waar Zijne ontfermingen zóó uitschitteren als in de saam vergadering Zijner kinderen.

Wanneer ons ééne verzuchting gerechtvaardigd schijnt op des rHeeren lippen is het wel deze: „hoe lang zal Ik u verdragen ? "

Als de vijand 's Heeren woorden al lang heeft opgeteekend en hij ze in zijn memorierol als in onuitwischbaar letterschrift heeft ingegrift, heeft het voor Zijne jongeren nog telkens den schijn alsof ze dezetiog nimmer beluisterden. Ze weten ze niet. Zij duiden telkenmale Zijne woorden verkeerd. De allerheerlijkste prediking verstaan zij zóo averechts, dat het voor iemand, die er bij staat, zelfs den indruk geeft: het heeft niet den minsten wortel geschoten.

Daar hebt ge nu het laatste samenzijn van den Heere en Zijne jongeren, voordat het kruis wordt opgericht.

In de Paaschzaal zijn ze onder de wonderlijke leiding des Heeren tezamen gebracht.

Petrus en Johannes zijn door den Heere uitgezonden om dit laatste feest te bereiden. Op de vraag: Meester, waar zal dit zijn? is dit wonderlijke antwoord gegeven : als gij in de stad zult komen zoo zal u een man ontmoeten dragende een kruik water, volgt hem. Deze zal u wijzen een toegeruste opperzaal. Bereidt het aldaar.

Wij lezen: en zij henengaande vonden het gelijk Hij hun gezegd had.

Een heerlijk begin. De almacht en wijsheid Gods blijken onvergelijkelijk schoon.

Hier in deze opperzaal zal de Heere voor de laatste maal met de twaalven vergaderd zijn. Hij zal hun aantoonen beide in Woord en Sacrament wat Hij voor hen doen zal.

Èen aandoenlijk oogenblik.

Reeds het eerste woord zal hen in het harte moeten grijpen, zegt ge. Het is toch zoo klaar en doorzichtig. Het kruis met al zijn omtrekken wordt hen voor oogen geschilderd. Of is het wel voor misvatting mogelijk: „Ik heb grootelijks begeerd dit Pascha met u te eten eer dat Iklijde. Want Ik zeg u dat Ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods.

Hier is de Testamentmaker bezig niet alleen het testament te-maken, maar het ook uit te leggen. Hij spelt het hun voor. Ziet eens, kinderen, zegt Hq, gelijk Ik dit brood nu breek, alzoo wordt Mijn lichaam voor u verbroken. En gelijk deze drinkbeker nu uitgegoten wordt, alzóo zal Mijn bloed ook worden vergoten voor u.

Wie blijft onder dit alles nu onbewogen?

Wie zal zich niet ganschelijk verliezen?

Hier zal slechts voor ééne zaak oog zijn nl, voor de liefde des Heeren.

Zoo laat zich de verwachting uitspreken. Maar nu de werkelijkheid.

Is niet de eerste vraag welke de harten in beroering brengt: wie zal als aller dienaar worden aangemerkt? Wien zal hier het slavgnwerk kunnen' worden opgedragen? Wie jal hier de minste willen zijn ?

' Daar ziet ge de algemeen-menschelijke zonde van den hoogmoed, In het bijzijn van den scheidenden Heiland twisten Zijne discipelen wie de meeste zal zijn. En alsof het nog niet genoeg ware. Daar schuilt onder die twaalven ook nog een verrader. Hij heeft zich tot in de plooien van des Heilands kleed zoeken te verbergen. Judas was één van de twaalven.

En ten slotte, als de Heere hun aller hart door Zijn alziend oog doorschouwt, dan merkt Hij daar enkel hooge gedachten van eigen kunnen, terwijl de werkelijkheid straks dit te zien geeft: zij zullen allen den Heere alleen laten staan, zij zullen allen Hem verloochenen. Wanneer we de rekensom van beide kanten eens mogen opmaken, dan is het zoo gelegen. Bij de discipelen niets dan een lange lijst van zonde, afwijking, ontrouw, terwijl van den Heere niet anders kan getuigd: nooit aflatende ontferming, nimmer afbrekende trouw.

Laat ons in dit licht ous tekstwoord lezen.

, Satan heeft grooten lust om Gods kinderen te verderven.

Uit dit woord des Heeren big kt het wel zeer duidelijk. Wanneer de Heere iets met bijzonderen nadruk wil zeggen, zoo herhaalt Hij den naam van hem of haar, tot wien Hij Zijne woorden richt.

Denkt maar een's aan „Martha, Martha, gy bekommert en verontrust u over vele dingen, maar één ding is noodig." Zoo ook hier.

Simon Petrus is de man tot wien de Heere Zijn bijzondere waarschuwingen richt. Hij zal het straks in het bijzonder noodig hebben.

Hij is de man, die o zoo gemakkelijk over de moeilgkheden heenblikte. Volgens, hem was het lang zoo erg niet ; als de Heere meende. Ziet, daarom dit woord aan hem.

Maar als ge nu mocht denken, dathet alleen Petrus gold, zoo dwaalt ge zeer. Daar staat: de Satan heeft ulieden zeer begeerd. Hier wordt dus gesproken van een meervoud. Het geldt al de jongeren. Daar is geen volk ter wereld waarnaar' zooveel en zulke begeerige blikken worden heengeworpen, n.l. door Satan, dan zij, die tot 's Heeren discipelen mogen worden gerekend.

De voorbeelden uit Gods hand zijn als het ware voor het grijpen.

' Een tweetal slechts.

Hebt ge ook acht geslagen op mijn knecht Job ? Alzoo de vraag des Heeren tot Satan.

Of hij acht heeft geslagen!

Hij weet alles van hem en de zijnen af. Hij heeft zijn gangen nagespeurd of het ook mogelijk ware hem in zijn strikken vast te leggen.

Dit is één.

Van koning David, den man naar Gods hart, lezen we ook een dergelijk iets. Als hij het volk liet tellen, zoo staat er „de Satan porde hem aan, ja onder toelating Gods kwam het zelfs zoover dat hij het deed.

De Heere, zoo kunt ge hieruit merken, geeft aan Satan de macht om zijn werk te beproeven. Hij mag de toets aanleggen. Is dit iets dat ieder van Gods kinderen aanmaant toch ten alle tijde waakzaam te zijn en den Heere aan te loopen, ter anderer zijde wordt hierop het oog gevestigd : alles staat onder des AUerhoogsten bestel. Zijne oogen zijn over de Zijnen open. Hjg weet hoe ver het gaan kan. Het zal ten slotte toch nooit iets anders uit kunnen werken daü aantoonen 's Heeren trouw, , de deugdelijkheid van Zijn werk.

Satan doet nooit iets wat de Heere niet weet. En zijne maght reikt nimmer verder dan de Heere hem toelaat. Doch niettemin is daar een voortdurend waarschuwen van noode.

' Als op één ding in de prediking van den Heere Zei ven en van. al Zijne Apostelen de nadruk wordt gelegd is het dit „waakt en bidt."

De duivel gaat rond als een brieschehde leeuw en als een Engel dès lichts. Geliefde lezer, ge hebt er geen voorstelling van in hoevelerlei gedaante zich de menschenmoorder, de zielenverderver niet weet te vertoonen. Hij komt in 'allerlei gestalten binnen.

Als de Heere voor Zich en Zijne discipelen een laatste samenzijn gereed maakt, meent dan maar niet, dat Satan dit twaalftal met Hem alleen laat binnengaan, neen, hij treedt sOok jaader. En als ze allen binnen zijn is hij de onzichtbare, doch zeker tegenwoordig zijnde onruststoker. Onmiddellijk begint hij zijn werk. Hij zegt eerst tot den een en dan tot den ander „gij behoeft hier zeker geen slavenwerk te verrichten? Gij zqt niets minder dan hij. Neen, dan maar ongewasschen aan den maaltijd." Heel de atmospheer is spoedig door Satan gansch vergiftigd.

Het booze hart, dat er bij allen blijft wonen, is zulk een. gemakkelijke wijkplaats: Daar verschuilt de onruststoker zich zoo licht.

Wie daarop niet verdacht is wordt, eer hg het weet, medegevoerd en gevangen genomen.

Ziet, de discipelen hadden er niets van begrepen dat Satan met die twistvraag : wie toch de meeste wel onder hen mocht zijn ? hen, allen zocht af te yoêren van den Heere.

De lijnen, welke vanuit dij. punt getrokken kunnen worden zijn zoo vele. Vooreerst deze:

Daar is toch maar geen enkel plekske veihg hier op déze wereld voor Satans sluiptred. Hij komt waar Gods Kerk vergadert, in de meest zuivere Kerk ook.

Hij kwam zelfs waar de Heere tezamen was om met Zijn jongeren Zijn eigen dood te gedenken. Gelooft het maar zeker, zoolang de Gemeente van Christus de pinnen nog indrijft in het stof, zoolang ze niet bij den Heere inwonen in den hemel, is de Satan degene, die achter den poortwachter langs naar binnen sluipt.

De meest gevorderden in de genade zijn net zoo min voor zijne inblazingen veilig, als die pas op den weg zijn gezet. Alleen is er dit verschil, het kind dat al zooveel pijnlijke slagen heeft ontvangen, stelt wat zijn neigingen, zijn ervaringen, zijn gedachten betreft, steeds minder vertrouwen in zichzelven. Daar leeft de bede:

Maak in Uw Woord mijn gang en[treden vast. Opdat ik mij niet van Uw paan moog keeren. En wordt mijn vleesch door 't kwade [licht verrast. Ai, laat het mg toch nimmer overheeren.

De discipelen waren twistende wie van hen toch wel de meeste zijn mocht. Vindt ge dit niet iets verschrikkelijks? Roept het bij u niet wakker de vraag door den Heere gesteld: hoe lang zal Ik u nog verdragen?

En toch blijft Hij het doen. Door het eigen voorbeeld bestraft Hij het kwaad het allersterkste. Hij wordt aller dienaar.

Dit exempel wordt duidelijk gevoeld. Wij weten dat de Heere met deze voetwassching ook nog iets anders heeft willen afbeelden, n.l. de wassching in Zijn bloed.

Maar nu komt het verschrikkelijke pas aan. Ge zegt: is dit eene dan al niet genoeg? Heeft Satan al niet veel te veel te zeggen gehad, als hij twisting wekt bij het aanzitten. -

Och Gel., wat nu wordt bloot gelegd, stelt 'alles wat voorafging verre in de schaduw. Denkt het u eéas in wat daar plaats heeft.

Terwijl de Heere bezig is met Zg^e discipelen den Paaschmaaltijd te houden, wordt Hij opeens zichtbaar ontroerd. Zijn oogen loopen vol met tranen en Zijne stem wordt week. j, Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, dat een van ulieden Mij zal verraden."

Stelt u dat eens voor.

De strijd om de meeste te willen zijn, de hoogmoed, is in het oog des Heeren iets verschrikkelijks; maar met welk een naam moet dit kwaad dan worden aangeduid? Een, die den Heere verraden zal, een die jaren lang Zijn wonderen heeft aanschouwd. Zijne prediking heeft beluisterd, een eigen discipel des Heeren, een die daar mede aanzit aan den Paaschmaaltijd !

Maar Heere, zoo rijst in uwe ziele de gedachte, waarom hebt Gij hem' niet veel, eerder ontmaskerd, hem weggeworpen, ' hem geheel losgelaten ?

Omdat Hij de Heere is, omdat Hij in alles den diepsten en smadelgksten weg moest loopen. Dezen Judas moest Hg dulden, dragen en sparen. Tot aan het allerlaatste oogenblik toe heeft de liefdevolle Ontfermer aan Judas Zijn sparende goedheid nog verheerlijkt.

Nimmer en nooit mag bg u de gedachte post vatten dat er in 's Heilands ziel ook maar dé minste koudheid tegenover dezen schijn-discipel is geweest. Al het kwade valt op Judas geheel terug. Hij draagt geheel de verantwoordelijkheid al weten wij — en d.i. de vertroosting der discipelen— dat ook dit allerschrikke-Igkste kwaad mede is dienende, ja, een onlosmakelijke schalm in het verlossingswerk des Heeren. Deze bitterheid moest Hem worden aangedaan.

Satan had een dep eigen jongeren als een speelbal tusschen zijne vingeren om er. den Heere door in den dood over te leveren.

Waarlijk, we vatten het niet, als we dit punt onbelicht laten. Het heeft den Heere tot in het diepste van Zijn ziel geroerd, als Hij Judas openbaar moet maken.

Wat moet nu hieruit voor leering getrokken?

Dat de macht van Satan aan's Heeren discipelen op het luidste worde gepredikt. Over zooveel listigheid heeft de zielemoorder nu te beschikken, dat zelfs déze kring niet is gevrijwaard gebleven. Maar niet minder 's Heeren trouw. Hij blijft als Voorbidder staan.

Zou er ooit een prediking zóo hebben ingeslagen, wat dunkt u?

Dat het ons moge gaan gelijk het den discipelen des Heeren ging; dat we ons tot Hem wenden, Hem vallende op de borst I

Dat deze bede van den dichter ook onze vraag zij:

Doorgrond en ken mijn hart, o Heer, Is 't "geen ik denk niet tot Uw eer. Beproef m' en zie, of mijn gemoed Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed'. En doe mij toch met vaste schreden Den weg der zaligheid betreden.

Ter oorzake van en om.de wille van den Voorbidder, die met Zijn volmaakte offerande is ingegaan, heeft Satans hand aan Gods volk geen vat en karnen zij eenmaal allen binnen. -

Ook gij, lezer?

Geve de Geest des Heeren u daarop dit antwoord: door genade ja.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's