VERSLAG
van de Jaarvergadering van den Geref. Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid In de Ned. Herv. (Geref.) Kerk,
Verslag van de Jaarvergadering van den Geref. Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid In de Ned. Herv. (Geref.) Kerk, gehouden op Donderdag 15 Maart 1917, in het Gebouw voor K. en W. te U, trecht.
Was het ditmaal, tengevolge van de gehouden Jaarbeurs, wat later dan'gewoonlijk dat we ter jaarvergadering wa°ren saamgerbepen, de vrees, dat daardoor de belangstelling minder zou wezen, werd beschaamd. Wel bleek het goed gezien van het Bestuur der Utrechtsche Afdeeling, dat dit jaar de grootste zaal van het gebouw van K. en W. niet noodzakelijk was, maar een der andere zalen van dat gebouw, waar we ook voorheen meermalen een gezegend samenzijn hadden, was vooral in de morgenvergadering geheel bezet, en ook in de middagsamenkomst bleken niet zoo heel veel plaatsen le^i^ te staan.
Onze voorzitter, ds. van Grieken van Delft, opende ten 11 uur de vergadering met het doen zingen van Ps. 147 : 6, het voorlezen van Lukas 8 : 1—15 en gebed. Daarna spreekt hij als volgt:
Geachte Vergadering!
De gewoonte der laatste jaren eerbiedigend, ga ik een kort woord spreken tot opening van deze morgen vergadering
En dan heet ik U allen hartelijk welkom aan deze plaats. Waar de reisgelegenheden niet gemakkelijk en bovendien kostbaar zijn, stellen we Uwe tegenwoordigheid dubbel op prijs. En zal ónze vergadering vandaag wel niet zoo druk bezocht worden als we de laatste jaren gewoon zijn, wij hopen hartelijk dat niemand er spijt van zal hebben de moeilijkheden en de hooge kosten aan de reis verbonden, getrotseerd te hebben, deelend in dé winst die de Heere génadiglijk leggen mag in dit jaarlijksch samenzijn.
We leven nog altijd te midden van het ongetemd woeden van den verschrikkelijken wereldkrijg.
Wanneer de vrede komen zal weet niemand. Nog minder wat de vrede aan de menschheid brengen zal.
Onze bede is, dat het den Heere behagen mag, om den oorlogsfakkel spoedig te dooven.
Maar inniger nog is ons gebed, wanneer we gedenken het leven der volkeren en het leven van öns volk, dat de Heere met den vrede een nieuwe periode voor het loven der natiën en ook voor óns "Vaderland mag doen aanbreken.
"Wij bedoelen dit: De laatste jaren heeft de wetenschap groote vorderingen gemaakt. Telkens zijn nieuwe uitvindingen gedaan. De handel heeft zich uitgebreid. De industrie' heeft zich ontwikkeld. De volkswelvaart is toegenomen. Ook de kennis heeft zich vermeerderd.
Wat heeft zich alles'prachtig ontwikkeld!
Door voordrachten, lezingen, door arikelen in couranten en tijdschriften, oor lichtbeelden en tentoonstellingen is oovéel, zoo héél veel gepopulariseerd en groot en klein, intellectueelen en eenvoudigen hebben zich veel 'kunnen toeigenen en in zich kunnen opnemen.
We kregen haast te veel van 't goede. Het verstand moest maar opnemen, al. meer opnemen; en er werd geen tijd gelaten om al het gehoorde en al het gelezene en al het geziene te verwerken, In den maalstroom van het interressante, ; van het belangrijke, van het groote, van! het nuttige, van het aangename werden we saam hoe langs hoe meer meegesleept. En bij dat alles werden wij 'en onze kinderen hoe langs hoe meer afgetrokken van de geestelijke dingen; het werd een' gejaagd leven, zonder geestelijke bezining, zonder geestelijke rust, zonder geeselijk welvaren en zonder geestelijk leven, Schatten hebben zich opgehoopt. "Verfijndö weelde kwam; stoffelijk genot bood zich overal. Maar het hart werd op rantsoen gesteld. De ziel werd ondervoed.
De geest leed honger. En we zagen het, we merkten het op, we vestigden er ook de aandacht op, doch intusschen leefden we voort in den zelfden gang, meegetrokken door de zucht om voor ons en Voor onze kinderen een mooie plaats in de maatschappij te veroveren.
Dat werkte ook in op de Kerk.
Klaagt men niet in de Roomsche Kerk van afval? Is er geen brochure geschreven: „veruitwendigen onze Geref. Kerken? " En wordt er in het midden van onze Herv. Kerk ook niet de verzuchting beluisterd, dat de sfeer waarin we leven zwaar is van weipig geestelijk, écht materialistisch denken, spreken en handelen?
De wereld ging op verovering uit in de Kerk en de verslagenen zijn te tellen bij duizenden en duizenden.
Nu zit daar de belijdenis-kwestie zeer zeker tusschen, dat onze Herv. Kerk ook niet is wat zij zijn moest te midden van diegroote, stage beweging en ontwikkehng van wetenschap en kunst, van handel en welvaart, van oef|ning en uitspanning,
Zij kon niet zijn een trouwe getuige, een pilaar en vastigheid der waarheid, omdat zij veel te véél was en is een huis als tegen zichzelf verdeeld.
Maar we willen ook op een. andere "zaak eens wijzen.
Daar is in het midden van onze Hervormde Kerk, die in het midden des volks krachtens haar traditie staat als de „groote" Kerk, een opleving wat betreft het zoeken van een gereformeerde prediking, in stad en dorp, in het Noorden en het Zuiden, in het Oosten en het Westen van ons land.
We zeggen niet, dat dit altijd geschiedt terwql men zich in alles bewust is wat die gereformeerde prediking inhoudt, vraagt en geeft. Maar 'een feit is — we zouden dit met sterk sprekende en zeer frappante voorbeelden kunnen aantoonen — dat men hoe langs hoe meer in de Hervormde Kerk naar geref. predikanten zoekt en vraagt.
Dat is ondanks onze zonden.
Maar dat moet tot ons spreken óok met het oog op de toekomst.
De oorlog ploegt de landen om.
Wie weet wat ook ons land nog wacht! Of verzamelt men zich in het Oosten niet, omdat men in het Westen gevaar ducht ? Trekt men zich aan de Oostkant niet saam, omdat van den zeekant dé vijand wel eens kon naderen op 't onverwachts?
En dan wordt ons Nederland de dupe van de historie.
De Heere bewake dit dierbaar plekje gronds en spare ons volk voor den vernielenden krijg, vol moorden en branden! Maar hoe het gaat, zoo gaat het — wanneer de tijd des vredes daar is, dan zal op den akker het goede zaad" met volle handen moeten worden uitgestrooid.
Onze tijd is een zoekende tijd. Onze tijd is gevangen door het materialisme. Natuurwetenschap en techniek hebben 's menschen blik van het inwendige geheel afgetrokken en het oog naar de wereld daarbuiten gericht. Tusschen de ovens en onder de schoorsteenen zijn onze arbeiders in hun geestelijk leven verschroeid en verschrompeld. Maar de geest roert zich. Men ziet overal weer éen opleven, een zoeken van de geestelijke dingen. En daar moeten we acht op geven, ook waar er zooveel valsche waar aan de markt wordt gebracht..
Men klopt aan de deur van het geestelijk gebouw. Maar men vindt de fundamenten zoo wankel. Men vindt het gebouw verre van voltooid. Er blijven zooveel vragen. Alles wordt bovendien tot een probleem gemaakt. Alle vastigheid is weg. Het optimisne en het enthousiasme van vroeger is er niet.
Toch kan de mensch van het onzekere niet leven. Hij is zoekende, maar kan niet bij het onderzoeken blyvén. Het moet tot een resultaat voeren, men wil het positieve.
En daarin zien we mee een van de oorzaken, dat ons volk weer vraagt naar de prediking, en dan wel naar de gereformeerde prediking; omdat daarin de meest vaste lijnen getrokken wofden en de vastigheid der eeuwige waarheid met het absoluut karakter van Gods Woord daarin op den voorgrond gesteld wordt, benevens de algeheele verlorenheid van den mensch n het alles bedekkend verzoeningswerk van Christus, in verband met den eeuwigen-raad Gods én de gedachten Zijner eeuwige ontfermingen.
En nu voelt ge wel waar we heen willen. Onze Geref. Bond heeft-te werken, middelen en wegen te zoeken, opdat de steenen van het veld der Kerk mogen worden weggeruimd en zij daar mag komen staan in het midden des volks als een getrouwe getuige van Jezus Christus. Maar intusschen is óok zijn zaak, om de volle aandacht te schenken aan déze zaak: dat we toch arbeiders krijgen om uit te gaan in den wijngaard des Heeren, zaaiers van het goede zaad, die uitgaan op het veld, dat God in het midden van ons volk ons gaf, zeggende: werkt zoolang het dag is!"
We willen de zaak van de opleiding an onze aanstaande herders en leeraars op den voorgrond schuiven.
Want er is. een wondere samenloop van wegen.
Weinigen toonen lust te hebben tot het ambt van dienaar des Goddelijken Woords. Of liever: weinigen bereiden zich voor tot dit heerlijk en kostelijk ambt. En intusschen worden er hoe langs hoe meer gereformeerde predikanten in onze Hervormde gemeenten gevraagd.
Daar moeten we winste mee doen.
De behoefte moet ons vindingrijk maken en met ijver vervullen, om de weinigen zoo mogelijk tot velen te maken.
Wat zijn er weinig predikanten! Weinig in de groote steden. Weinig in de groote dorpen. Weinig in de uitgestrekte heidevelden en weinig in de mijndistricten En van dat kleine aantal predikanten voor die duizenden en tienduizenden in stad en dorp, is het getal van de gereformeerden naar verhouding zoo gering — terwijl er méér begeerd worden.
Vermeerdering van predikantsplaatsen is dan ook zoo dringend noodig. Do gemeente zelve moet hiervan de noodzakelijkheid gaan voelen en de handen uit de mouwen leeren steken. We moeten nieuwe middelen en wegen daartoe gaan zoeken.
Maar öns moet bizonder aan 't har gaan de vraag: hoe komen we aan mee gereformeerde predikanten in onze Herv
Kerk, die er naar vraagt, terwijlze er niet zijn. . ' Meer willen we er voor dit oogenblik niet van zeggen. Misschien is er van middag nog wel gelegenheid om verder over deze»zaak te spreken. Makr dit wilden we toch even naar voren brengen in deze Openbare Samenkomst, die aan onze Leden-vergadering vooraf gaat, opdat men wete dat de Geref. Bond zich beijvert om de steenen weg te ruimen die er op de erve onzer Kerk liggen, maar niet minder zich bezig houdt met alles te doen wat mogelijk is om den akker der Kerk te doen bezaaien met goed zaad, waarbij de bede is: „Heere, stoot Gij arbeiders uit tot dit werk" — welke bede gepaard gaat met het ernstig streven, om in den middellijken weg daartoe het pad effen te maken, opdat nog mogen ingaan tot dit werk des Heeren, die anders misschien niet zouden komen.
En hiermee openen we deze onze 12de Bondsvergadering, het woord gevend aan den geactten referent voor dezen dag: Ds. J. Goslinga, lid van ons Hoofdbestuur, predikant bij de Ned. Herv. Gemeente te Utrecht.
Ds. Goslinga spreekt hierop - over zijn aangekondigd onderwerp „De hand niet afgetrokken.""
Aangezien dit referaat echter binnenkort in druk zal verschijnen kunnen we hier volstaan met hét volgend kort resumé:
Deze tijd maant meer dan ooit tot behoedzaamheid; misdadig is thans het aanblazen van strijd onder broederen.
Toch mag niet gezwegen worden, nu wij strijden voor een rechtvaardige zaak.
Zoolang de toestand in de Kerk abnormaal is, moeten wij blijven vragen naar den weg tot gezondmaking. „Hoe zal Uw Kerk, o God, weer vragen naar Uw Woord? " Niet als een groep, msiar als geheel. In heel onze historie is de loswikkeling uit zondige banden nimmer zoo maar ineens gegaan. Het was altijd een weg door duister heen. Het was altijd een werk van God alleen. Wat ook wegbrokkelde, er was altijd een groot deel in de Kerk, dat bleef bij Gods getuigenis.
Wij mogen de Kerk ondanks alles niet loslaten. Di© vasthoudendheid is van dezelfde makelij als die van Mozes. Wij kunnen niet anders dan een beroep doen op Gods beproefde ontferming. "Wij kunnen ophouden te bidden, wachtende alleen op Hem. Als wij aan menschelijken raad het oor leenen, raken wq spoedig het spoor bijster. Wat zijn er al niet 'n oplossingen aangegeven!-Het kerkelijk vraagstuk kan slechts «opgelost worden voor allen tegelijk; anders is 't geen oplossing.
Alle scheiding geeft slechts temeer verwarring. Het innerlijke leven verschrompelt onder dat alles en de wereld gaat spottend voorby, wijzend op het gebrek aan liefde. Het oude ééne leven heeft plaats gemaakt voor honderd kleine leventjes, die elkaar ver-eten en verbijten. Van tucht is geen sprake meer, Onze overtuiging wordt steeds meer, dat alle vensters gesloten moeten worden; alleen het venster naar Jeruzalem uitziende, blijve geopend. Wij zullen vertrouwend wachteii en onze hand.niet aftrekken. Wij zijn van God op onze plaats gesteld en blijven er staan. Men wil ons kwijt, maar zoover komt het niet. Aan een sarnonwonen met confessioneele broeders kan nog niet worden gedacht. Nog niet de minste toenadering is te merken. Moge uit dit constateeren herziening ontspruiten! Voorloopig zullen wij alleen blijven staan. Doch er is een schare volks, die nog niet mede optrekt, en toch bij ons hoort. Wij willen onze fouten niet verzwijgen, maar ze uitstallen in het publiek, getuigt niet van levenswijsheid en wetenschap. Ons oog móet gevestigd blijven op een Gereformeerde opleiding. De School heeft, menschelijkerwijs gesproken, zoo ontzettend veel in vloed. En als op den kansel niet het "Woord Gods gepredikt wordt, is dat dan niet vaak het gevolg van wat op onze Hoogescholen geleerd wordt, terwijl onze laksheid mede de schuld is, dat deze onzuivere leering mogelyk is? Spreker besluit met een geestdriftige opwekking,
Als ds. Goslinga gezegd heeft, dankt de Voorzitter hem voor dit ware woord dat met gloed werd voorgedragen. De Voorzitter merkt op, dat we juist zulk een woord noodig hadden, vooral in deze dagen waarin de nieuwsbladen ons meldden dat twee mannen, die zich voorbereid hadden tot het predikambt de hand van de Herv. Kerk wèl hebben afgetrokken, doordat zij tot de gescheidene Kerken zijn overgegaan. (Gedoeld werd op de h.h. J. F. Dijkstra en D. J. Couvée.)
Daarom deed hef ons goed dat ds. Goslinga op de vraag: "Wilt gijlieden ook niet weggaan? zoo beslist een ontkennend antwoord gaf.
Van de gelegenheid om opmerkingen te maken, vragen te stellen of met den referent van gedachten te wisselen, werd in eerstbedoelden zin alleen gebruik gemaakt door ds. Dekker ert ds. Boonstra.
Ds. Dekker doet een vraag over het houden van een gemeenschappelijken bidstond, die in een plaats van ons vaderland dezer dagen gehouden werd, waarin predikanten van vier ondeirscheidene Kerken waren voorgegaan. Referent antwoordt hierop dat het niet zijn bedoeling geweest is een afkeurend oordeel uit te spreken over dien bidstond zelf, maar wel over het feit dat er in bedoelde plaats vier Kerken zijn.
Ds. Boonstra voelt zich alleen geroepen even te zeggen hoe noodig het is dat we goed verstaan de dingen die in het referaat van ds. Goslinga op den voorgrond zijn gesteld. Hij acht dat er dingen gezegd zijn die zóó schoon en zoo ernstig te bedenken zgn, dat zij, als we wellicht dit referaat wel afzonderlijk gedrukt zullen krijgen, wel cursief gedrukt en onderstreept mogen worden.
Nadat de Voorzitter hierop nog mededeeling heeft gedaan van ingekomen berichten van den heer Smit, lid van ons Hoofdbestuur, en van ds. Lans dat zij verhinderd zijn de vergadering bij te wonen, en herinnerd heeft aan de collecte en aan de 'gelegenheid tot lid-worden die bij het verlaten der vergadering bestaat, wordt de morgenvergadering door hem gesloten, nadat nog gezongen is Psalm 77 : 7 en ds. Goslinga in dankzegging is voorgegaan.
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's