Vragenbus.
VRAAG. . Is het wel juist als men als anti-gezangenman zegt, dat de Psalmen in den Bijbel staan, maar dat men geen gezangen in den Bijbel vindt en dat de Psalmen van God gegeven zijn aan Zijn Kerk, terwijl er geen gezangen mogen worden gezongen? Is het Nieuw-Testamentische lied onder de Nieuw-Testamentische openbaring van het heil in Christus bq onzen Protestantschen eeredienst verboden?
ANTWOORD. We kunnen uit den.aard der zaak de gezangen-kwestie hier niet in den breede behandelen. Daarom slechts een paar korte opmerkingen:
In de H. Schrift komen Wèl gezahgen voor. Geen poëtisch boek vinden we evenwel in 't N. Testament. Maar de N.-Testamentische bedeeling is in deze anders dan de O.-Testamentische. De eeredienst is nu anders dan in den tijd der schaduwen. De H. Geest is nu uitgestort; die wil leiden in alle waarheid, 't Een zoowel als 't andere dienen we in 't oog te houden. Maar men moet niet zeggen: in 't N. Testament komen geen gezangen voor. Het N. Testament opent met een liederenbundel. Heeft men dat nog nooit opgemerkt ? En de lofzang van Zacharias dan ? En, die van Elisabeth en Maria en Simeon? En het lied der Engelen?
Onze Vaderen hebben geen' bezwaar gehad tegen eenige gezangen als Nieuw-Testamentifcche liederen te zingen in het midden van de Gemeente. En wij hebben ook geen bezwaar de Gemeente b.v. den lofzang van Zacharias op de lippen te leggen.
.Wanneer we dan ook, in een^wèlgeordende Kerk, een gepaste verzameling van Nieuw-Testamentische , liederen hadden, waarin het Evangelie Gods, in Jezus Christus geopenbaard, door de Gemeente kon bezongen worden, dan zouden wij in 't minst geen bezwaar hebben om saam, naast onze Psalmen, die N-Testamentische liederen te zingen. En zoo zijn er in de Herv. Kerk, in de Geref. Kerken en in de Chr. Geref. Kerk zeer velen. Indien we die Nieuw-Testameniische liederen hadden! Doch daar ligt juist de oorzaak van het niet gezangen-zingen onder ons. Wij bedanken er stichtelijk voor om de gezangenbundels, die ons in het midden Van de Herv. Kerk worden voorgelegd, te aanvaarden. Daar hebben we kerkrechtelijke bezwaren tegen. Maar veel meer nog dogmatische bezwaren. Ook is er aan den gezangenstrijd een zoodanige geschiedenis verbonden, dat een gereformeerd mensch er altijd nog een beetje huiverig van wordt. Wat heeft meu 't ook in den beginne dwaas aan gelegd met die-gezangen! Toch hebben Godzalige menschen er wel uit gezongen, uit die evangelische gezangen. Er zijn er wel, die met een gezangvers op de lippen naar de eeuwig heid zijn afgereisd. En er zqn tal van Geref. predikanten, die zoo nu en dan een gezangvers aanhalen; terwijl in onze huisgezinnen wel gezangen gezongen worden, gelijk ook de kinderen op de School wel gezangen leeren.
Waarom ook niet?
Het is toch zeker niet onschriftuurlijk om te zingen van het heil des Beeren, in Jezus Christus geopenbaard? Wat dé triumfeerende Kerk hierboven doet, nl. zingen ter eere van het Lam Gods, dat kan, in beginsel genomen, hier op aarde nooit zonde zijn, noch ongeoorloofd. In f tegendeel I Hier moet een voorsmaak zijn van 't geen boven is. En dus moet ook nu in beginsel worden gedaan wat eenmaal hierboven volmaakt zal geschieden. En dus te zingen: „Jezus, Uw verzoenend sterven blijft het rustpunt van ons hart" is nog zoo kwaad niet, evenals het ook nooit zonde kan zijn om als Kerk des ' Heeren te zingen tot eere van een drieëenig , God, met dfi woorden: „Wij loven U, o God, wij prijzen Uwen Naam".
Wij gelooven dan ook niet, dat er veel gereformeerde menschen, die in Jezus Christus de openbaring van het heil des Heeren mogen kennen, zouden gevonden worden, die op goede gronden ten slotte bezwaar zouden maken in het midden van Gods huis een lied aan te heffen tot eere van den Heiland, die rijk was, maar arm werd, om zondaren rijk 'te maken — als we maar een wèlgeordend kerke-Igk leven hadden en op wettige wijze een verzameling. van Nieuw-Testamentische liederen, die naar uitwijzen van Gods Woord zijn, in gebruik was'gesteld onder ons.
Maar die kerkelijke bundel van gezangen, ' welke ons is opgelegd en die een wondere verzameling van allerlei doorelkaar bevat, die smaakt ons niet. Juist ook met het oog op de groote heilsfeiten, op de g< beurtenissen die op de feestdagen worden herdacht, zinnen ons maar héél weinig liederen uit den ouden gezangenbundel! Ze zijn niet Schriftuurlijk en niét in overeenstemming met onze belijdenis. En ook al gaan ze nog niet bepaald tegen de Schrift in, ze drukken toch niet uit, wat de Heere ons in Zijn Woord heeft geopenbaard; 't gaat niet om die echte, voile, heerlgke Nieuw-Testariientische waarheid.
En dat heeft ons gereformeerde volk wel gevoeld, temeer waar men in den beginne dwingend inzake het gezangenzingen optrad (tot 1864).
Daarom kunnen, we het best verstaan, dat honderden en duizenden in onze Herv. Kerk geen gezangen zingen bij de godsdienstoefeningen. Dat is als een zegen te beschouwen. Want dat heeft mee een sterken dam opgeworpen tegen al dat invoeren, van heele en halve waarheden, met heele en halve leugens handig dooreengemengd, zooals men daar vooral in de 19de eeuw bizonder ëlag van had om dat te doen.
Mee door het niet gezangen zingen is de waarheid Gods in onze Herv. Kerk duidelgker in 't licht getreden en ijveriger bewaakt en gezocht. Velen bedankten I er voor, om geheel te vervallen in allerlei algemeenheden; en ons gereformeerd kerkelijk meelevend publiek weigerde constant om gezangen te zingen; uit liefde tot' de Schriftuurlijke waarheid.
Men moet daarom o. i. wèl onderscheiden.
Van gezangen-bundels als zoodanig moeten wij niets hebben. En die moet men in onze gereformeerd gezinde Hervormde Kerken ook niet invoeren hier en daar. Laten anderen maar met dat mengelmoes blijven zitten! Laten zij, die niet weinig eigenwijs zijn dit gerecht op tafel gezet hebben, dreigend met moord en brand, als men er niet van eten wilde, zelf dat kostje maar slikken. Maan dat zegt nog volstrekt niet, dat we tegen Nieuw-Tèstamentische liederen zijn.
De lofzang van Zacharias enz. zingen, we gaarne mee en laten haar gaarne zingen bij tijd en gelegenheid.
En zelfs Nieuw-Testamentische liederen, die niet zoo letterlijk in de Schrift voorkomen als dat met de lofzang van Maria, Simeon, ^Zacharias enz. 't geval is, zouden we wel willen zingen, indien we in een wèl geordende, Gereformeerde - Kerk een verzameling' van Nieuw-Testamentische liederen hadden, die geheel Schriftuurlijk waren en den Geest Gods ademden.
Of wij dan niet van den regel: „inde Kerk niets dan Gods Woord" afwijken? Neen! Net zoo min als we. dat doen, wanneer we in het midden der gemeente den Heidelb. Catechismus voorlezen en behandelen.
Dat is óok niet een boekje, dat bestaat uit stukken uit den Bijbel.
Maar dat is een boek, dat de Kerk van Christus in deze landen in ordel^ken weg ontvangen heeft, geheel naar uitwijzen van de Schrift en kennelijk een bizondere gave des Geestes, Die de Gemeente in alle waarheid leidt.
De preek is niet een opzeggen van stukken uit den Bijbel.
De Catechismus is niet een verzameling van Schriftgedeelten. In ons liederenboek behoeven ook niet alleen liederen te staan, die letterlijk zoo in den Bijbel voorkomen. ,
't Gaat er maar om, of het in de Kerk van Christus in ordelqken weg naar het Woord toegaat, onder kennelijke leiding des Geestes. Dat moet inzake de prediking; óok in betrekking tot de Kerkregeering; óok inzake het zingen van Psalmen en geestelijke liederen 't geval zijn.
Nog eens, de gezangenbundel, in onze Herv. Kerk gebruikelqk, staat ons niet aan.
Men heeft ook niet het recht, ons alles in de hand te stoppen met den eisch, dat men dat maar zoo moet aanvaarden. En dubbel dwaas is het, om dat te zeggen: als ge dat niet doet, zijt ge niet.... Gereformeerd !
Maar met onze bezwaren tegen den Gezangenbundel en dankbaar zgnde, dat ons volk nog geestelijke voelhorens heeft gehad, om maar niet alles aan te nemen wat werd voorgezet — voelen we toch ook wel, dat we daarmee nog niet de kwestie hebben afgehandeld: hooren er in de Nieuw-Testamentische Kerk ook Nieuw-Testamentische liederen gezongen te worden tijdens de godsdienstoefeningen.
Dat is weer een heel andere kwestie. En dèn zouden we, als we in een welgeordende Kerk leefden en de leiding des H.-Geestes mocht in deze worden waargenomen, geen bezwaar hebben om met Nieuw-Testamentische taal te zingen van het heil des Heeren in Christus geopenbaard en den eenigen troost des christens, beide voor. 't leven en 't sterven.
Dè gezaligden in den hemel hebben ook geen bezwaar om een Nieuw-Testamentisch lied aan te heffen tot eere van het Lam Gods.
En in beginèel past het ook de strqdende Kerk hier op aarde te zingen van het heil onder de Nieuwe Bedeeling in Jezus Christus geopenbaard.
Of zouden we in de Nieuw-Testamentische Kerk wèl historische psalmen mogen zingen, om te gedenken wat Farao, Mozes, Jozef en David deed — om tfe gedenken wat er in de, woestijn, bij Massa en Meriba geschiedde — en zouden we dan niet mogen zingen van Bethlehem, Golgotha, Jozefs hof, den Olijfberg, de uitstorting des H. Geestes, de uitbreiding van Gods Koninkrijk onder de heidenen, enz. enz.?
Zouden we niet mogen zingen van Davids groeten Zoon, Sions Heiland, Losser, Zaligmaker en Koning?
Zouden we dat niet mogen doen, staande in het midden van deze Nieuw-Testamentische Bedeeling, waarin de ceremoniën en schaduwen zijn voorbij gegaan en de beloften in vervulling zijn getreden?
Immers ja.
Maar daarvoor heeft men in onze Herv. Kerk den weg afgesneden en versperd. Waarbij we wel hebben toe te zien, dat men ons en onzen kinderen maar niet wat in de handen stopt !•
Juist omdat we de waarheid in Jezus Christus voor Zijn Kerk willen hoog houden naar uitwazen van Gods Woord, bedanken we er voor om de Kerk wat te laten opleggen wat niet is naar onze belijdenis.
VRAAG. Welk gezag hebben onze belijdenisschriften ?
ANTWOORD. Onze belijdenisschriften zijn de drie Formulieren van Eenigheid, zijnde de Nederl. Geloofsbelijdenis in 37 artikelen, de Heidelbergschè Catechismus in 52 'Zondagsafdeelingen en de 5 Leerregels van Dordt tegen de Remonstranten. Drie dus en niet twee. Men heeft 't wel. eens willen voorstellen dat men in '1816 van „aangenomen belijdenisschriften" sprak om zoo de Dordtsche Leerregels uit te schakelen. Maar niemand minder dan Prof. Scholten beweerde, dat dit niet aangaat. We'hebben drie belgdenisschriften in onze Herv. Kerk. En nog altijd moet de proponentsformule, alsook de belijdenis vragen en art. 11 Algem. Reglement bij dat licht beschouwd worden.
Men mag, rechtens, in geest en hoofdzaak van die drie belijdenisschriften niet afwijken. Ook heden ten dage niet! Welk gezag we nu aan die drie bélijdenisschriften hebben toe te kennen?
Die belijdenisschriften willen zelf niet boven Gods Woord gesteld worden (zie o.a. art. 7 Nederl. Gel.-bel.). Dat heeft onze Herv. (Geref.) Kerk ook nooit geleerd of geëischt. Zij zijn dus ook geen bronnen der 'waarheid. Dat is Gods Woord alleen; dat is de regel voor leer en leven.
Maar de belijdenisschriften zijn getuigenissen der Kerk. En aan die belijdenisschriften heeft de Kerk altijd behoefte gehad, om in haar eigeni taal onder de leiding des Geestes, Gods Woord na te spreken.
En zóo zijn ze ook van groote waarde. •Ze zijn tot verduidelijking en bevestiging der goddelijke waarheden. Ze zijn de vertolking van het geloof der Kerk. En om de eenheid onder hare leden te openbaren en te handhaven, alsook om die eenheid naar buiten te vertoonen, zijn die belijdenisschriften onmisbaar.
De Kerk heeft die belijdenisschriften te handhaven, zoolang, niet bewezen is in wettig-kerkelqken weg, naar Gods
Woord, dat ze in strijd zijn met Gods getuigenis.
En de Kerk moet tot haar gemeenschap alleen toelaten — 't zij predikant of lid maat — die met deze formulieren van eenheid accoord gaat, belijdende dat daarin de duidelijke vertolking van Gods waarheid gevonden wordt.
Niets wat met die formulieren in wezen in strijd is mag in de Kerk worden toegelaten of geduld.
De formulieren bepalen de rechtzinnigheid harer leden.
En zoolang niet in wettig-kerkelijken weg bewezen is, dat ze strijdig zijn met Gods Woord, big ven ze zooals ze zijn
Heeft men bezwaren? Laat men het zegge! Maar, op grond van Gods Woord. Dan kunnen de formulieren worden herzien — in kerkelijken weg.
Gelijk wanneer de nood der tijden het eischt en het Kerkelijk-leven daartoe bekwaam is, in die aloude belijdenisschriften tegen nieuwe dwalingen, naar uitwgzen van Gods Woord, dient getuigd te worden, met duidelijke uiteenzetting van 't geen het geslacht van onzen tijd in zake de waarheid Gods noodig heeft te weten.
In de belijdenisschriften onderwerpt de Kerk zich dus aan Gods Woord en zij onderwerpen dan de leden der Kerk aan wet en regel, die gesteld zijn naar uit^ wijzen van Gods getuigenis.
Voor een gezond kerkelijk leven is een rechte kennis van en warme liefde voor de belijdenisschriften allernoodzakelijkst.
Onderstaande vraag en antwoord nemen we over uit het Weekblad Oude Paden. Het antwoord is van Ds. J. J. Knap te 'Groningen.
De heer M. K. te O. V. vraagt wat te verstaan zij onder de Oonfessioneele richting in de Ned. Herv. Kerk Hij meende altijd, dat zij tot grondslag Gods Woord had, zooals dit in de Formulieren van eenheid is uitgedrukt. Hij leest echter nog al eens over ethisch-confessioneel of ook linksch-confessioneel en nü schijnt het hem toe, dat zij, n meening over die groep niet geheel juist kan zijn.
Wij antwoorden, dat er bij de Confessioneelen zoover ons bekend is hartelijke liefde voor de Belijdenisschriften bestaat, omdat men overtuigd is, dat zij den inhoud van Gods Woord zuiver weergeven. Wel zal er ook onder hen, gelqk onder bijna alle groepen, een rechter-en linkervleugel zijn, maar wat de geloofswaarheden .betreft zijn zij hfitmet elkaar eens. Op dat punt is er dus geen verschil tusschen de mannen van den Geref. Bond en die der Oonfessioneele Vereeniging. Beide groepen komen op voor het recht van Gods Woord in de Kerk, evenals trouwens de aanzienlijke groep, die men gemeenlek naar Dr, Kohlbrügge noemt.
Het valt, uit dien hoofde te betreuren, dat er zoo weinig samenwerking tusschen de verwante groepen is. Maar dat schijnt af te stuiten, niet op geestelijke doch op ' kerkelijke inzichten, die nog al ver uiteen loopen.
De Confessioneelen houden vast aan de Volkskerk, de Gereformeerde Bond daarentegen noemt dit een illusie en pleit voor een belijdende Kerk.
Toch willen wij hiermee niet zeggen, dat de Confessioneelen geen belijdende Kerk wenschen. Ook zij willen dat wel terdege, zij het dan ook dat velen hunner vooraf de bestaande belijdenisschriften zouden willen aanvullen en op de hoogte van onzen tijd brengen. Wat zij dus nastreven is een belijdende volkskerk. En dat nu dunkt velen een luchtkasteel, dat geen fundament in den bodem der werkelijkheid heeft.
(Zonder commentaar overgenomen uit „Oude Paden", red.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's