Stichtelijke overdenking.
Ziet, de mensch. Joh. 19 ; 5b-
Ecce Homo.
We staan voor het rechthuis van Pilatus; en we zien daar Jezus staan, veracht, bespot, de onwaardigste onder de menschen, zonder gedaante of heerlijkheid, terwijl ook niemand Hem begeert. Maar gescholden — scheldt Hij niet. Geslagen — dreigt Hg niet. En van allen veracht en verworpen — is Hij de schoon-j onder de menschenkinderen, Sions volzalige Borg en Middelaar; de Vredevorst voor het ontrust gemoed.
Hoe komt Jezus daar?
In Gethsémané, door Judas verachtel^k verraden, is Hij als een moordenaar gevangen genomen en gebonden door Jeruzalems straten geleid naar Annas en daarna naar Kajafas, alwaar de Joodsche raad was saamgeroepen om het doodvonnis, te voren reeds vastgesteld, te bekrachtigen.
Zijn belijdenis, de Christus Gods-te zijn, kostte Hem het leven.
Het Sanhedrin was echter niet vrg om het vonnis te voltrekken. Althans niet op de manier zooals de Joodsche raad het wilde. Want niet alleen had men besloten tot Zijn dood, maar Hij moest aan het kruis sterven. Aan het vloekhout, opdat Hg zou worfen tot een vervloekte onder Israel, en Zijn eere voor goed geroofd zou zijn en Zijn invloed onder het volk voor altijd gebroken.
Want wie zou nog omzien naar een die aan een hout gehangen had? Naar iemand, die gesteenigd was of misschien in een volksoploop was gedood, zou men mogelijk nog kunnen vragen en Hem als martelaar eeren. Maar een vervloekte kruiseling zou den Jood tot een afgrijzen zgn en de zon van Jezus' glorie zou in helsche donkerheid alzoo ondergaan.
Vandaar dat de reis met Jezus van het Sanhedrin naar het paleis van Pilatus gaat. Nadat zij Hem in eigen kring valschelijk hebben beschuldigd, onrechtvaardig hebben gevonnist, bespuwd en bespot en geslagen, gaat het met den gebonden Heiland naar het Eomeinsche rechthuis. En daar schuiven ze niet een godsdienstige, maar een staatkundige aanklacht tegen Hem naar voren, opdat te PUatus zouden kunnen dwingen tot vonnissen en Jezus des te zekerder aan het kruis zou komen.
Daar staat de Heiland dan! Van Zijn volk verstooten. En van de heidenen niet aangenomen. De onwaardigste onder de menschen.
Wat gruwelgk van Israel! Dat ïs nu het oude bondsvolk; en als Jezus, Gods Zoon, de aan de Vaderen Beloofde, op aarde komt om te zoeken en zalig te maken wat verloren is, dan werpen ze Hem uit; ze leveren Hem over in de banden der heidenen; ze haten Hem met een doodelqken haat en ze zullen niet rusten aleer Hij hangt aan een vloekhout! Wel mag hier in herinnering gebracht Worden wat we lezen bg Jeremia: Mgn volk heeft twee boosheden gedaan: ij, den springader des levenden waters, hebbeu zg verlaten, om zichzelven bakken üit te houwen, gebrokene bakken, die geen water houden." (Jer. 2 : 13)
De bouwlieden verwerpen hier den steen, dien de Heere wilde leggen tot 6en hoofd des hoeks en die hun zou Worden tot een steen der verplettering.
Evenwel is de steen zelf niet vernietigd, '. maar wordt Hij hier van den Heere be-1 waard en geheiligd en gelegd om te zijn ; de steen der hope en der eaUgheid voor i degenen, die arm en verloren zich mogen kennen vanwege hunne zonden en schuld.
Pilatus voelt het wel, dat zij Hem zonder oorzaak haten. Dat zij eigenlijk niets kunnen inbrengen tot Zijne beschuldiging. En daarom zou hij Hem willen loslaten. Maar dan dringen de Joden hem. Dan werpen de Overpriesters hem tegen, dat hij bedenken moet dat hij heel wat op z'n geweten heeft en_dat zij dat zullen aanbrengen bij den keizer en dat zij zullen maken, dat hij in ongenade valt aan het hof. En zoo kunnen ze eigenlijk alles metTilatus doen, waarbij deze evenwel op velerlei manier beproeft toch nog van Jezus af te komen, dewijl hg voelt dat deze mensch rechtvaardig is en niets gedaan heeft, dat den dood waardig is.
Hoe blij is hij, als hij hoort gewagen van Galilea! Dat is een hchtstraal in het midden van de donkere verwarring en 't geeft hem hoop, dat hij deze heele rechtszaak kan overdoen aan Eerodes, die juist tgdens de feestdagen in Jeruzalem vertoeft.
Doch ook ddt mislukt. Daar komt Jezus weer terug. En de boodschap van Herodes er bij: „ik vind geen schuld in dezen mensch."
Grooter worden de moeilijkheden nu nog voor Pilatus. En juist omdat hij geen schuld in Jezus vindt, kan hij Hem maar niet veroordeelen tot den kruisdood. Zijn conscientie strijdt daartegen. Was Hg maar schuldig! Kon hij maar iets tegen Jezus in het midden brengen dat wat beteekende! Dan was hij uit de moeite. Maar dat is het nu juist, dat hier geen schuld is. En als redmiddel zal hij Jezus dan tot een spotkoning maken, hij zal Hem doen geeselen, zoodat Hg" gebroken, uitgeteerd, bebloed, bespot voor het volk kan worden gesteld, om dan het mede-Igden van het volk op te wekken en hun te vragen: „och, laat Hem nu maar gaan, nu heeft Hij toch waarlijk wel genoeg geleden!"
Was Jezus schuldig geweest, dan had Pilatus alzoo niet met Jezus gehandeld. Die doornenkroon, die rietstaf, dat spotkle.ed, dat bebloede gelaat — het is dus alles saam allereerst bewgs, dat in Jezus geen schuld ii.
Was er schuld in Hem geweest, dan was Hij alzoo niet behandeld!
Deze schandelgke behandeling^eschiedt uit verlegenheid, daar Pilatus Hem niet durft loslaten en Hem toch in vrijheid wil brengen, door het medelijden des volks op te wekken.
Maar als we zoo zien, dat de Heiland daar onschuldig staat. Dat die bespotting met doornenkroon en rietstaf en koningsmantel zonder oorzaak geschiedt. Dat men Hem slaat en hoont, terwgl Hij niets gedaan heeft wat straf, wat hoon, wat pijn en schande waard is, dan hebben we in de tweede plaats te gedenken, dat het toch niet zpnder oorzaak is geschied, alles wat daar door Pilatus en de zijnen is gedaan, want zóo kon de Heiland alleen-de juist passende en algenoegzamp Borg en Middelaar van een arm en in zichzelf verloren zoadaarsvolk worden, voor een volk, dat schuldig staat voor een heilig God, Die van Zijn onkreukbaar recht niet aflaten kan
Vreeselgk laait de vijandschap op tegen den Heiland. Het Joodsche volk en de heidenen saam haten en - ..trachten Hem.
, Die mg zonder 'oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds — die mij zoeken te vernielen, die mij om valsche; oorzaken vijand zijn, zgn machtig ge-worden", mag hier wel aangehaald worden.
En als Pilatus zoo roept: „ziet, de mensch" — dan mogen we wel op den mensch zien, zooals de mensch daar in die Joden en in die heidenen vertegenwoordigd is en openbaar wordt; en we | aanschouwen den mensch, zooals de Geest der Waarheid dien mensch, na den val, teekent in Gods Woord: vijandig, verbhnd, hatelijk. God tegenstaand, Christus verwerpend, onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad.
Daar worden openbaar de gedachten des harten!
Daar zien we, hoe men den Zoon uitwerpt en den Vader onteert. De banden worden ruw verbroken en de Gezalfde Gods wordt brutaal verworpen.
„Ziet, de mensch" — aanschouwt, wie en wat de mensch geworden is door de zonde. Ook de mensch van onzen tijd. Ook de hoog-verlichte en hoog-beschaafde mensck van de 20ste eeuw.
Neen, laat men den mensch maar geen kroon op 't hoofd zetten. Laat men hem maar niet tooien met sierlgke kleederen. En laat hij maar niet droomen, dat hij eens heerschers schepter voert. Want de mensch is een spotbeeld van 'tgeen hij eertijds was. Satan heeft hem misleid en hg heeft dien ouden slang geloofd. Het zou hóoger op gaan met den mensch, wanneer hij in Satans wegen trad en in' zijnen dienst over kwam. En wat is er! van geworden ? Hoe langs hoe meer, wordt het openbaar, dat de mensch ge-scheurde kleederen draagt; dat zijn staf een rietstaf is; dat zijn eere is vol gruwel en schande.
„Ziet, de mensch" — ziet, wat de mensch is gewoirden. Geworden door eigen. moedwillige overtreding. Door zijn afval van God.
En o! beken dan de hef de des Vaders en de üefde des Zoons, dat daar nu de Heiland staat en dat daar nu gezegd wordt: „mensch, gevallen mensch, zondig mensch, ongelukkig mensch, verloren mensch — ziet, ziet, hoe Jezus daar wil staan in de plaats van hen, die eeuwige schande en banden waardig zijn, om door Zijne striemen aan hen genezing te schenken en door Z^ne verachting aan hen eere te bereiden!"
„Ziet, de mensch".
Wat vol ellende en smart staat Jezus hier, — door Pilatus „de mensch" genoemd. Dat is de lijdensbeker, dien Hg zwijgend wü drinken. Maar dat is ook het recht Gods, dat over alle menschen zal worden geopenbaard.
„Ziet, de mensch".
Ja, mensch, zie wat het lot is, dat u rechtvaardiglijk wacht. Met al uw ingebeelden rijkdom zult gij van God verstoeten worden en geworpen in een poel van ellende, smart en jammer; en dan tot in eeuwigheid. Maar ziet, daar stelt zich de Zoon des menschen in de plaats van ellendigen, en in dezen weg is er nog een aanneming tot kinderen Gods.
Wie nu maar arm en ellendig in zich zelf mag wezen. Want Pauïus zegt: „gg weet de genade van onzen Heere Jezus, dat Hg om uwentwil is arm geworden, daar Hg rgk was, opdat gg door'Zgne armoede zoudt rgk worden."
Grods volk mag dan ook, wanneer de ziele welgesteld mag wezen, veel in deze geschiedenis opmerken. Gods recht en Christus' volmaaktheid zien ze dan. Christus' liefde en des Vaders genade.
En een volk dat uit en van zich zglf een arm en ellendig volk is, melaatsch en verwerpelgk, ziet in den plaatsbekleedenden Borg sierlgke kleederen en een kroon der eere.
Zijn woorden spreken van hun zonden. Zijn bloed van hun ongerechtigheid. Zijn spotkleed van hun schande.-Zijn verachting van hun verwerping.
Maar dan spreekt de Heere van den hemel: dat is al voor u, opdat gij zoudt worden aangenomen en niet meer - in schande zoudt Hggen, maar bekleed met kleederen des heils en teruggebracht tot heerschappg en heerlijkheid !
't Wjardt een vaste grond voor Sion om op te staan, 't Wordt een kroon der eere. 't Wordt een veilig schild om achter te schuilen.
Hier staat hun Koning, hun Zondevernieler, hun Losser en Voorspreker.
En tot allen die bekommerd van harte zijn en verslagen van geest, omdat de zonden hen aanklagen en spreken van verwerpingen oordeel — roept deze Jezus, met een doornenkroon gesierd, vol barmhartigheid en liefde: „Komt allen tot Mg die vermoeid en beladen zijt en Ik zal u ruste 'geven."
Hier wordt de scherpe doorn der wet voor een zondig volk gedragen.
Hier wordt de schande weggenomen. Hier wordt de toegang tot Gods troon gebaand. Hier wil de Heere zondaren ontvangen en maken tot Zijn kinderen,
Waarbij de ziele van Sion mag ervaren, dat het woord huns Gods zoo waar is-: „Ik wü u sieraad voor asch, vreügde-; oUe voor treurigheid en een gewaad des ^ois voor een benauwden geest geven",
Neen — veracht dien Jezus niet, o wereld!
Bespot den Heiland niet.
Slaat Hem niet en hoont Hem niet, waar het is de dag der zaligheid.
^ Straks komt Hij als Rechter op de ' wolken, om als Koning te heersehen van , de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.
Dwaas, zondig, vreeselijk om Hem te verachten ten einde toe.
De straf zal zoo zwaar zgn, de vloek zoo groot, de teleurstelling zoo ontzettend! En nóg is het de dag der zaligheid.
Haast u dan en spoedt u tot Hem om uws levens wil. Die Hem vindt, die vindt het leven en trekt een welgevallen bg den Heere! .^
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's