De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

13 minuten leestijd

Dood, waar is uw prikkel? I Cor. 15: 55a.

Dé dood ontwapend

Uit de hierboven geplaatste woorden mogen wij voorzeker wel een klank beluisteren uit den Paascbjubel van de Gemeente des Heeren. Breed heeft de apostel gehandeld over de opstanding van Jezus Christus uit de dpoden. Hij is volkomen zeker van de zaak die hij be pleit. De prediking des Evangelies ware ijdel als er geen levende Heiland was. Alle arbeid en moeite, daaraan verbonden, zouden nutteloos zijn. En dit zegt iemand, die er met zijn gansche hart in opgaat, ea met al zijn door Go^ hem geschonken krachten en gaven het Woord des Kruises verkondigt. Niet waar, dan getuigt toch heel zijn optreden van de vaste verzekering die in hem is: de Heere is waarlijk opgestaan. Hij is zelf een leesbare brief van den levenden Christus.

Ook het geloof zou ijdel zijn, als Christus niet ware opgestaan. En merkt er nu eens op hoe hij niet ophoudt anderen totdat geloof aan te moedigen en hen te bidden van Christus' wege zich met God. te laten verzoenen. Wel, dan is dit al toch eene doorloopende vermelding van den levenden Heere?

Die in Christus ontslapen zijn, waren ook verloren, als Hij niet was opgewekt. Inderdaad, het feit der verrijzenis rhoet. den apostel vaster staan dan een rots. Hoe anders zou hij kunnen spreken van het sterven ofat hem een heerlijke winst zou brengen? Ja, er zal een keer een heerlijke opstanding der dooden zijn! Dit verderfelijke zal on verderfelykheid aandoen en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid 'aandoen. En dan zal het woord van Jesaja vervuld zijn: De dood is verslonden tot overwinning.

Zoo is dè prediking niet ijdel. Integendeel! Alle onze krachten, waardig.

Zoo is het geloof niet ijdel. Integendeel! Die gelooft, heeft het eeuwige leven.

Zoo is het zalig sterven niet ijdel. Integendeel! Die in Christus sterft, heeft de wereld der ijdelheid verlaten en treedt binnen in het rijk der on verderfelijkheid.

Geen wónder dat de apostel een van Israels profeten najubelt: Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is .uwe overwinning ?

De prikkel van den dood zal zeker door niemand klein geacht worden als hij er op let hoe die koning der verschrikking ellende en smart rondom zich verspreidt. Geen huis, geen familie is er, waar hij niet binnentreedt en rouw en droefheid achterlaat. Laat ons maar bij de Schrift blijven om een getrouw beeld • te zien van 's levens bitterheden, die de dood brengt overal waar hy komt. Zijn prikkel gaat vaak diep en pijnigt het hart. Het dochtertje van Jaïrus was nog een kind, en toch, zielloos lag zij neder. Het teêre nieuwe leveü was door het zwaard van den dood wreed afgesneden. Welk een verwoestende macht! Maar diezelfde prikkel heeft ook het hart der ouders met smart vervuld. Het was ellende aan alle zijden en lang zou de wonde schrijnend pijnlijk zijn geweest, als ook de Levensvorst niet in dien kring gekomen ware met Zijn heil.

De prikkel van den dood spaart ook de jongelingsjaren niet. En zooals het ging te Naïn, geschiedt het nog wel. Een jongeling wordt uitgedragen en de moeder, die weduwe is', moet hem begeleiden naar de kille groeve. Wie peilt hier de smart? Wie beschrijft dat leed? Het is eene aaneenschakeling van rampen, die de zwarte dood over de kinderen der menschen hier op aarde uitgiet. Kinderen, jongelingen en mannen zijn allen onderworpen aan zijn geweld. De smarten des doods zijn groot, de smarten ook door den dood. En voeg hierbij de vreeze voor den dood, die ons aller menschelijke ­natuur eigen is, dan zal niemand tegenspreken dat de prikkel, waarvan onze tekst spreekt, diep indringt in heel der inenschen samenleving. De dood verijdelt vele plannen, doet menigeen nederzitten bij de puinhpopen zijner verwachtingen én verandert veler levensloop in één langen lijdensweg. Gelukkig een ieder, die bij het geweld van den dood ook de kracht der vertroosting kent, die van den Heere Jezus uitgaat. Waar Christus, naar luid der Evangeliën kwam, moest de dood wijken. Nimmer is de Heere Jezus, voor zoover het ons beschreven is, in de nabijheid van een doode geweest, of de doode werd tot het leven teruggeroepen. Maar al werkt Hij niet meer op dezelfde wijze, in de kracht Zijner genade is Hij nog even sterk. Hij is machtig. Hij alleen, om aan den dood zijn smart-aanbrengenden prikkel te ontnemen, Heèrl^k is het als die liefdevolle macht, ervaren wordt in onze van nature zoo troostelooze harten. Maar dan zullen 'wij ook moeten verstaan waardoor de dood zulk een geweld heeft. Geen Goddelijke vertroosting kan er wezen zonder kennis der zonde.

De prikkel nu des doods is de zonde, voegt, de apostel er verklarend aan toe Het is opdat wij zouden bedenken dat midden in het jammerdal dezer wereld het woord van < Jen profeet geldt: wat klaagt een levend mensch? Een iegelijk klage over zijne zonden. .Noemt ge het woord dood, noem dan ook het woord zonde. Zq gaf den dood zijn pijnigenden prikkel. De dood is geen natuurlijk gevolg van het leven, maar is voortgesproten uit'het oordeel Gods over de zonde. Als de dood een voortvloeisel van 's-menschen leven ware, dat uiteraard er aan verbonden is, wel, dan zou de mensch, die maar ten volle naar zijn natuur leeft, ook zonder vreeze sterven. De werkelijkheid is echter anders. De vreeze des doods is een ieder aangeboren. Dit geldt tot be vestiging der Schrift, die ons zegt dat de dood van buiten den mensch hem is opgelegd. God heeft de zonde met den dood bezoldigd. Laat ons niet vergeten dat de dood, zooals deze wreed in aller menschenleven ingrijpt, in zijn wezen eene verstoring en verbreking is, die hare-oorzaak heeft in de verstoring van de levensgemeenschap met God, Toen de mensch ophield in de rechte verhouding te staan tot God, moest, naar het oordeel Gods, ook de afsnijding plaats vinden van alles wat hèt leven rijk en heerlijk maakt. De zonde is de dood, de dood in geestelijken zin, en heeft daarom ook den dood ten gevolge. Wie' de zonde doet, staat op datzelfde oogenblik tegen God op; is dood voor God, wijl hij aan de kennis Zigner wegen geen lust heeft. En nu weirkt de verwoesting door en niaakt inbreuk op de verhouding waarin de mensch staat tegenover alles wat hem omringt, tegenover zijn medemenschen en tegenover de rijke schepping. Achter den dood staat de zonde. Eigenlijk had de zonde op hetzelfde oogenblik dat zij bedreven werd den dood ten gevolge moeten hebben, „Ten dage als gij daarvan eet zult gij den dood sterven", heeft God gezegd. Maar Hij gedacht in Zijn toorn aan Zijn ontferming. Toch moet niemand meenen dat de dood daarom zijn loop niet zal hebben, de dood, die toch niet eene vernietiging is, maar een wreede ontbinding van alles wat de mensch hier op aarde geniet. De stervensure zal voor een ieder, die, geen verootmoediging kende, geen vernietiging van het bestaan brengen, maar eene vreeselij ke levensvermindering, eene berooving van alles wat hier op aarde de vreugde des levens uitmaakt, In den weg der gehoorzaamheid was de mensch voor het volle leven bestemd. Maar door zijn overtreding vervalt hij geheel, naar ziel en lichaam beide, aan den dood*. Dat is de eeuwige dooii. Die van God zich losrukt, wordt ontrukt aan alles wat het heerlijke leven uitmaakt. De prikkel des doods is de zonde.

Als iemand nu zou vragen of dan de zonde zoo vreeselijk is dat zij zulk een ontzettend gevolg moest hebben, antwoorden wij met Paulus' woord dat de kracht der zonde de wet-is. Hij, Paulus, kende de zonde niet dan door de wet; want hij had de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet bégeeren. Zonder de wet is de zonde dood. Maar door het gebod is de'zonde levend. De wet vraagt liefde, liefde voor God met ons gansche hart, liefde voor den naaste. Naar de mate nu dat de wet heilig is en het gebod heilig, is ook hare overtreding . vreeselijk.. Ziet, zoo is degedachtengang van den apostel te volgen, om ons te spreken van den prikkel des doods. Smartelijk is de dood! Hij draagt eep geweldig wapen.

Maar deze dood ontleent zijn geweld aan het oordeel Gods dat op de zonde rust. Die zonde is zoo gruwelijk omdat zij bedreven is tegen een heilig God, Die in Zijn wet Zijn heihgheid doet afstralen.

Maar niettegenstaande dit al vraagt en jubelt de apostel: Dood, waar is uw prikkel?

Dit roemen kan er .alleen wezen met het oog op den verrezen Heiland. Hg heeft den prikkel des doods weggenomen. ­Welk een heerlijk voorrecht is het als wij weten dat Hij dat ook deed voor ons. Niemand ruste vóórdat hg tot die verzekering gekomen is. Dan eerst klinkt het Paasch-^Evangelie in zijn troostvolle beteekenis ons tegen.

Hij heeft "door Zijn opstanding den prikkel des doods weggenomen. Hij heeft den dood voor Zijn Gemeente ontwapend.

Zijn verrijzenis toch zette het zegel op alles wat door Hem volbracht was. De kracht der zonde is de wet. Ja, maar de kracht van Christus is de onderhouding < Jer wet. Het gebod, dat ten leven was, deed Hem leven, zoodat er van Hem staat dat het Zijne spijze was den wi des Vaders te doen Inderdaad, Hij vormt een rijke tegenstelling met wat Paulus in Rom. 7 van zichzelf zegt. De wet is hoog en geestelijk, maar de Heere Jezus heeft als het Hoofd van het genadeverbond daaraan volkomen beantwoord. En God heeft Zijn heilig leven goedgekeurd. Hij heeft hem opgewekt.. .Maar dit niet alleen. De last vanr Gods toorn is door Hem gedragen, een toorn tegen de zonde van het gansche menschelijke geslacht, een toorn opgeroepen uit het heilig Weien des Heeren, In Zijn Middelaarshart heeft Hij dezen opgevangen. Het bittere lijden van Ge.thsémané is er het bewijs 'van. Zijn bange klacht meldt het ons.

O, wondervol mysterie der verzoening! Wij zien het, maar doorgronden het niet. Maar dit is zeker, toen God, Hem ten derden dage opwekte, was de straf gedragen, voor eeuwig.

En zoo is het pleit beslecht, Aan het Goddelijk recht is genoeg gedaan. De levensgemeenschap is hersteld! Geen wreede verstoring dan, maar de lieflijkste harmonie tusschen God en den mensch, tusschen den Schepper van hemel en aarde en" den tweeden Adam. En als Christus opstaat uit de dooden, openbaart zich het genade-verbond in Zijn heerlijke glorie. Immers nu is heel de Kerk in haar Hoofd uit het graf der zonde ver-, rezen, van den vloek der wet bevrijd, met gerechtigheid bekleed en gerechtigd tot het eeuwig zalig leven.

Dood, waar is uw prikkel? , ..

Natuurlijk mag een ieder dezen blijden uitroep zoo maar niet overnemen. Alleen door den wèg der wedergeboorte en bekeering zal ^ïnen daartoe kunnen komen. Het geldt hier een strikt persoonlijke zaak. Wij liggen van nature in het graf onzer zonde en wij moeten daaruit-opstaan tot een nieuw leven. Wij zgn dood door de njisdaden en de zonden, en wg moeten door de kracht van Christus levend gemaakt worden.

Gelukkig dat wij elkander niet alleen een opgewekte» Heiland mogen verkondigen, maar ook mogen spreken van de kracht Zijner opstanding, die nog altijd werkzaam is. Als daar een zondaar zich voor den Heere verootmoedigt, dan is het nieuwe leven in hem geplant. Als het gebed vermenigvuldigt, en de ziel steeds armer voor den Heere wordt en steeds dieper bukt onder het innig besef van haar ongerechtigheden, wérkt daar de opstandingskracht des Heeren, Wat dunkt u? Hij, die de banden des doods verbrak en over de hel triumfeerde, is toch zeker ook wel machtig om menschen, die gekneld liggen in banden van den dood, te doen smeeken om de redding hunner ziel I., , De wet des Heeren is dan in de handen van'den Levensvorst. En hetgeen mij ten dood was, wórdt door Zijn genade mij ten leven, Alzoo dat de spiegel der wet, zooals deze ook in den heiligen wandel van den Heere Jezus mg" wordt voorgehouden, mg diep vernedert. Zóó moest ik wezen en... wat ben ik nu? Niet ^nders dan één algeheele bezoefdeling, door de zonde. In mijn verhouding tot God. In den kring der samenleving. Midden in het rijk der schepping mg zelf niet anders te zien dan een bron van ongerechtigheden, terwijl ik elke levensverhouding door mijn zonde verontreinig en ontsier ... die kennis pijnigt hoe langer hoe meer. Als een zware last drukt zij naar beneden. Schuldgevoel wordt geboren. De klacht uit de diepte rijst-omhoog! En een kind des doods weet zich gekneld in banden van den dood.

, Maar nu is het van groote beteekenis, dat de wet is in handen van den Overwinnaar van den dood. Nu zal Hij er ook voor zorgen dat zij is een tuchtmeester tot Christus., De levendmakende kracht, die in ons werkt, brengt dan ook noodzakelijk tot de gemeenschap met Hem uit Wien die kracht vloeit. En die één plant met Hem werd in de gelijkmaking des doods, zal het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding. De vernederde wordt ook door Zijn genade verhoogd. De arme wordt rijk. De klagende over ijn dood wordt ook een juichende in en Heere. En de wetenschap wordt door et geloof in het hart gelegd dat, zoo zeker Christus uit den dood is opgestaan, alle zonden mag vergeven zijn en ik geechtvaardigd ben voor het aangezicht des Vaders. Geen wonder dat dan vrgmoedig gevraagd wordt: Dood, waar is uw prikkel? En er mag aan toegevoegd: Dood, gij hebt voor mij uw wapen verloren. De zonde, hoewel zij tot mijn gedurige srnart in mij woont, zal mij niet schaden. En gij, wet van God, hebt niets méér op mij aan te merken, wijl ik gerekend word in Hem die alles volbracht. Onuitsprekelijk groot voorrecht zóó te mogen spreken en roemen. Dan is er de schoonste vereeniging mét God In plaats' van ontbinding is er verzoening. In plaats van verwoesting is er opbouwing. In plaats van dood, leven.

Gods kinderen zijn tot nieuwe schepselen gemaakt.

Laat dan de zonde niet heerschen in hunne sterfelijke lichamen. Laten zij niet wandelen naar de begeerlijkheden des vleesches. Maar laten zij hunne leden mogen stellen tot wapenen der gerechtigheid. ,

Haat tegen de zonde en liefde voor de et, die Christus droeg in het binnenst ingewand, zij het kenmerk van hun levenswandel. Het oude is toch voorbijgegaan ? ..,

Maar bij die liefde vermeerdert noodzakelijk ook het verlangen om altyd met den Heere te zijn.

En dien wensch zal al 's Heeren volk verkrijgen.

De opgestane Christus wordt hier op aarde gevolgd door kinderen der opstanding. Maar zooals op de eerstelingen de volle oogst volgt, zoo zal ook heel de Gemeente des Heeren één keer opstaan uit de dooden.

Dood, waar is fiw prikkel? Hij is er niet. Gode zij dank gebracht voor Zijne genade! Hij schenkt aan zondaren, die midden in den dood liggen, de overwinning door den Heere Jezus Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's