Uit den Schat des Bijbels.
Het huisgezin van Adam en Eva. (2)
Niet alleen verschillenden werkkring zien we bij Kaïn en Abel, we bemerken ook, dat de keuze huns harten zoo zeer uiteenloopt; dat zij leven uit een .oo onderscheiden levensbeginsel.
Wonderlyk toch! Ze zijn uit één vader en ééne moeder. Ze zijn in éen huisgezin opgegroeid en opgevoed en onderwezen. Ze hebben bei den met zoo levendige kleuren zich voor oogen zien schilderen, wat er in het Paradijs geschied is, hoerende van 's menschén zonde, van 's boozen listen, vau 's Heeren vloek en van Gods beloftenissen. Maar hoeveel ze beiden gemeen hebben, hierin verschillen ze: Kaïn is vreemd aan het leven Gods, leeft bij de dingen die voor oogen zijn, wandelt naar de lusten van zijn hart in zondige wegen — terwijl Abel een godvreez^nd naan is, in den Heere zijn hoogste goed vindend, wijkende van. het kwade. Wanneer ze groot zijn, en ieder zelfstandig optreedt, wordt dat openbaar. Dan" komt scherper uit wat beider beginsel is, en waarnaar de keuze des harten uitgaat.
Zeer ongezocht komt beider levensbeginsel in 't licht.
Beiden treden voor Gods aangezicht met een ofifer.
Dat bewijst hoe beider opvoeding is geweest.
Adam en Eva hebben hun kinderen niet aan zichzelf overgelaten; ze hebben hun de kennis van 's Heeren naam en van Zijn dienst niet onthouden; zij hebben hun kinderen geleerd God voor oogen te houden, Hem te zoeken. Zijn naam aan te roepen en in de wegen des Heeren te wandelen, ter verzoening van de zonden en tot verkrijging van de zegeningen des verbonds.
Adam en Eva waren geschapen om afs priester en priesteres zich zelf Gode te wijden en zich zelf als een levend dankoffer Gode op te offeren, gelijk alle creatuur moest dienen tot glorie van den grooten Schepper.
Geduriglijk waren de offeranden des lofs en der liefde en der aanbidding en der dankbaarheid Gode gewijd in het ongeschonden Paradijs. En ja — hij was de zonde tusscheabeide gekomen; er was een scheur getrokken tusschen den mensch en zijn God; de mensch was vol zonde en ongerechtigheid, terwijl des Heeren toorn billgk was ontstoken. Maar toch, — de Heere had zich niet geheel terug getrokken van den mensch, en de mensch was geen duivel geworden. Door 's Heeren genadige ontfermingen bloeit nu in Adams gezin nog na van de kennisse Gods, ook van het oorspronkelijk priesterschap. En waar de Heere den mensch nog vele en heerlijke vruchten des velds geeft en wollig vee, mitsgaders runderen, daar mogen we het aanschouwen, dat er door het eerste menschenpaar na den zondeval nog offers der dankbaarheid den Heere worden gebracht.. Ook werd het altaar gebouwd om daar het stomme beest te slachten en te verbranden, als een teeken van door God aan den monsch gegeven heimwee naar verzoening en verlossing, naar vrede, en eeuwig zalig leven.
Of tot het brengen van offers reeds uttdrukkelijk bevel was gegeven weten we niet. Maar krachtens de scheppingsordinantie en door de liefderijke, genadevolle bemoeienissen des Heeren werd het in den mensch gezien, dat hij Gode tegemoet treedt met de gaven van aanbidding en dankbaarheid. Terwijl door het dooden van het beest en de uitstorting van bloed op symbolische wijze werd uitgedrukt, dat verzoening met God noodig was en verzoening alleen verkregen kon worden door uitstorting van bloed en plaatsbekleedend lijden tot voldoening bij God,
In dezen weg nu hebben Adam en Eva hun kinderen onderwezen.
Zij hebben Kaïn en Abel opgevoed in de vreeze des Heeren, opdat zij als priesters den Heere zich zouden wijden met gaven van aanbidding en dankbaarheid, zoekende den vrede bij Hem die den Verlosser beloofd had en van de verlossing aanstonds een voorsmaak wilde geven aan degenen die Hem in oprechtheid zochten.
De eerste ouders hebben hun ^eerste kinderen gewezen op hoogere dingen dan brood voor dit leven.
Die, kinderen ^ijn wel bevlekt door de zonde hunner ouders, en de boosheid is hen niet vreemd. Erfsmet en erfschuld is hun deel en in zondebedrijf zoekt hun boos hart vermaak van nature. Maar zij mogen aanstonds neerzitten onder de schaduw van Gods genadeverbond en hooren van 's Heeren beloften, zoo m, liefde en g^deloos ontfermen. Ze mogj opgroeien in een gezin waarin Gods vet bond gekend wordt, en het altaar rooV ter eere van Zgn heiligen naam, A Ontfermer is. Zij mogen opgevoed'wo[! den als priesters des Heeren, om tevej keeren in den kring waarin de Heet, zich wil openbaren ten leven.
Van ouds is dus de godsdienst. Vóór het atheïsme is de Godsvereering er geweest.
Vóór het ontwerpen van de altaren het brengen van een offerand.
Neen — de godsdienst is geen uitvin, ding van den lateren tijd, uitgedacht doo rijken en machtigen, om de eenvoudige met vrees te vervullen en hen alzoo des te gemakkelijker te kunnen onderdrukken.
De godsdienst is geen slimme uitvinding van dominé's, pastoors of rabbi's om schandelijk geldelijk voordeel te trekken van het domme bijgeloof der. onontwikkelde schare.
De godsdienst is veel ouder dan theorieën der atheïsten.
De godsdienst is den mensch in geschapen in het hart. En van den beginne al aan is het gezien, dat men voor den Heere knielde en Hem aanbad.
De waarheid was er eer dan de dwaling De Godsvrucht vóór de goddeloosheid. Het aanbidden vóór het bespotten van het Heilige Wezen dat in den heme! woont en Zijn Majesteit doet aanschouwen hier op'aarde.
Het godsdienstig onderwijs is ouder dan' het neutrale én godsdienstlooze.
Want na den zondeval heeft de Heere van den beginne nog heiligen eerbied gegeven voor Hem, die gedachten des ontfermens heeft over een gevallen menschengeslacht, maar ook gedachten des toorns' over degenen die Hem haten.
En zoo erkennen Kaïn en Abel ook beiden, dat er een God is. '
Kaïn loochent het bestaan van God niet, Hij heeft wel anders geleerd. Van de dwaasheid der latere eeuwen, dat men roept: „er is geen God!" merkt men bij hem niet.
Maar tegenover dit weten der dingen en tegenover de bemoeienissen des Heeren, tegenover de weldaden des verbonds en tegenover de godsdienstige opvoeding in het ouderlijk huis komt nu Kaïns zonde en afval des te scherper uit en valt alle schuld en verantwoordelijkheid op'hem,
Wetend dat er een God is, onderwezen in de rechte kennis, deelend in de voorrechten des Verbonds, ook staande bq hei altaar en den Heere eere bewijzend — wordt het openbaar, ' dat z'n harte verre van deze dingen is. Hij is vol van booze werken.
Hij offert — maar uit gewoonte, om zijn reputatie op te houden; omdat hij het zoo geleerd heeft; omdat hij den schijn wil bewaren niet minder te zijn dan de anderen, die óok offeren.
Maar het geloof ontbreekt Kaïn, Een geestelijk beginsel is er bij hem niet, Zijn harte leeft ver van God. Zijn ziele geeft geen acht op des Heeren Woord, Hij leeft van God verwyderd en van God vervreemd. Zijn levensbeginsel en levensvreugd ligt in de stoffelijke dingen.
Het Woord Gods zegt van hern, dat hij uit den booze was en dat zijne werken boos waren, terwijl zijn broeder rechtvaardig .was.
Wat droeve ontnuchtering ook voor Adam en Eva, die hun kinderen in hun gangen naspeurden en aldra bemerkten, hoe de levenskeus uit elkaar liep.
Hoe valt dit ten slotte weer terug op hün goddelooze keuze in het Paradijs.
Wat hadden ze toch gedaan! En daar zien ze het voortwoekeren van de zonde! Daar zien ze de vreeselijke gevolgen van het kwaad.
Welbewust en moedwillig zegt Kaïn, hun kind, wien zij genoemd hadden „een man des Heeren", nu in sprekende daden, dat hij geen lust heeft in den dienst des Heeren en dat hij God veracht om zich te werpen in boos zondebedrijf.
Zijn harte kiest andere dingen dan die des Heeren zijn!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's