Stichtelijke overdenking.
Welken zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan en is van Simon gezien. Luc. 24:34.
Van Emmaus terug.
Niemand heeft.de „antieke" wereld en de vrucht van haar denken en de beginselen, waaruit die gedachten opkwamen, beter gevoeld en dieper gepeild, dan Paulus, de apostel. Een enkele teekening, gelijk in Efeze 2 : 12 staat over de armoede der wereld buiten en zonder Christus, spreekt ons van zijn diep inzicht.
Ontroerend is zoo'n getuigenis en toch zoo innig waar.
En als gè dan letten moogt op den rijkdom, welke Gods Kerk is toebedeeld in Christus; op al dat volk, dat van God den Vader gezegend is met alle zegeningen in den" hemel, dan schaamt gij u over u zei ven en over de Kerk met zoo rijke belijdenis, omdat het Christelijk leven, in ruimen zin, zoo zeer is ontzonken: aan den adeldom en in den engeren kring van 't volk, dat God vreest, de levenstoon zoo zeer is gedaald.
Formalisme kan de armoede niet bedekken; schoone beschouwingen de plaats niet innemen van levenservaring; namaak van belijdenis biedt geen troost in leven en in sterven.
Dat Adam, de eerste, ons in den dood en onder het oordeel bracht is een feit, waarvan de gewisheid ons gepredikt wordt door de historie der volkeren; in de ontzettende ontreddering van het leven van alle natiën der wereld niet alleen, maar in het dagelij ksch leven in ons en rondom ons, dewijl een volk, dat bij 't licht kwam te wandelen, telkens oorzaak vindt om te klagen: „Myne ziele kleeft aan 't stof, maak mij levend naar Uw Woord."
Evenwel, die klacht zou niet zijn en dat gebed niet gestameld, indien niet de tweede Adam, het leven en dé' onverderflijkheid aan 't licht had gebracht.
Nu is ook uit de beginselen van 't genade-leven wel met recht de gevolgtrekking te maken, dat Christus leeft.
Daar is oorzakelijk verband tusschen Adam's val en onze zonde; daar is eenzelfde verband tusschen Christus' opstanding en het leven der .waarachtige .wedergeboorte.
Er zijn er die meenen, dat het gaat over Iwr en dogmatiek, en die, 'k zal maar zeggen, gedachteloos verraad plegen aan het leven der gemeente; 't gaat juist over den oorsprong Van alle leven, , als 't gaat over de belijdenis aangaande den Christus Gods; en als dan velen wilden lezen, wat onze Vaderen ^— en wij in 't oude spoor — leerden over 't onderscheid' tusschen het historisch geloof en 't zaligmakend geloof, dan zouden ze onze vaderen niet lasteren, en ons niet betichten van dingen, waaraan wij niet schuldig staan.
Achl ware de tijd maar-achter ons, dat 't feit der opstanding losgemaakt werd van 't leven! Die phantasiën, die 't leven van Gods gemeente los wilden stellen van de feiten, loopen uit op den dood.
Velen lieten Gods dierbare waarheden, voor een groot deel, nog staan als een antiek meubelstuk; uit eerbied voor de traditie bleef menig monument. En zoo liet men ook, nu ja, de belijdenis van de opstanding des Hoeren; of men ging naar de heidenwereld en zocht een idee van nieuw leven, van voorjaiars-leven nS, een' doodschen wintertijd; doch indien Christus niet ia gestorven en opgestaan, dan zijn wij nog verlorene menschen; dan zijn wij nog in den dood; dan is er geen hoop, dan is er wanhoop; indien Zijn leven niet in ons is verheerlijkt, indien wij niet ééne plante met Hem geworden zijn, dan enz neen, die prediking wilde men niet beluisteren en aich daaraan onderwerpen.
't Werd zoo donker! 't Is zoo donker, zonder Christus, zonder hoop.
't Is. zulk een heerlijke rijkdom, als arme te leven uit Gods schatten; eerst in dat leven des geloofs gaat 't licht op, ook over de beroeringen der volkeren en het einddoel van alle ding. Daar loopt een „gouden lijn" door heel de .geschiedenis, welke uitloopt ter eere van dien Koning der koningen, dié alléén onsterflijfheid bezit.
Hij kwam in zelfopofferende liefde, ging" heen ten nutte van al Zijn volk, en blijft hen ten goede aan de rechterhand des Vaders.
OjMStauding der dooden! 't Klonk vreemd, dat woord, in de ooren van wij^e menschen in oud-Atheen; 't klinkt nog vreemd in veler ooren, en roept wakker den geest^der spotternij of doet de schouderen ophalen over zulke vreemde(? ) dingen. Paulus kan nog gaan.
Alleen in Christus' Kerk, als Zijn lichaam, staat het anders, hkiv wordt bij recht inzicht, nog gejubeld, wat de mannen, die van Emmaus terugkeerden hebben gezegd. De teederheid van bij elkaar te behooren en de zorge voor eikaars geestelijk welzijn, had die mannen teruggedreven, in blijdschap des harten naar. Jeruzalem.
Eenzaamheid maakt koud èn gesloten èn vaak eigengerechtig; warmte drijft uit tot gemeenzaamheid en opent den mond, opdat anderen mede génieten mogen in Gods vertroostingen.
Zij komen terug met goede blijdischap en zeggen: De Heere is waarlijk opgestaan! De weg des heils is nu voor hun zielsoog open; - 'tgordijn is opgetrokken; de slag is gewonnen!
In Rusland met zijn vormelijke'godsdienstigheid, roept men 't elkaar toe op den Paaschmorgen, 'k meen van met dezelfde woorden, als eens in Jeruzalem gesproken zijn. 'kWeet-niet of, men daar de beteekenis van dien groet in 't algemeen verstaat; want de onkunde is daar, zelfs bij 't dusgenoemd godsdienstig deel des volks zoo groot.
Noodig is voor ons de vraag: versta ik daar iets van en geniet ik de kracht van Christus'opstanding? Natuurlijk, als wij dit feit belijden, is niet genoeg; doch als wij het met blijdschap mogen doen uit de ervaring der gewisheid v& n wat eens geschied is, omdat wij iets kennen van het „overgeleverd om onze zonden en opgewekt ter onzer rechtvaardigmaking", daar wordt het anders.
Nooit was gezien, wat eigenlijk de opstanding was.
't Was voorgebeeld in de O. T. bedeeling; daar waren dooden opgewekt door kracht van buiten, door Christus' woord; er was afteekening gegeven en 't profetisch woord had er van getuigd; doch gezien, wat opstanding was, neea! dat was niet alzoo.
Nu evenwel was die' Eène gekomen, waarachtig God en waarachtig en rechtvaardig mensch; die. Eéne, die macht had Zijn leven af te leggen en macht om het wederom aan te nemen; die Eéne, die naar recht en verdienste volgens des Vaders vonnis, dat nieuwe leven bekwam. die Eéne, die gezegd had: 't Is volbracht! kwam uit dei macht des "doods (want de dood heeft op Hem geen eiseh meer, heeft op Hem niets iheer te zeggen!) en ontving het stempel Gods op Zijn volkomen werk.
„De oorzaak weggenomen, kon het gevolg niet void uren."
En nu gestorven zijnde, staat Hij op om= de vrucht en den zegen van Zijn verzoeningswerk in nieuwe Majesteit toe te passen en te verzegelen aan de ziele van al Zijne kinderen.
Juist met '.t oog op dit werk der toepassing — want Christus is geen halve Zaligmaker! — is de beteekenis Zijner opstandig zoo groot en heerlijk en troostvol; en de loochening van de bettekenis van den Paaschmorgen komt uit in alle theorie, die van den mensch vraagt, wat bij den mensch onmogelijk is.
't Is al te zeer mogelijk dat men, ofschoon Zijn opstanding roemende met den mond, die opstanding jnochtans verloochent met der daad.
•Elke gedachte, dat Christus wèl een volkomen werk heeft gewrocht tot verzoening van Zijns volks ongerechtigheid, maar dat' dat volk nu zelf aan 't werk moet om zich die weldaden toe te eigenen en toe te passen; laat ik zeggen allé Remonstrantsche theorie; is eigenlijk miskenning van de noodzakelijkheid en vrucht der opstanding.
't Is de Heere, die is opgestaan. Hij 't Hoofd van heel het mystieke lichaam, d. i. van Zijn Kerk. Daarom gelijk zij allen, die in Adam begrepen zijn, in hem sterven, alzoo zullen, zij allen, die in Christus begrepen zijn, levend gemaakt worden. Christus vertegenwoordigde allen, die ten eeuwigen leven uitverkoren zijn.
„Met Hem gestorven en met Hem opgewekt" (Ef.) Leven en toevoer komt uit deze Bron. De opstanding der dooden is' door een mensch, door den mensch Jezus Christus, die de eersteling is dergenen, die ontslapen zijn. De volle oogst is geheiligd; en de leden volgen in eerste en tweede opstanding 't Hoofd.
De Heere, dat is toch de Verbonds-Middelaar; en dit was Israel bekend. Als iemand zegt: „De Heere (Kurios) is opgestaan" was OBn roep, die verder reikt dan de aarde; de wereldhistorische beteekenis van 't Christendom is int kort daarin saamgevafc", dan heeft hij gelijk. Licht hij dien naani voor den Christus toe uit de antieke cultuur om en achter het N. Testament, , dan vinden wij dat goed, doch zijn van oordeel, d^ de Naam Heere vooral, zijn beteekenis erlangt door en bij 't licht in Gods Kerk in den ouden dag.
Dé vertroostingen des volks, 't welk de Heere aangordt met kracht, staan in nauw verband met de heerlijkheid van 't Hoofd. Uit Zijne volheid, zegt een kind Gods, hebben wij ontvangen genade voor genade. En nu de Heere vrijkwam, betrof deze vrijheid al Zijn volk, dat in Hem wordt ingelijfd door een oprecht geloof, en zij genieten van die vrijheid naar de mate des geloofs en: Ik zal ze opwekken ten uitersten dage.
In den Paaschgroet is ook zulk eene heerlijke profetie.
-'t Eind der eeuwen zal de volheid van Christus' werk geven te aanschouwen; ook dan de volle - werking en vrucht van den jubel uit der discipelen mond vernomen.
't Gaat af op dien dag, 'waarin allen zullen zien en zeggen: 't Is de Heere, en Zijn volk Hem met blijdschap zal begroeten'.
Onze vaderen, spraken er reeds van in art. 37, dat ze met groot verlangen dien dag verwachtten.
Als 't stormt kunnen soms de lagere wolken zoo wild voortstuwen én tusschen de wolken door ziet ge de „bovenlucht" kalm; 't firmament ('t woord zegt het al) schijnt helderblauw en vol van rust. Nu ook te midden der schrikkelijke wegen van Gods gerechtigheid, wordt ge stil, indien ge door geloof'wordt ingeleid in de geheimen Gods, de geheimen der liefde. In 't middelpunt van Gods liefde staat: 't Is volbracht! van de stervende lippen van den dierbaren .Heiland en „de Heere i« waarlijk opgestaan" uit den mond van jongeren, die een weg v^an diepe droefenis waren gepasseerd en thans verblijd mochten zijn in den God huns heils, den God van volkomen zaligheid.
Aan welsprekende redeneefing om de waarheid van het feit te bewij^'-en, heeft de gemeente minder behoefte. Aan ge-' nadige ervaring van de kracht veelmeer. En daar wordt in Gods vreeze gewandeld in teederheid en ootmoed voor den Heere en leeft het in eigen armoede uit Gods rijkdom.
De mannen van Emmaus hadden veel te vertellen, maar die te Jeruzalem konden pok zeggen: En van Simon gezien!
Misschien hebt ook gij wel eene prediking gehoord over de goede tijding, de heetlijke bevestiging en de groote goedheid Gods, dat juist Simon den Heere gezien'had. Ik heb in dit artikeltje niet noodig hierop den nadruk te leggen. Wat heeft de Heere geslotene harten — en die 2ijn koud! T-geopend! Wat heeft Hij • ledige harten met Zijn vrede en blijdschap vervuld! Wat een volk in de eeuwen, die heengingen, die, gelijkerwgs Christus uit de dooden is opgewekt tot heerlijkheid des Vaders, alzoo in nieuwigheid des levens wandelden!
En dan wou men zeggen, dat Christus niet is opgestaan!?
En dan zou men heel de geschiedenis van Gods Kerk miskennen! En dat na zooveel eeuwen!
Zoekt gij, mijne lezers, m|, ar door geloof met Christus vereenigd, Hem té leven en aan uzelven en de wereld te sterven. Verheuge zich uwe ziele in den hemelschen Bruidegom en weet: De Heere is waarlijk opgestaan! Hij leeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's