Vragènbus.
Modus Vivendi, iv.
Nadat alzoo dit Reglement op de uitoefening van de rechten der minderheden in de gemeenten der Nederlandsche Her-
vormde Kerk (zooals het na de eindredactie der Commissie genoemd werd; zie blz. 398 Syn. acta 1878) was aangenomen *met 11 tegen 8 st. werden er enkele wijzigingen voorgesteld, die noodzakelijk zouden moeten worden aangebracht in het Algem. Regl en in de Bijzondere Reglementen (zie blz. 381—384; en blz. 403—405). Het Reglement met de goedgekeurde veranderingen (art 23 en 38 Alg Regl., art. 1, 2 en 3 Regl. op de benoeming van ouderlingen enz., art. 39 en 42 Regl, voor Kerkelijk opzicht en tucht) aan de consideratiën der Prov Kerkbesturen en Classicale vergaderingen onderworpen worden.
En hoe was nu de ontvangst van dit Reglement in de Kerk?
't Was niet gunstig!
Men had in hoofdzaak 9 bezwaren:1 men wilde niet weten van rechten der minderheden; 2 men zag in het Reglement een miskenning van het belijdend karakter der Kerk; 3 men achtte dit Reglement onwettig, als zijnde in strijd mèt art. XI Algem. Regl.; 4 men meende dat alzoo inbreuk gemaakt werd op de autonomie der gemeenten; 5 het Reglement was een verkorten van het onvervreemdbaar recht dergenen die instemden met de belijdenis der Kerk; 6 ontbinding der Kerk moest volgen; 7 allerlei misbruiken in partij vorming zoudefi 't gevolg zijn; 8 't zou een onvoldoend middel tot verkrijging van rust en vrede blijken te zijn; 9 't zou onuitvoerbaar wezen.
25 Olassicale vergaderingen verklaarden zich tegen het voorgestelde Reglement 't zij met algemeene, 't zij met meerderheid van stemmen (Rotterdam met op één na algemeene steramen, Middelburg met op twee na algetneene stemmen, Heusden ooë; , met 'op 2 «na algemeene stemmen; verder Arnhem, Harderwijk, Haarlem, Hoorn, Utrecht, Amersfoort, Kampen, 's Gravenhage, Leiden (55-12), Amsterdam, W k, Appingedam enz) In 't algemeen zei men daar: het beginsel van r'chten der m, inderheden aa te nemen en te erkennen is eene ongerijmdheid in eene belijdende Kerk en strijdig rnet Gods Woord en met art XI van het Algem. Rpgl (blz. 171 Syn. acta 1879j
In de Classicale vergaderingen waar men in meerderheid of minderheid vóór het Reglement zich uitsprak, werd aangevoerd, dat wat sedert lang historisch en zedelijk recht van bestaan in de Kerk bezit, ook reglementair moet worden gewettigd; dat aan elke partij vrijheid moet gegeven worden zich te ontwikkelen (Heerenveen), 'terwijl in de Waalsche Réunie werd beweerd dat dit Reglement een stap in de richtmg van KerspeIvórming was, waarbij men een vreedzaam en vriendschappelijk uiteengaan verkoos boven een gedwongen samenblijven. In de Waalsche Réunie werd dan ook het voorstel gedaan door 7 leden: , dat de Synode aan alle richtingen gelegenheid geve, zich ten opzichte van hare geestelijke belangen vrijelijk te organiseerèn en te ontwikkelen, en alzoo te komen tot het doel: eene definitieve scheiding."
Héél gunstig was de ontvangst van dit Reglement bij de Olassicale vergaderingen dus nieti Het rapport zegt dan ook: »van welke verreweg de meeste ongunstig hebben geadviseerd." (blz. 180). Wat het oordeel der Prov Kerkbesturen aangaat, kah worden medegedeeld: Gelderland 4 voor, .5 tegen; Z.-Holland tegen; N - Holland 3 voor, 4 tegen; Zeeland 4 voor, 2 tegen; Utrecht tegen; Friesland 5 voor, 2 tegen; Overijssel 2 voor, 2 tegen; Groningen 3 voor, 3 tegen; N.-Brabant met Limburg 4 voor, 2 tegen; Drente 2 voor, 2 tegen; De Waalsche Commissie 5 voor, 2 tegen.
Door de tegenstanders in Friesland werd o.a. aangevoerd: „door dit Reglement wordt ieder gedwongen partij te kiezen ; het zal een proselieten jacht worden, om voor de minderheden rechten te verkrijgen of die aan anderen te betwisten ; van dit Reglement is geen zegen, maar ellende te verwachten; geen liefde en vrede, maar bitterheid en verdeeldheid ; het zal de georganiseerde wanorde zqn; de ontbinding der Kerk is onvermijdelijk."
Ook bij de Prov. Kerkbesturen dus een allesbehalve gunstige ontvangst; volgens het Rapport waren er 3Ö st. onvoorwaardelijk tegen; 10 st. voorwaardelijk tegen en 25 st. onvoorwaardelijk voor.
Bovendien blijkt dat er bij de Synode ook nog adressen waren ingekomen o.a. van de NederlandSche Hervormde Predikanten-Vereeniging welke 30 April 1879 in haar vergadering, door meer dan 200 leden bijgewoond, met algemeene stemmen besloten had, te protesteeren tegen het voorloopig aangenomen i^eglement en de Synode te verzoeken dit niet als wet vast te stellen. Zij achtte het , in strijd met ieder gezond begrip van Kerk en de verwarring zal grpoter worden. Ook waren er adressen van Kerkeraden ingekomen en o.a. ook een brochure van dr. J. I. Doedes
In de meeste van deze adressen waren tegenstanders aan 't woord. Daartegenover kon worden gerapporteerd , dat er uit Helmond en Moordrecht adressen waren ingekomen, inhoudende den wensch, dat de Synode dit jaar nog een schrede verder zou gaan!"
De Commissie van Rapport vond in een en ander oorzaak een nieuw, nauwkeurig nagezien Reglement op de uitoefening van dn rechffn der Tninderheden in te dienen. Plaatsruimte verbiedt ons dit nieuwe Reglement in zijn geheel hier op te nemen (men kan 't vinden blz. 189-193 Syn.. acte 1879), maar na breede discussie, waarop we voor 't oogenblik óok niet kunnen ingaan (rie blz. 306-315), wordt de zaak waarover het-gaat. in stemming gebracht en, waar de Synode van 1878 met 11 tegen 8 st. zich vóór verklaard had, is de uitslag in het jaar 1879 dat het Reglement niet wordt aangenomen, maar met 11 tegen 9 st. wordt verworpen I Zoo stierf het Reglement op de uitoefening van de vermeende rechten der vrijzinnige minderheden, als miskennende de natuurlijke rechten der belijdende meerderheid, een roemloozen dood.
Met zeldzamen moed bezield en vol taaie volharding, stelde de heer Lakerveld aanstonds voor nu een Reglement voor facultatieve Kerspelvorming te ontwerpen, ; om daarop de Kerk te hooren (blz. 315) I maar-, met 10 tegen 9 st. wordt de behandeling van' het voorstel van den heer van Lakerveld in het tegenwoordige zittingsjaar ongeraden verklaard" (blz 320 ) Doch hiermee was de zaak nóg niet uit, want de heer Bruna stelt daarna voor aan de Synodale Commissie op te j dragen het voorstel tot Kerspelvorming 'in overweging te nemen, ten einde de Synode van 1880 daaromtrent van consideratiën en advies te dienen met het oog op alles wat ter zake bij de Synode is ingekomen.
Hiermee konden voor-en tegenstanders zich tamelijk wel vereenigen en het 'voorstel Bruna wordt aangenomen met op twee na algemeene stemmen. De heeren Creutzberg en van den Rrandeler waren er tegen. De hoogleeraren Acquoy en de Secretaris hadden vóór, de hoogleeraar Kruijf tegen het voorsiel geadviseerd (Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's