De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

12 minuten leestijd

En hij zeide tot mij : deze zijn het die uit de groote verdrukking komen; en zij hebben hunne lange kleederen gewasschen en hebben hunne lange kleederen wit gemaakt in' t bloed des Lams. Openb. 7:14.

Uit de groote verdrukking.

't Is een verschijnsel dat ge telkenmale kunt opmerken. In dagen van gerichten en oordeelen wordt het boek der Openbaringen met nog meer graagte ter hand genomen dan anders. En waar de oorzaak schuilt is zeer gemakkelijk na te gaan. Hier zijn zoovele troostredenen te vinden. Van deze hebben we in het Schriftgedeelte, dat voor ons ligt, wel een van de allerheerlijkste.

En ge zult dit vatten als ge de plaats in acht neemt waar Johannes stelling had genomen. Hij stond te midden van de oordeelen. Als voor een stormwind en een geweldige doorbraak zag hij alles wegvluchten. O Heere, zoo aucht hij, waar zal ik heen? Wie zal het uithouden? Wie kan bestaan?

En nu toont de Heere hem een heerlijk gezicht. Daar gaan vier Engelen staan! aan d© vier hoeken der aarde, en deze houden de winden vast. Daar ontstaat dus rondom hem een stihe. Zoolang deze daar staan, die hemelbeden, zal er geen wind waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen eenigen boom.

Dat is al dadelijk een verkwikking; de stormwind legt zich, de golven worden effen, der hoornen kruin houdt op met zwiepen.

De hemel geeft meer. Hem wordt een blik gegeven vanwaar deze gunstrijke verandering intreedt. Daar komt een andere Engel voort uit het Oosten, die een zegel in zijn hand houdt, het zegel Godes. Met-een heerschersstem vaardigt hij het gebod uit: beschadigt de aarde'. niet, noch de zee, noch de hoornen, totdat wg de dienstknechten onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hunne voorhoofden.

O, nu. grijpt Johannes weer moed. Met; den Engel uit het Oosten wordt hier aangeduid de volkomen zorg des Heereu. Dat is de grootzegelbewaarder, dat is de bizondere Afgezant des Heeren. Hij komt uit den opgang der zon.

Het is de Christus Gods, vergezeld door den Geest des Heeren, die het zegel aanbrengt aan de dienstknechten Godes. En nu hoort hij 't getal. Legt vers 4 maar eens voor u — 144, 000 — dat is! 12 X 12 X 1000.

Uit al de geslachten Israels komen er evenveel. D. w. z. het geestelijk Israel wordt tezaam gelezen uit al de geslachten des aardrijks.

Zouden deze getallen hem niet in de ooren hebben geklonken als gewijde muziek ?

Denkt het. u in: eerst temidden van den storm niets dan dood en verderf, en nu wordt de stilte verbroken door het wónder-heerlijke: er komen 12000 verzegelden uit Ruben, uit Gad, uit Aser, ja al de zonen van Jakob krggen de namen aan het voorhoofd met het zegel daarop.

Dus van heel het volk komen de gezaligden binnen. Dat is hetgeen hij te hooren krggt. Thans krijgt het oog iets te zien. Legt vers 9 maar eens voor u. Het zgn wederom dezelfde personen; maar nu eene schare, die niemand tellen kan.

Johannes wordt tot binnen den hemel opgetrokken. Hier ziet hij het hemelsch wit en het hemelsch groen, het bruiloftskleed met den palmtak.

Kunt ge 't nu toegeven dat dit gezicht voor den discipel veel troost heeft ingehad? Wij willen het van naderbij bezien.

De vragen welke u worden voorgelegd zgn deze: wie zijn ze die in den hemel opklimmen? En vervolgens: hoe zqn ze er gekomen?

De eerste aanblik was voor Johannes haast reeds te machtig. Doch met elk moment zou de verbazing nog stijgen.

Hij, die zooveel ellende gezien had, zag nu enkel heerlijkheid.

Hij zag op naar den Troon en het was verblindend Hij wendde zijn aangezicht naar de Engelen en het - was één schittering. Rij merkte op de Ouderlingen en het was één hemelglans, doch van wie hij de oogen niet kon afhouden, dat waren de gezaligden. En te verstaan is dit alleszins. Stel u eens voor, dat uw kind ten paleize werd genood. Wat dunkt u op wie van heel den hove zou dat kinderoog het meest zijn gevestigd, zou het niet zijn op die kleine uit dat midden.

't Gelijke zoekt elkander,

Johannes staart met een oog van verbazir.g op di* hemelbewoners, die opgeklommen waren van beneên. 't Is alsof hg zich zelf niet meer gelooft. Wie zouden dit zijn? '

Een der ouderlingen treedt naar voren, Hij heeft het uit zijn vraagblik gelezen, dat hg zoo gaarne eenige uitlegging begeert.

Wat is de hemel toch teeder, nietwaar,

Daar wordt al een antwoord gegeven voordat een vraag wordt gesteld. Hoe tegemoetkomend is alles.

Deze Ouderling — wie Hij is, wordt niet vermeld — voor wien Johannes Hem hield is zeer duidelijk. Hij noemt Hem „Heere" Hij treedt op den verbaasden discipel toe en vraagt: weet ge niet wie dezen zijn, die daar voor u uittreden in hunne lange witte kleederen?

Johannes bekent het zoo gul: Heere, dat weet Gij, ik kan het niet doorgronden. Komt hier al niet dadelijk een schoone trek naar voren bij dezen jonger,

Wat was deze Johannes al lang op den weg. Wat waren hem schoone dingen geopenbaard, hoe hoog was hg in de gunste Gods geklommen. Wij zouden zeggen deze zal wat weten, en ziet nu eens hoe nederig hij spreekt, als hem een vraag wordt gedaan van den hemel. Dan zegt hij: Heere, Gij weet het. Ik wil; niets meer en niets anders dan onderwezen worden. Och, zeg het mij maar.

Zoó is nu de gewenschte stand voor den hemel: niets wetende, alleen van den Heere willende onderwezen worden,

Wanneer iemand meent iets te weten. zoo zegt de Apostel, die heeft nog niets gekend. — Johannes had maar één antwoord „Heere, Gij weet het".

Zou dit voor ons niet een zeer duiidelijke wenk in zich hebben?

't Is zoo moeilijk iemand te onderwgzen die meent al eenige bekwaamheid te hebben verkregen. Vraagt het den onderwijzer maar eens of hij niet liever een kind ter opvoeding ontvangt, dat van wat hij leeren moet niets afweet of dat zich zelf heeft zoeken te bekwamen. Hg zal zeggen: die niets weten.

Zoo is het met den hemel in absoluten zin. Hier weet de Heere het alleen en alles.

Gevoelt ge nu, lezer, wat een liefelijke wenk hier gegeven wordt ; wetenden, die op alle vragen het antwoord moeten schuldig blijven. Als ge nu ook eens met den hemel in aanraking komt en daar wordt u éen vraag voorgelegd, och, geef dan maar ditzelfde antwoord: Heere, ik weet' niets, maar Gij weet het. Och openbaar het mij maar.

Op de leerschool des hemels worden enkel onbegrepen dingen geleerd. Vandaar welgelukzalig, die zijn kleine vingeren maar leggen onder de wijze hand des Heeren. Alle wijsheid en grootheid van onze zijde moet aan den kant geschoven. Hier geldt: zoo gij niet wordt gelijk een kindeke.

Deze .kinderzin kenmerkt Johannes. Vandaar behoefde hij ook niet lang op het antwoord te wachten.

Die gij daar ziet in die lange witte kleederen zijn mensehen van gelijke beweging als gij. Zij komen uit denzelfden druk. Zg hebben de woestijnreize achter zich en zijn ontkomen aan den strik. Uit de groote verdrukking, zoo wordt hier gesproken.

Hierin ligt een dubbele gedachte dooreengestrengeld. Wilt ge ze weten? Vooreerst dat de hemel er van afweet van dien groeten druk, van die veelzijdige benauwdheid, waaronder Gods kinderen gebogen gaan.

Daar hangt zoo dikwerf een bange; vreeze als een ondoordiingbare sluier; voor het oog van Gods bedrukte kind.'

Al is de wetenschap er wel, het bewustzijn ontbreekt zoo menigwerf dat er van uit den hemel een open oog op nederblikt.

Daar schuilt een zachte vermaning in: ook in uw druk, Johannes, staat Mijn oog op u gericht. Wanneer daar een verzuchting zich laat hooren: „zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste? ", dan komt dit als wederwoord: „waarom zegt gij, o Jakob, en spreekt, o Israel: mijn weg, is voor den Heere verborgen en mijn recht gaat voor mijn God voorbij" — zoo daar ééne verzuchting verloren gaat; en ééae bange klacht tevergeefs werd geslaakt.

Elke zucht van den verdrukte van Gods kinderen doet den hemel in beroering zijn. Wanneer er één ding vast ' staat is het dit, dat er zelfs geen haartje! vim hun hoofd valt, geen vezel van hen gekrenkt wordt of de Heere weet het. Hij ondersteunt hen in dezen weg. Net zooals van het Israel van ouds geschreven staat: en God hoorde hun gekerm en God gedacht aan Zgn verbond en God; zag de kinderen Israels aan en God! kende hen — zoo is het met het geestelijk  Israel precies gelijk.

In hun verdrukking ziet Hg hen, ; hoort Hij hen, redt Hij hen.

Vandaar komen zij uit de groote verdrukking.

Wat zal dat een overgang zgn: het heete woestijnzand ingeruild tegen de beschaduwde straten van het hemelsch; Jeruzalem. Uit de verdrukking uit.

Daar staat in het oorspronkelijke: deze zijn komende, 't is dus nog voortgaande.' Hij, Johannes, ziet de schare nog steeds aangroeien. Het gaat nog altijd door. Die verwisseling van den pelgrimsstaf tegen den palmtak, van-den bestoven; mantel en het gescheurde kleed tegen het hemelsche witte tooisel, had daar plaats. -

O denkt u dit in. Johannes, toch al, niet met zooveel snoeren meer vastgelegd aan de wereld — het was immers alles druk — mocht hier inblikken in - zijn voorland.

Waart gij — zoo wil de Heere het hem toonen — met Mij in het lijden  één, in druk vereenigd, ge zult straks; met Mg in dezelfde heerlijkheid deelen.;

Uit de groote verdrukking komende, is dit woord niet als een zacht wenken: vrees niet, niet maar 'n weinig uren, nog; maar een korten tijd, en ge zijt ook Boven.

Nu de vraag: „hoe heeft deze ingang plaats? " Hoe komen ze binnen? Daar bestaat verband in deze dingen. Wanneer we het volgende vers raadplegen, wordt" het voldoende belicht. Hier staat: „daarom zijn ze voor den Troon Gods "

Waarin is nu dit „daarom" gelegen? Mogen wij het u eens voorhouden? Zij hebben hunne lange kleederen* gewasschen. Zij hebben ze wit gemaakt in het bloed des Lams.

Ziet, daarom komen zij voor den Troon, Wie van het Lam maar ietssontvangen heeft, komt binnen.

Wanneer men zoo van druk hoort, van groeten druk zelfs, zoo kon de gedachte rijzen: daarin zal zeker de sleutel zijn bevestigd. Als een vergoeding voor; dezen grooten druk-wordt dan zeker de hemelpoort ontsloten. Om het dus met; een voorbeeld duidelijk te maken: wijl Lazarus het zoo arm had gehad en zooveel ellende had doorstaan, daarom zou hij, volgens u, in Abrahams schoot zijn opgeklommen ?

Wat laat het Woord dan hier een zuiver schijnsel vallen: zij hebben hunne lange kleederen gewasschen en hebben hunne lange kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams. De grootste der martelaren is er niet gekomen en zal. er niet komen om zijn martelingen, maar aUeen omdat hij gewasschen werd.

Niet een gehavende en gescheurde mantel, maar een gewasschen kleed zal het hemelsch tooisel zijn.

Naar het bloed des Lams wordt alles teruggeleid. Dat ia het kenteeken, het kenmerk.

Wg moeten deze beeldspraak eens van zeer nabij beschouwen. Hier wordt ge­handeld over het groote goed. Hier gaathet om den hemel.

Hoe zal ik voor een verzoenden God verschijnen? Hoe zal ik zóó voor Hem staan, dat de hemel voor mij een hemel is? Dan zal ik smetteloos rein moeten zijn, dan zal er geen enkel smetje meer aan mij moeten kleven?

Waar zult ge dat nu zoeken?

Wat dunkt u, zou het voldoende zijn als daar eens tranen van berouw nederdruppelden op uw kleed ?

Zou dit door den Heere als wit worden aangemerkt?

Och lezer, stel de heiligheid des Heeren niet op ééne lijn met uw halfslachtig „ik  zal het maar door de vingers zien." Dat is hier onmogelijk. Het kleed moet rein zijn, het moet hemelsch-wit zijn gewasschen.

En dit kan Christus' bloed alleen.

Dat bloed dekt volkomen. Elke zonde lost zich daarin op., Als de bange, benauwde aangevochtene op dien weg wordt heengeleid, dat Mj bij den Kruiskoningj uitkomt, dan wordt hij 't gewaar wat voor 'n hemelsche zoetheid daarin is  gelegen: „het bloed van Christus Jezus reinigt van alle zonde.

Hij probeert het eerst op alle mogelgke 'wijs. Hij wil zichzelven beteren, hg wil in alle de'geboden Gods-'wandelen. Hij zoekt zijn druk volstrekt niet lichter te maken; hij wordt voor zichzelven een harde meester, maar hoe ook de gangen worden nagespeurd en met hoeveel inspanning ook z'n weg wordt overzien, het wil toch maar nooit wat worden zooals de hemel het vraagt.

Och, zoo klinkt de verzuchting, dat mijn hart maar eens mocht breken, dat in ware verslagenheid maar eens tranen werden vergoten — dan, ja dan zou het leed wegvluchten. Immers de offeranden Gods zijn een verbroken geest.

Als nu het harte maar eens brak. Zoudt ge er dan wezen ?

Ik weet ook zeer wel, dat een gebroken en verslagen harte van God nooit veracht is geweest, maar ruste vindt het alleen in het bloed van Christus Hier wordt den vluchtende eene schuilplaats geboden. Hier alleen

Wat een rijkdom, als de Heere u daar tegenkomt met: „laat ons tezamen richten, al waren uwe zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw, al waren ze rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.

Weet ge waarom dit bloed van Christus zoo wit verft ?

De uitdrukking kunt ge nooit anders verstaan dan op deze wijs: in de bloedstorting van Christus ligt het zich overgeven in den dood. Hij betaalde met Zijn leven. Door Zijn dood werd de-schuld betaald, Gode voldoening geschonken.

Wie hierop nu geloovig mag zien, wie daarheen de toevlucht mag nemen met: „Heere, ik laat me zinken op U", is gereinigd.

Wie zijn ziele hierin verliezen mag, is behouden. .

Daar grijpt de wisseling plaats Christus krijgt het bezoedeld kleed, het zondenpak, en de beweldadigde het zuivere lijnwaad,

waarvan de Dichter zingt:

Gelijk een duif door 't zilverwit En 't goud dat op haar veedren zit , Bij 't licht der zonnestralen Ver boven andre vooglen pronkt. Zult gij, door 't gódldelijk oog belonkt, Weer met uw schoonheid pralen.

Wanneer Gods onweerstaanbre hand De vorsten uit het gansche land Verstrooid had en verdreven, Ontving Zijn erfdeel eedier schoon Dan sneeuw, hoe wit zij zich vertoon', Aan Salmon ooit kon geven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's