Uit het kerkelijk leven.
In „de Heraut" van 22 April jl. troffen we onderstaand artikel aan, dat wij in dit No. van „de Waarheidsvriend" in z'n geheel een plaats geven, om dan in een volgend No. daarop iets te antwoorden.
Het artikel is, zooals men bemerkt, van de hand van Dr. A. Kuyper Sr. en luidt als volgt:
Een vraag van Dr. A. Kuyper.
Gereformeerd.
Gelijk nog onlangs door mij werd opgemerkt, is het aanstonds breken met een kerk, waarin men geboren werd, of waarin men later het lidmaatschap erlangde, en , die nu bleek in belijdenis of in kerkelijke | * handeling te kort te schieten, nimmer door mij verdedigd. Zelf ben ik daarom een reeks van jaren in de Hervormde kerk van Leiden, van Beesd, van Utrecht, van Amsterdam, van Den Haag, en later nogmaals van Amsterdam gebleven, niettegenstaande allerlei misstand, zoo confessioneel, als wat de kerkelijke handeling betreft, bleek ingeslopen te zijn.
Ik meende zoo te mogen en zoo te moeten doen, allereerst omdat de historie toonde, hoe er van een kerk zonder vlek of rimpel nimmer sprake is geweest, zoo min in de dagen der apostelen, als daarna, en ten andere omdat mij in geen enkel opzicht belet werd, te prediken, te getuigen en te handelen gelijk mij toescheen eisch van Christuswege te zijn.
Hierin kwam voor mij eerst een keerpunt, toen kerkelijke besturen mij noodzaken wilden tot handelingen, die afbreuk deden aan wat van Christuswege mij als eisch moest gelden.
Ook toen echter heb ik alleen de Doleantie voorgestaan, wijl bij Doleantie niet eigenmachtig met de kerk gebroken wordt, maar men zich slechts in zooverre aan het kerkelijk leven onttrekt, als noodig is, om zich niet schuldig te maken aan rechtstreeksche schending van de trouw, die men, krachtens zijn belijdenis, en in zijn ambtelijke betrekking, tot aan zijn sterven toe aan den Christus verschuldigd blgft.
• Het is op grond van deze overtuiging, die ik ook aan mijne broeders en zusters, die nog in de Hervormde kerken bleven en niet in Doleantie gingen, noch van liaar scheidden, nooit het doen van wat ik zelf had moeten doen, heb aangeraden of opgedrongen, dan alleen voor zoover en ingeval ook zij op hun beurt onder een autoriteit bleken te staan, die hen dwong te doen wat hun door den Christus verboden is, of tegen de eere van den Christus rechtstreeks ingaat.
Zoo versta ik het dan ook, dat in de Waarheidsvriend van 6 April protest is aangeteekend tegen een schrijven, waarin het lid zijn van een der Gereformeerde Kerken als voor elk waarachtig belijder van den Christus noodzakelijk wordt voorgesteld. n t
Ik laat nu daar, of de beide schrijvers tusschen wie dit conflict rees, van alle eenzijdigheid zijn vrij te pleiten.
Beiderzijds werd m. i. te absoluut gesproken, en beiderzijds was er een tekort in de uiting der broederlijke liefde.
Dit echter latende voor wat het is, moet mij toch éene vraag van het hart, waarop een antwoord van de redactie der Waarheidsvriend mij aangenaam zou zijn.
Met het oog op wat mijn eigen verleden mij deed ondervinden, kleed ik die vraag liefst in dezen vorm: Voor zooveel gij een ambtelijke plaats bekleedt in de Hervormde Kerk, waartoe gij behoort, zijt ge u dan bewust den toegang tot het Heilig Avondmaal steeds te hebben ontzegd aan een iegelijk die u geen enkelen waarborg bood, dat hij den Christus als zijn Heiland en Verzoener belijdt conform de belijdenis der waarheid, gelijk die door de H. Schrift ons als eisch is gesteld, en in de Belijdenisschriften van de Kerk onzer vaderen ligt uitgesproken ?
Is mede, door uw toedoen, door de plaatselijke Kerk, waartoe ge behoort, de toegang tot het H. Avondmaal volstandig geweigerd aan een iegelijk, die elders zich, als uitweg, door een Hervormd predikant als lid had laten inschrijven.
Natuurlijk zijn er tal van gelijksoortige vragen, die hier in aanmerking komen, doch ik bepaal mij tot deze ééne, omdat doch ik bepaal mij loi aeze eeue, umuan het deze quaestie was, waarom men mij | uit de kerk heeft gezet; en omdat er gedurig geruchten ook mij bereiken, dat predikanten en andere ambtsdragers, die op de handhaving van de Gereformeerde Belijdenis zeggen prijs te stellen, desniettemin, zulke elders en hiermede aangenomen in lijnrechten kerkleden strijd, niet in den ban hebben gedaan, maar als tot het Heilig Avondmaal gerechtigde leden, ongehinderd in de kerk, waarover ze zeggenschap hadden, verkeeren lieten en alzoo verkeeren laten mede op hunne verantwoordelijkheid. i
Nu en dan hoor ik wel fluisteren, dat, dit vroeger wel zoo was, doch dat aan' deze schending van de eere van Christus; een einde is gemaakt.
Zeer zou ik er daarom prijs op stellen, indien de schrijver van bedoeld artikel in de Waarheidsvriend, mij de verzekering kon bieden, dat dit laatste metterdaad | zoo is. Of ook, dat hij, zoo 't niet zoo] is, het gedwongen toelaten van zulke personen tot het Heilig Avondmaal, indien hij dit ook zelf verdedigt, als conform de Heilige Schrift zou willen toelichten.
's Gravenhage, 15 April 1917.
De Moderne theologie.
In de Stemmen voor Waarheid en Vrede geeft dr. Bronsveld „Souvenirs" uit zijn leven; en spreekt in een eerste artikel over den tijd dat hij zijn eerste Gemeente, Ophemert, diende; om in dat verband iets te zeggen van de Moderne theologie in die dagen.
Dat gedeelte overnemen we hier gaarne
In de jaren 1862—, 66 was de moderne theologie aan 't opkomen. Men hoorde gedurig van hoogleeraren, predikanten en bekende, ontwikkelde gemeenteleden, dat zij ook „modern" waren geworden. Vooral deed dit verschijnsel zich voor bij leerlingen der „Groninger" school.
De orthodoxie had toen over weinige organen in de pers te beschikken.
Nagenoeg alle tijdschriften en dagbladen waren in andere handen.
In , de Gids" zat Busken Huet, „de Tijdspiegel" werd geredigeerd door J. P. de Keiser, „Los en Vast" stond onder redactie van dr. G. van Gorkum en H. de Veer. In de godgeleerde wereld straalde toen met grooten luister het dubbelgesternte Opzoomer—Scholten, die eerst elkander alles behalve vriendelijk gezind ware», maar sinds 1860 saam voorstanders van de wijsbegeerte der ervaring.
Indrukwekkend groot was de falanx van godgeleerden, die toen den strijd tegen het bovennatuurlijke aanvaardden op katheders, op kansels en in met groot talent geschreven boeken en vlugschriften.
Busken Huet schreef zijn „Brieven over den Bijbel"; A. Pierson zond zijn „Rigting en leven" in 't licht, dat grooten opgang maakte. Prof. Kuenen maakte de resulta-en openbaar van zijn historisch-kritisch onderzoek, dat het O. Testament in tallooze deelen uiteen deed vallen. In „de Bijbelvriend", geredigeerd door de H.H. Poelman en Hooykaas Herderschee, kwamen bijdragen voor van dr. Lamping en anderen waarin b v. de geloofwaardigheid van den Kersttekst werd bestreden. Ds. Herman Hugenholtz diende de gemeente te Leeuwarden en vervreemdde een aantal Friezen van de Kerk en den bijbel. In geleerde dissertaties verdedigden mannen als L W. E. Rauwenhof, van Bell, Berlage de denkbeelden van Prof Scholten, eu predikers als Modderman, Blaauw, Straatman, Steenberg, Slotemaker, Réville, Tiele, Maronier, Frans Rauwenhoff, Oort, Pantekoek, Moltzer, Mosselmans, lokten door hun meer vrijen preektrant veel toehoorders en vervreemdden hen van 't geloof aan het bovennatuurlijke. Zij vonden in breede kringen van onderwijzers, leeraren, magistraatspersonen, officieren, letterkundigen grooten bijval. Alleenlijk gingen véle „leeken" verder dan de 'predikanten en vonden zij het „heengaan" van Busken Huet en Pierson redelijker dan het „blijven" van Réville, Kuenen e. a Reeds toen waren er, die in de woorden „modern—dominé" ietsl in-zich-zelf tegenstrijdigs vonden en zij werden daarvan niet teruggebracht door het boek van H. de Veer, geheeten „Van gelijke beweging als gij."
Velen van de (ironinger hoogeschool versterkten de gelederen der modernen. Een hunner was de hoogleeraar Muurling, die vele jaren met P. Hofstede de Groot en Pareau de Groninger godgeleerde faculteit vormde. Zijn handboek voor Practische Godgeleerdheid werd door voorstanders van meer dan één richting gebruikt en treft ons nog door zijn ernstigen, gemoedelijken toon.
In 1864 gaf Prof. Muurling een boeksken in het licht, geheeten „Resultaten van een onderzoek en ervaring" en daarin legde hij een moderne belijdenis af. Hij was toen 60 jaar oud. Men heeft dezen overgang van den grijzen hoogleeraar in verband gebracht met het feit, dat hij de schoonvader was van Prof. Kuenen, — den beroemden Leidschen geleerde; van dr.J-C. Matthes, den hebraïcus, en van iProf-van der Wijck. Het zal wel waar zijn dat Prof. Muurling door deze uitstekende mannen geen van slechten de moderne indruk { 'theologie, zal verkregen maar hebben hij zelf noemt zijn omheizing van haar denkbeelden een resultaat van onderzoek en ervaring. Het aantal „resultaten", dat door hem wereldkundig werd gemaakt en waarin hij zijn verandering van denkwijze verdedigt en aanbeveelt, bedraagt 84
Onder de ijverigste penvoerders der toenmalige modernen mag worden gerekend ds. Maronier. Hij was o a. de redacteur van de „Bibliotheek voor moderne theologie", „ , waarin dikwerf zeer belangrijke stukken voorkwamen.
Onze jongelingschap.
In de landen waar de oorlog woedt j worden ze weggemaaid door den dood, ' zooals de korenaren afgesneden worden door den scherpen sikkel, dien de maaier onvermoeid en onverpoosd heen en weer slaat.
De bloem der natie sterft weg daar.
En boven de landen en volken die nu bijna drie jaren beroerd en verwoest en verbrand zijn hangen donkere wolken, die voor de toekomst spreken van onheilspellende dingen.
Als men straks ontnuchterd zal rondzien, zal men de toekomst voor landen volk niet vinden. Ze is er niet meer. Al vechtende vermoordt men eigen natie.
Wij hebben onze jongens nog.
Zij zijn nog niet in 't vuur geweest en hartelijk hopen we dat zij ook niet in 't vuur zullen komen.
Daar staat de'toekomst van ons volk.
En die jongens zijn mee ons toebetrouwd.
Beseffen we er nu iets van, wat we ten opzichte van onze jongens te doen hebben?
Moeten ze niet onderlegd in de keunis aangaande de waarheid straks het volle leven in?
Moeten ze niet kennen de historie van ons vaderland, mee met het oog op de toekomst?
Is het niet noodig, dat ze op de hoogte zijn van 'tgeen voorvalt op maatschappelijk gebied; wat er te doen is op schoolterrein; wat dea christen te doen staat in zake het kerkelijk leven?
En daarvoor is de Jongelingsvereeniging nu zoo geschikt.
En daarom is de Bond voor onze Herv. Jongelingsvereenigingen op geref. grondslag zoo nuttig.
In goede orde worden onze jongens dan geleerd en geleid.
In eendracht vinden ze almee dan hun kracht en ideaal.
We zijn niet gelijk aan de korrels zand aan den oever der zee, die los naast elkaar liggen.
We hooren bij elkaar.
We zijn voor elkaar mee verantwoordelijk.
En om de wille van ons land en volk, om de wille van Kerk, School en Maatschappij zijn we verplicht op elkander te letten, elkander te leeren en te leiden.
We hooren bij elkaar. Wat juist op de vergaderingen van onze Jongelingsvereenigingen zoo mooi kan uitkomen, terwijl het zoo heerlijk kan worden getoond en zoo bezielend kan worden ervaren op onzen Bondsdag, dien we gewoon zijn elk jaar te houden op den 2en Pinksterdag.
Op dien Bondsdag even te wijzen is het doel van dit geschrijf.
Onze Vereenigingen bereiden zich voor voor dien dag.
De afdeeling van onzen Bond te Utrecht heeft de noodige schikkingen reeds getroffen, om ons te ontvangen in Irene's groote vergaderzaal.
En straks gaan we met Pinksteren saam ter Jaarvergadering, waarbij we mede de voorbede der Gemeente vragen, opdat deze dag voor onze jongens een goede en gezegende dag mag worden!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's