De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

13 minuten leestijd

Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geene hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen ? Maar indien wij hopen, hetgeen wij niet zien, zoo verwachlen wij het met lijdzaamheid. Rom. 8 : 24 en 25.

Eene levende hope.

De apostel handelt over het zuchten van het gansche schepsel. Uit heel de schepping hoort hij één klacht, één zucht om verlossing. Natuurlijk is dit een onbewust zuchten. Maar het algeheele creatuur, samenvattende alle menschen en alles wat er in is, heeft grootelijks te lijden gehad door den val des menschen, die haar naar de diepte meesleurde, wiens vloek naast den mensch in de aarde sloeg. En nu beluistert de apostel uit al het lijden van den tegenwoordigen tijd, uit de heirlegers van rampen en ellendigheden, het klagen om bevrijding .... floe zou hem in dezen tijd die klacht smachtend in de ooren geklonken hebben, een tijd van verwoesting en vernieling van het edelste der schepping, menschenlevens en menschenvoeding .... Zoo ziet de apostel een reikhalzend verlangen naar de volle openbaring van de kinderen Gods. Door 's menschen val is de schepping ontkroond. Het Paradijs is verlaten. Als echter eenmaal Gods kinderen ten volle tot hun recht zullen gekomen zijn, zal de schepping doelen in den glans hunner heerlijkheid.

Zoo is al het lijden ééne worsteling. Een worstelend smeeken om ontslagen te worden van de banden des doods.

Er is echter ook een bewust zuchten van de kinderen Gods. Zij hebben de eerstelingen des Geestes. Zij wachten op den vollen oogst. De Heilige Geest, die zij in hun hart hebben ontvangen, zingt in hun binnenste het lied van het ware vaderland. Hier is het land der ruste niet. Hier zijn zij pelgrirns. Hier reizen zij de reis der doortrekkenden. En zij storten tranen van heimwee, omdat zij zuchtend wachten op de aanneming tot kinderen, de verlossing huns lichaams.

De zonen Gods wachten op het zoonschap. De verlosten hunkeren naar de verlossing, den vrijkoop, de volle lossing van het lichaam.

Zoo is het ons duidelijk wat het voorwerp der levende hope is. Er zal een tijd komen, van den dag en de ure weet niemand dat de volle mensch zal deelen in de zaligheid die Christus voor hem verworven heeft. De ziel van Gods kind, verlost door het bloed van Jezus Christus, zal met het verheerlqkte lichaam •bekleed worden. Dat lichaam was hier lu oneer en verderfelijkheid op den doodenakker gezaaid. Maar in onverderfeijkheid zal het verrijzen. De stem van den almachtigen Verlosser zal op den jongsten dag over de graven gaan. De zee zal hare dooden weergeven. Ook de aarde. Er zal eene opstanding der verdoemenis wezen dergenen die het kwade gedaan hebben en voor dat kwade geen Verzoening gevonden hebben. De volle mensch zal komen onder het oordeel van een rechtvaardig God. Het zal vreeselijk zijn te vallen in de handen van den levenden God Maar dan zal er ook eene opstanding des levens zijn, der vrijgekochten van de banden de.° doods. Alle omknelling van den dood zal dan' zijn weggenomen, ook die van het lichaam.. Er zal niets ontbreken aan de zaligheid. • De Schrift moge over het toekomstige  heil een sluier laten, zij openbaart ons. wel dat het iets zal wezen dat geen oog gezien en geen oor gehoord heeft en dat'. in geen menschenhart is opgeklommen,  en dat om God eeuwiglijk te prijzen. • Daar zullen alle tranen van de oogen zijn afgewischt. Daar zal geen lijden meer! zijn, geen rouw, geen dood. Geen oorlog; zal daar geleerd worden Geen oorlogsellende zal het leven drukken. Bevrijding  zal er wezen van de zonde en van alles; wat de zonde met zich bracht.

De hoogste vrijheid zal wezen de innigste vrede. Een toekomst die den apostel zóó toelacht dat hij uitroept: Dan zullen wij altyd bij den Heere zijn.

Voor dié hope werden wij gered, zegt Paulus. Om dat onuitsprekelijk groote goed te beërven, werden wij behouden. Wij zijn in hope zalig geworden.

Het is niet te verwonderen dat vaak zeer sterk door Gods kinderen verlangd wordt naar dat zalige leven ter verheerlijking Gods. Er is toch hier op aarde • zooveel belemmering om te leven naar, den lust die in het hart geboren werd, • dat wel eens met den apostel geklaagd wordt: ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ? .... Door den levendmakenden Geest ontstaat er toch tweeërlei zuchten: een zuchten over ons zelf en een zuchten naar God. En hoe meer oefening des Geestes er mag wezen, des te meer neemt de droefheid over ons zelf toe, maar in diezelfde mate groeit ook de wensch om naar Gods wil te leven. Maar hoe sterk moet-dan die lust in 's Heeren wet wezen als wij ons gerechtvaardigd weten in het geloof .... Het kan niet anders, dan moet er een brandende begeerte zijn om zich als kinderen Gods te openbaren. Maar zie, dan doet de belemmering in dien zielewensch zooveel pijn. En welk een hinderpaal is dan de zonde die in ons woont! Laat het maar eens beproefd worden het gedurende één dag in praktijk te brengen, geestelijk te zijn. Niet in vormendienst, maar inderdaad. En toetst u dan in oprechtheid in den spiegel van de wet des Geestes, die u zoo lief is. Ge zult aan den avond van dien dag moeten zeggen: Heere, treed met mg niet in het gericht, want ik zal niet kunnen bestaan. Want is de zonde gruwelijk, dan zijn al mijn levensdagen vol gruwel. Als er dan geene verzoening ware in Christus' bloed, er zou voor mij geen behoud zijn.... Er is zooveel belemmering om als kinderen Gods te wezen. Daar zijn ook de verzoekingen en de aanvechtingen van den booze, die nog steeds zulk een machtigen invloed hebben op de kerk des Heeren, .. Daar is ook eene zondige omgeving, 's Heeren discipelen zijn in een wereld waar op elk terrein de zonde woelt en werkt. Zij staan er midden in. Zij zijn er mee saamgegroeid. Zij kunnen er zich niet aan onttrekken; zij mogen het niet doen; zij zullen het niet doen. De walm der ongerechtigheid waait hen uit alles tegen. Zou dit geen oorzaak van smart zijn voor een ieder die de zonde leerde beweenen? Het schijnt soms wel of de kinderen dezer wereld in victorieuse openbaring komen.

Welnu, hoe gelukkig is het dan dat de Heere bij het geloof ook de hoop werkt, de levende hope dat God Zijn • volk verlost om een groot goed te beerven. Dat groote goed is de vrijheid der kinderen Gods. Er zal geen belemmering; zijn, niet de minste, in-of uitwendig, in! den dienst des Heeren. Het vrome volk, in God verheugd, zal hun wensch verkrijgen. Hun blijdschap ten hoogste toppunt stijgen. Het lichaam, ook een deel der schepping, zal vrij zijn van de zonde, en zal in de eerste plaats deelen in de vrijheid der kinderen Gods. En er zal eene nieuwe hemel en eene nieuwe aarde wezen, waarop gerechtigheid wonen zal.

Deze levende hope heeft ook een vakten grond. Omdat het op een eeuwigheid aangaat, zal het huis der hope op een onwankelbaren bodem staan moeten. Hier is niet bedoeld eene vage verwachting. Hierin heeft het woord „misschien" geen plaats. Het geldt hier een wetenschap, die wel gefundeerd is en saamgegroeid met 's menschen innerlijk wezen. Zij moet ook het persoonlijk deel van een ieder onzer zijn.

Letten wij eens op het.elfde vers van ons hoofdstuk. „En indien , de Geest desgenen die Jezus uit de dooden heeft opgewekt, in u woont, zoo zal Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, ook uwe sterfelijke lichamen levend maken, door Zijnen Geest die in u woont." Twee elementen zijn hierin saamgevat: , de grond der hope buiten den mensch, in de opstanding van Jezus Christus uit de dooden; het onderpand van den levendmakenden Geest in den mensch. Wat het eerste betreft, het Hoofd der Gemeente is verrezen uit het graf. „Houd dit in gedachtenis" zoo wordt in allerlei woord van eeuw tot eeuw die Gemeente toegeroepen. Niet alleen om haar te zeggen dat de schuld der zonde tot op de laatste penning is betaald en de straf der zonde ten volle gedragen, maar ook om duidelijk te toonen tot welk eene heerlijkheid God de Zijnen zal opvoeren. Hij is het Hoofd. Het levend Hoofd, dat geen doode leden kan en zal hebben.

Alle menschen worden weggemaaid door den dood. Zij allen vallen onder zijn sikkel als halmen neer. Ook zij, die Jezus als hun Heiland kenden. Zal dan Christus de eenige levende mensch in heerlijkheid zijn? Neen, Hij is de Eersteling dergenen die ontslspen zijn. En op den Eersteling zal de oogst volgen. En Christus zal Zijn Gemeente doen triomfeeren over al het verderf.

Maar dit heilsfeit moet ook ten nauwste met ons zieleleven vereenigd zijn. Anders is de levende Christus nog dood voor ons. Daarom spreekt de apostel van den Geest, die in ons woont en die Christus uit de dooden heeft opgewekt. En die Geest is het onderpand dat wij eenmaal als kinderen Gods geopenbaard zullen worden, in de verlossing van ons lichaam.

Ontegenzeggelijk is dit eene zaak die vaak eerst na zeer bange zielsworsteling in den mensch tot helderheid en klaarheid komt. Menigeen blijft lang staan voor de vraag: is de levendmakende Geest wel in mij ? Juist zij, die niet door hevige schokken, maar meer op eene geleidelijke wijze zich bekeeren van hun ijdelen wandel, hebben hiermede 't allermeest te doen. Hun stille weg is daarom zulk een moeilijke weg Zij worden vaak door twijfel geschud, als het gaat om de teekenen van geestelijk leven in hen.

..... Dit zij dan tot onderwijzing en tot troost. De levendmakende Geest leidt naar de diepte der zelfkennis, maar zóó alleen ook tot Christus. Het is de Geest die doet rusten in het volzalige werk van den Heere Jezus, die gestorven is om onze zonden en opgewekt om onze rcchtvaardigmaking. De levensgemeenschap met Christus geeft alleen zekerheid. Het geloof in Hem overtuigt mij dat de levendmakende Geest in mg is. In de vereeniging met den Verrezene draagt Gods kind het onderpand in het hart van de erfenis die hem is weggelegd. Ja, dan kunnen wij er ook zeker van zijn dat die Geest geen half werk zal doen. Uit God komt het volkomene, uit Hem alleen. Hg, die een werk begonnen heeft, zal het ook voleindigen. Wij, die de eerstelingen des Geestes hebben, zoo mag dan in het zuchten: nog geroemd worden, verwachten de aanneming tot kinderen. Zoo zeker als wij weten dat na de morgenschemering de zon aan den horizon zal verschijnen, zoo zeker zal in den dag der dagen de zon der heerlijkheid opgaan over het volk van God. Zalige verwachting ! Blij vooruitzicht! Het is de levende hope, gegrond in 's Heeren opstanding, bevestigd in ons door den Geest I Aan het einde der baan zal de hemelsche glorie het deel zijn dergenen die in dit aardsche tranendal, door bange zielsworsteling heen, zich mochten vastklemmen aan den Christus Gods.

Die levende hope geeft ook kracht voor dit aardsche leven. Het lijden van den tegenwoordigen tijd maakt voor den apostel wel degelijk een punt van beschouwing uit, ook al houdt hij het er voor dat het in de verste niet te vergelijken is met de heerlijkheid die hem zal geopenbaard worden. Veel leed is hier op aarde te dragen. Aan velerlei ellendigheid zijn wij onderworpen, om onze zonde. Niet zonder reden wordt dit leven een jammerdal genoemd.

Daar is een zuchten van het gansche schepsel Toch gaat er van de Christelijke hope kracht uit voor het leven in den tijd. Hoop doet leven. De verwachting van den hemel doet deze aarde niet verachten. De hoop op de toekomende wereld is geen oorzaak om zich terug te trekken van de tegenwoordige wereld— O, gelukkig is het als wij de tijden van afzondering kennen, om met God ons alleen te weten. Zoodat wij niet voortgej aagd worden met het j agende leven. Zoodat wij niet louter meestroomen met den snellen stroom der aangrijpende gebeurtenissen van dezen tijd. Het zijn niet de slechtste tijden als wij den levensnood bij den Heere klagen, als wij onze zonde bij Hem uitweenen en Zijn genade en Zijn zegen afsmeeken, Zijn kracht en Zijn hulp voor het strijdperk van dit leven. Zulk een tijd is een hemel hier op aarde, een Pniël, zooals voor den worstelenden Jacob. Maar zoo ontvangt hg levensmoed, moed om Ezau tegemoet te treden, om het lijden van den tegenwoordigen tgd onder de oogen te zien.

Gesterkt te wezen in zijn God, wil ook zeggen gesterkt te wezen in de hope, maar ook om met lijdzaamheid te loopen de loopbaan die ons voorgesteld is.

Welk eene levenskracht is er in den apostel. Hij spreekt van een hopen op de dingen die niet tot het heden behooren, op de onzienlijke dingen. Wij zien er niets van. Wat wij wel zien is het lijden. Dat behoort tot den tegenwoordigen tijd. In het midden van dat lijden staan wij. Daarmee komen wij in aanraking, van dag tot dag, van jaar tot jaar. Maar wat wij niet zien kunnen, dat maakt onze hope uit. Wilt gij weten hoe krachtig die hope bij den apostel was en welk een kracht zg hem schonk in het lijden ? Hij heeft tegen de wilde dieren gevochten. Maar wat nuttigheid, vraagt hij, ware dit, als de dooden niet werden opge'-vekt. Die bittere vernedering, die smadelijke worsteling heeft hij doorgemaakt, alleen met de gedachte: het lijden van den tegenwoordigen tijd is niet te waardeeren tegen de heerlijkheid die ons zal geopenbaard worden.

Hiermede moeten wij ons zelf eens vergelijken. Bij den minsten tegenslag zitten wij vaak teleurgesteld neer. Ons murmureerend hart bruist er met geweld tegen op. Of wij buigen ons vaak machteloos onder het onvermijdelijke Of rnisschien hebt gij ook wel deze neiging in u ontwaard dat ge 's levens ellendigheden niet wilt beschouwen in verband met den levenden Christus. En als ge het doet, bestaat dit misschien in algemeene opvattingen die gij anderen napraat. Maar die opvattingen leven niet in u Dan is het toch heel anders met den apostel. Hij beluistert het zuchten van het gansche schepsel. Hij acht dit niet gering. Het schepsel is als in barensnood tot nu toe. Maar hij plaatst dit al in verband met de verlossing van Gods kinderen.

Alles roept om die verlossing. In heel de schepping hoort hij ééne bede.-Heel de wereld is hem één gebeds-tempel. Heel de wereld is hem één Pniël, waarin ééne machtige worsteling plaats vindt om den zegen Gods.

En wat is die zegen ? De verlossing der verlosten.

Zoo schenkt de levende hope hem kracht in het lijden. Zoo adelt zij zijn levensbeschouwing, zijn lijdensbeschouwing.

En dit ééne gebed, waarin hij zelf ook met zijn gansche ziel meebidt, geeft hem 4e verzekering dat de verlossing eenmaal komen zal.

Sterker dan het zuchten der gansche schepping klinkt hem reeds het loflied der gezaligden in de ooren En 'de toekomst blinkt hem tegen, wanneer in al het creatuur de reinste harmonie zal wezen in de verheerlijking Gods, door de verlossing die in Christus Jezus is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's