Vragenbus.
Modus Vivendi. VII.
Mede onder invloed van de Dordtsche troebelen was in de buitengewone vergadering van de Synode, gehouden April 1880, voorloopig aangenomen een Reglement op de Kerspelvorming. Komt deze kwestie aan de orde in de gewone vergadering van het jaar 1880, nadat de consideratiën der Kerk zijn gevraagd en ontvangen.
We doen een paar grepen uit de discussiën:
In het Prov. Kerkbestuur van Zuid-Holland was opgemerkt „dat de oorzaak van de troebelen in de Kerk niet ligt in het niet genieten van eene billijke vrijheid van beweging, maar in het streven om absolute leervrijheid in de Kerk te doen wettigen en in 't gedurig wijzigen en omzetten van de belijdeniskwestie, ten einde gelijke vrijheid te verleenen aan hen die Gods Woord als regel van geloof en leven erkennen en mitsdien de genade in Christus als den eenigen grond der zaligheid belijden, èn aan hen die dit alles loochenen, terwijl toch die laatsten niet in. de Kerk behooren."
Het Kerkbestuur van Utrecht verklaarde zich eenparig tegen de geheele zaak.
„ Het acht de toekenning van het recht tot kerspelvorming aan een klein gedeelte der Kerk (gemeenten met meer dan één predikant) hoogst onrechtvaardig als er van zoodanig recht in de Kerk sprake kan wezen. Het kan echter zulk een recht niet erkennen; het noemt de praemisse van welke de Kerk uitgaat „dat de tegenwoordige richtingen in de Kerk aldaar feitelijk recht van bestaan hebben" principieel valsch als in lijnrechten strijd met het karakter onzer Kerk, die eene belijdenis heeft en (nimmer haar belijdend karakter heeft prijs gegeven) ondanks alle daartoe aangewende pogingen. De Synode, in de eerste plaats geroepen om de belijdenis der Kerk te handhaven (art 11 Alg. Regl.) MAG van haar standpunt het feitelijk bestaan van verschillende richtingen in de Kerk niet erkennen en veel minder trachten te wettigen en tot punt van uitgang maken van eene nieuwe organisatie, waardoor feitelijk het geheele karakter onzer Kerk wordt prijs gegeven. Van de verklaring der Synode in hare Memorie van toelichting, dat in de eerste plaats alles wat op de belijdeniskwestie betrekking heeft, is blijven rusten bij de vaststelling van dat Reglement, zegt het Kerkbestuur, „dat het waarlijk, van al te groote naïviteit zou getuigen, wanneer, niet werd ingezien, dat de belijdeniskwestie door de aanneming van dat Reglement ware opgelost in dien zin, dat er voortaan naar geene belijdenis meer zou worden gevraagd en de Kerk feitelijk zou zijn ondergegaan in een genootschap, waari iedere meening recht van bestaan zou hebben, mits zij slechts door een zeker aantal personen werd aangekleefd." (blz. 150).
Uit het midden van Frieslands Kerkbestuur is déze stem in de Synodale Acta opgeteekend: „men is er tegen omdat de kerspelvorming in flagranten strijd is met het door de Synode vooropgezette intact laten der belijdenis; omdat de Kerkbesturen onbevoegd zijn om de, gemeenteleden tot een keuze te verplichten; omdat ontbinding der Kerk moet volgen, daar de voorgestelde kerspelvorming wel den naam van Kerk behoudt maar elk begrip van Kerk in onderscheiding van andere zedelijke lichamen prijs geeft. De kerspelvorming is inderdaad Kerkontbinding, nl. ontbinding van dat lichaam, waarvan Christug het Hoofd is en welks leden zich naar Zijne uitgedrukte bedoeling in Hem één en lotgemeen gevoelen en betoonen in alles." (blz. 150—151)
Uit Overijsel merkt er een op „dat hij het woord Kerspel moet afkeuren, omdat dat woord in onze taal eene geheel andere beteekenis heeft dan waarin het hier wordt genomen"; daarbij meende men, dat het voorstel was „leidende tot Kerkontbinding en daarbij practisch onuitvoerbaar."
In de Waalsche Commissie is er één lid die in kerspelvorming slechts Kerkontbinding ziet; twee leden betreuren, „dat men de belijdeniskwestie heeft laten rusten, waardoor het Reglement in theorie zijn eigen gezegde reden van bestaan zou hebben verloren. Zij zouden gaarne aan de verschillende kerspelen het recht toegekend zien de vragen der aanneming te regelen zooals zij die het best oordeelden, terwijl nu in de practijk de Kerkeraden toch zullen doen, wat hun in beginsel is verboden".
Overzien we de consideratiën der verschillende Kerkbesturen, dan blijkt dat de Kerkbesturen van Groningen en Drenthe eenparig vóór de voorgestelde kerspel vorming zijn; dat van Utrecht eenparig tegen; terwgl in de overigen de gevoelens verdeeld zijn. Gelderland 5 voor, 4 tegen; Zuid-Holland 2 voor, 7 tegen, Noord-Holland in meerderheid voor; Friesland 4 voor, 3 tegen; Overijsel 1 voor, 2 tegen; Noord-Brabant met Limburg. 6 voor, 1 tegen; Waalsche Commissie 5 voor, 1 tegen.
De ontvangst in de Classicale Vergaderingen wordt op blz. 162 etc. aldus in de Acta geteekend:
„Het Ontwerp is door de meerderheid, vooral op de groote Classicale Vergaderingen, ongunstig beoordeeld. Die Classicale Vergaderingen, waarvan de groote stads-gemeenten de middenpuuten uitmaken, hebben bijna allen met groote meerderheid, een enkele zelfs eenparig tegen geadviseerd, zooals Amsterdam, 's-Gravenhage, Rotterdam, Utrecht, Arnhem, Nijmegen, Lelden, Dordrecht, Middelburg, Gouda, Sneek; en het is vooral opmerkelijk, dat zelfs de Classicale Vergaderingen van Zwolle en Haarlem, blijkens het verslag, de Kerspelvorming hebben afgekeurd.
Het Reglement is derhp, lve in bijna alle stadsgemeenten van meer of minder omvang, die over de uitvoerbaarheid practisch juister en beter kunnen oordeelen dan die Classicale Vergaderingen, welker leden slechts dorpsgemeenten of kleine steden vertegenwoordigen, ongunstig ontvangen", (blz. 163)
Hierbij is nog op te merken, dat de Classis Rotterdam een protest indiende, 't welk gesteund werd door 72 stemmen.
In Arnhem was héél de vergadering tegen, op 3 leden na; Harderwijk eenstemmig tegen; 's-Gravenhage tegen ; Rotterdam tegen; Leiden 59 tegen, 11 voor; Dordt 53 tegen, 16 voor; Gouda 54 tegen, 18 voor; enz. enz.
Haarlem was met groote meerderheid tegen. 26 leden waren van oordeel: Het is slechts een maatregel voor bijna 100 gemeenten; de onrust zal vermeerderen; het zal aanleiding geven tot strijd in administratieve zaken; men kan de rechten der minderheid niet reglementeeren zonder de meerderheid te kwetsen. Deze 26 hielden zich aan het advies van den heer Bruinwold Riedel en aan dat van dr. Gunning, om namelijk aan de gemeenten te verleenen autonomie in alles wat leer en geestelijke behoeften betreft met een Synode met uitsluitend administratieven band.
Dordrecht wenscht eenparig, met uitzondering van 4 stemmen, dat de Synode een middel berame, dienstig om boedelscheiding langs gematigden weg in het leven te roepen, opdat het heterogene niet langer als één worde beschouwd.
Middelburg meent den eisch te mogen doeii, dat de Synode aan de Kerk hare oorspronkelijke inrichting, voor zoover de rechten der gemeenten en der dassen binnen haar ressort betreft, hergeve en de bijeenkomst der Nationale Synode voorbereide. Zulk een Synode zou dan de leer der Kerk kunnen handhaven naar Gods Woord
Haarlem, Brielle en 15 leden van Goes verlangen autonomie der gemeenten in alles wat leer en geestelijke belangen n betreft, met eene Synode die uitsluitend administratieve macht heeft.
Van enkele Kerkeraden waren adressen ingekomen bij de Synode en wel van den Kerkeraad te Groningen, Opperdoes, Oosterbierum en Enschede.
De Kerkeraad van Oosterbierum spreekt zijn verbazing uit, dat de Synode het gewaagd heeft, met zulk een Kerkontbindend reglement tot de Classicale Vergaderingen te komen, eene verbazing, die bijna tot verontwaardiging stijgt bij de gedachte: namen en vormen zijn wat veranderd, maar in hoofdzaak hebben wij hier terug het ten vorigen jare verworpen reglement tot handhaving van de rechten der minderheden. De Kerkeraad wil, naar den aard der liefde, nog altijd gelooven, dat het der Synode niet te doen is om de Kerk te verwoesten, maar om, zoo doenlijk, hare breuke te heelen. Zij haaste zich dan echter om'een reglement in te trekken, dat in gemeenten met twee en meer predikanten tal van conflicten zal in 't leven roepen.
Deze Kerkeraad roept der Synode vervolgens nog toe: „Verschoon ons nu eens eenige jaren van nieuwe voorstellen tot wets verandering, waardoor de Kerkelgke reglementen een doolhof worden en de Classicale Vergaderingen meer debatingsclubs, dan samenkomsten van broeders, over wie de Naam des Heeren is aangeroepen".
Wanneer de Commissie van Rapport in de Synode aan 't woord komt bemerken we, dat deze Commissie er vóór is om het Reglement te accepteeren en vast te stellen. Als argument worden daarbij dan ook naar voren gebracht de troebelen te Dordrecht, waarbij het zou gebleken zijn, dat de toestanden langer onhoudbaar zijn. Vandaar ook trouwens dat de Synodale Commissie haar opdracht, haar door de Synode van 1879 gegeven, zóó vlug had ter hand genomen en uitgevoerd, dat nog in het jaar 1879 in een buitengewone vergadering dit Reglement tot kerspelvorming kon worden behandeld en voorloopig aangenomen.
Op die buitengewoon ernstige en onhoudbare toestanden wordt door de Commissie van Rapport nadruk gelegd en verklaard, dat ieder die tegen het Reglement is „den nood der tijden voorbijziet." (blz. 175)
Eén lid der Commissie kon met de beschouwing der meerderheid niet meegaan en diende afzonderlijk een advies in, dat aldus wordt weergageven in het Rapport:
„Een lid der minderheid verklaart zich ten sterkste tegen deze voorgestelde kerspelvorming, niet slechts omdat de meerderheid der leden van de Classicale Vergaderingen en inzonderheid de meeste afgevaardigden van bijna alle groote gemeenten er eenstemmig tegen geadviseerd hebben, maar bovenal, omdat zij, als organiseering van de desorganisatie, het beginsel der belijdende Kerk aantast; omdat zij eene gevaarlijke proefneming is; omdat zij, in plaats van de eenheid te bevorderen, de verdeeldheid en de verwarring vermeerdert, en tot eene gedwongen splitsing en ontbinding van het Ned Hervormd Kerkgenootschap leidt. Wordt dit voorloopig aangenomen Reglement vastgesteld en ingevoerd, dan voorziet hij verzet in de groote gemeenten, voornamelijk bij Kerkvoogdijen en Collegiën van beheer, en de verwikkelingen zullen dan eerst recht aanvangen, vermits men wel in aanmerking moet nemen, dat de strijd alsdan van het geduldig papier op het veelzijdig bewogen leven wordt overgebracht.
Bescheiden, maar dringend verzoekt hij daarom zijnen geachten medeleden, om, niet ingrijpende met het heelmes van eene kerkelijke wet in het ziekte-proces, dit ontworpen reglement in te trekken, en de genezing van het kritiek kranke lichaam der Kerk onzer Vaderen aan de almachtige zorg van den besten Medicijnmeester en aan de Goddelijke leiding van Zijnen Geest over te geven." (blz. 175).
Doelende op het voorstel der classis Middelburg zegt de Oommissie van Rapport: „deze classis is van oordeel, dat de Synode, tengevolge van haar oorsprong en de inrichting der Kerk, deze hoogst gebrekkig vertegenwoordigt. Zij meent daarom met volle recht te mogen eischen, dat de Synode aan de Kerk hare oorspronkelijke inrichting, voor zoover de rechten der gemeenten en der classes binnen haar ressort betreft, hergeve en de bijeenkomst der Nationale Synode voorbereide. Zulk eene Synode zal, volgens de bedoeling der voorstellers, dan de leer kunnen handhaven. „De Kerk" toch, „wettig vertegenwoordigd, heeft het recht hare belijdenis uit te spreken; dat wil zeggen: aan Gods Woord te toetsen en gravamina, daartegen ingebracht, te onderzoeken."
Eenparig — zoo gaat de Commissie voort — ontraden wg u, in dit voorstel te treden. Het komt ons voor, dat .de bezwaren tegen de Kerkinrichting van 1816, van die zijde ingebracht, grootendeels van kracht worden beroofd door de herziening van het Algemeen Reglement, die in 1852, en vooral door de invoering van het algemeen stemrecht, die in 1867 heeft plaats gehad, en dat het oude, dat zijn tijd gehad heeft, zich niet laat herstellen. Maar dat vooral geen heil is te verwachten van eene Nationale Synode, als door voorstellers bedoeld, door welk denkbeeld dit voorstel zich aansluit aan' het advies, door de 1ste sectie der Oom-' missie van Negen in 1873 gegeven. Zulk eene Synode zal de scheuring te voorschijn roepen, die men wenscht te voorkomen. Een andere Bogerman zal het „ite, ite, dimittimini" spreken, en wie zullen de gebannenen zijn?
Indien uwe vergadering meent dezen weg niet te kunnen inslaan, adviseert de classis Middelburg haar toch „de schijnbare eenheid der Kerk niet langer te handhaven, maar ridderlijk de autonomie aan de afzonderlijke gemeenten terug te geven, en hetzij eene provisie voor de minderheden buiten het Kerkverband te maken, hetzij de regeling van deze aangelegenheid geheel vrij te laten."
Na het voorstel Middelburg laat men een voorstel van de classes Brielle en Haarlem aan de aandacht der Synode voorbijgaan en zegt daarvan:
„In overeenstemming met de hoofdstrekking van het voorstel van Middel burg vraagt de meerderheid in de classes Brielle en Haarlem gemeen te-autonomie in al Wilt de geestelijke belangen betreft, met eene Synode die alleen adminiiiratieve macht heeft.
Omtrent dit voorstel meenen wij te moeten opmerken, dat autonomie der gemeenten, zonder dat de rechten der minderheden binnen het Kerkverband wettig verzekerd zijn, die rechten blootstelt aan schromelijke verkorting, 't Bezwaar van den tegenwoordigen toestand wordt op die wijze uit de Kerk naar de gemeenten verplaatst, waarin de heerschappij der meerderheid zich op ondragelijke wijs zal doen gevoelen. Dit middel juist zal erger blijken dan de kwaal, die men genezen wil. De onderdrukte minderheid zal weerloos zijn, daar haar de steun en bescherming van hooger bestuur ontbreekt.
Ten opzichte van het voorstel uit de Classis Dordrecht merkt de Commissie in haar Rapport op:
„Ook de classis Dordrecht wil de eenheid verbroken zien. Zij raadt dat de Synode hoe eer hoe beter jxiddelen berame, dienstig om „boedelscheiding" in het leven te roepen. De meest heterogene bestanddeelen der Vergadering gaven aan dit voorstel hunne stem, opdat de greuzenlooze verwarring toch eenmaal een einde mocht nemen.
Hoewel uwe Oommissie het karakteristiek acht, dat dit voorstel uit Dordrecht komt, meent zij u daaromtrent het volgende in overweging te moeten geven. Wie meent dat de Synode het daarheen kan leiden, dat in de Ned. Herv. Kerk ten behoeve van hare leden boedelscheiding plaats hebbe, maakt zich eenvoudig eene illusie. Van boedelscheiding spreekt het Burgerlijk Wetboek met het oog op erfenissen. Erfgenamen hebben 't recht eene nalatenschap, die hun gezamenlijk toekomt, onderling te verdeelen. Elke Vereeniging (Sociëtas) kan, met verdeeling van het gemeenschappelijk eigendom, uiteengaan. Maar de Ned. Herv. Kerk in haar geheel en iedere bizondere gemeente is zulk eene Vereeniging niet. Zij is een zedelijk lichaam (uuiversitas). De Kerk, de gemeente bestaat niet maar eenvoudig uit de som van hare tijdelijke leden. Ook waar die leden ontbreken, „stat nomen universitatis". Aan de goederen van het zedelijk lichaam wordt, wanneer 't geacht kan worden, niet meer te bestaan, door den Staat eene bestemming aangewezen, zoo na mogelijk overeenkomende met de oorspronkelijke bestemming. Uwe Commissie is op dezen grond eenparig van gevoelen, dat door u aan het verzoek der Classicale Vergadering van Dordrecht niet kan worden voldaan.
Van orthodoxe zijde kwam uit de classis Brielle eene consideratie in, waarmede 17 leden zich vereenigden.
Het Rapport omschrijft dat advies van Brielle aldus: „het ontwerpen van zoodanige bepalingen, waardoor het onvereenigbare kan uiteengaan en zich zelfstandig ontwikkelen, zoowel in gemeenten als classes en Synode, met opheffing van de provinciale indeeling en provinciale besturen, onder behoud alleen van eene gemengde financieele commissie."
Wegens het ingrijpende van dezen maatregel — zoo zegt de Commissie — „kunnen wij u niet adviseeren daartoe over te gaan."
Om dezelfde reden ontraadt de meerderheid der Commissie de Synode ook, te treden in het voorstel van de classis Eindhoven, dat hoewel van het evengenoemde verschillend, in de bizonderheden eene dergelijke strekking heeft.
Die vergadering, immers haar meerderheid, verzoekt de Synode de Kerkelijke kwestie op te lossen door de geheele Kerk in twee of meer afdeelingen te splitsen, die ieder hare eigen geestelijke belangen regelen, maar samen de gemeenschappelijke stoffelijke belangen door een hoogst college, waarin al de afdeelingen evenredig vertegenwoordigd zijn. Zy acht dit de eenig mogelijke wijze, om de belijdenisvraag en alle kwesties, die daarmee samenhangen, op billijke en bevredigende wijze op te lossen. Langs dezen weg wordt ook het gevaar voorkomen van overheersching der Kerk door ééne der bestaande partijen. Zij vraagt u, dat het geschiede in den geest van het voorstel, gedaan in uwe buitengewone vergadering van April jl. (zie Synod. Handel. April 1880 blz. 118—119; 126—128).
Dit voorstel vond bij één lid der Oommissie warme ondersteuning. Hij lichtte het toe met de navolgende opmerkingen: „De Synode zou langs dien weg eenvoudig voortgaan op de lijn, waarop zij zich met het Regl. op de Kerspel-vorming heeft begeven. Die maatregel bliijft nu eene halve. Immers in de Classicale Vergaderingen en hoogere Kerkbesturen, ook in de Synode, blijven de in de gemeenten gescheidene partijen bijeen, om met en voor elkander leerbepalingen vast te stellen, hooger onderwijs in te richten, aanneming en bevestiging van lidmaten en toelating tot de Evangeliebediening te regelen. Men kan dit niet doen, zonder dat de tijdelijke meerderheid der minderheid een juk oplegt, in stryd met den christelijken geest en vrij.e mannen on waardig, 't Zal dus voor de Synode een geven en nemen moeten blijven. Een zuivere toestand zal niet geboren worden. Eu het einde zal zijn, dat de meerderheid in de Provinciale Kerkbesturen en in de Synode de minderheid uitdringt of uitdrijft, en haar alzoo hare rechten ontneemt, zonder dat de minderheid zich op éénige menschelijke macht tot handhaving van haar recht kan beroepen "
Bedoeld lid had zijn denkbeeld vorm gegeven in een concept-reglement op de splitsing der Kerk in afdeelingen, dat hij zijnen mede-leden der Commissie meedeelde. Hij wilde het niet gesteld zien in plaats van, maar beschouwd hebben als supplement op hel Reglement-Kerspelvorming.
Een ander lid der Commissie verklaarde, dat hij, zoo hij eene keuze had te doen, het laatstgemelde voorstel bóveu het Reglement op de Kerspelvorming zou verkiezen en gaf te kennen, dat het naar zijne meening tot de bedoelde splitsing wellicht eenmaal nog zou moeten komen, doch dat hij voor 't oogenblik zich met dergelijke ingrijpende maatregelen niet vereenigen kon. Ook de overige leden uwer Commissie meenen u het aannemen van dit voorstel te moeten ontraden." (blz. 179).
Na zoo een en ander breed besproken te hebben eindigt de Commissie met advies: het voorloopig aangenomen reglement definitief vast te stellen, (blz. 180). Men oordeelde, dat om het schoone doel te bereiken over vele bezwaren moest worden heengestapt.
Het zou alle richtingen ten goede komen. Alle leden moesten op gelijke wijze gehandhaafd worden in hun rechten en in staat gesteld tot de vervulling hunner plichten (blz 182) En immers 't geloof des harten zal uit den aard der zaak bij onderscheidene personen met grootelijks verschillende begrippen des verstands gepaard gaan. En dat moest in liefde gedragen worden en in vrede geopenbaard.
Men adviseerde overigens om de belijdenis-kwestie in deze te laten rusten, zooals ook de bedoeling van het voorstel was, hoewel „enkelen leden der Commissie het denkbeeld aan de Kerspelen volledige vrijheid te geven grootelijks toelachte", (blz. 185)
Verder raadde de Commissie ook aan „de vergunning tot Kerspelvorming te beperken tot gemeenten met twee of meer predikanten" en „voor diaconale zaken de eenheid der gemeente te handhaven".
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 mei 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's