Luther en de Hervorming.
XVIII.
De Avondmaalsstrijd. (2)
Zwingli zich nu in het gesprek mengend, zeide: e Schrift moet uit de Schrift verklaard ein toegelicht worden. Jezus zeide in Joh. 6:63 dat het vleesch niet nut was, en zou Hij dan in het Avondmaal ons iets hebben willen te eten geven dat niet nMiiüas.? Naar mijn gevoelen behoeven we hier in geenen deele onze toevlucht te nemen tot iets dat te zeer in het buitengewone of wonderbare zou vallen. Het is met de taal van Jezus Christus geheel anders dan met de orakeltaal der oude heidenen. Zijn Woord ia klaar om te verstaan, terwijl de orakels der Ouden bij al hunne beuzelachtigheid diepzinnig en duister waren.
Luther antwoordde in den loop van het dispuut: Ik geloof dat Christus' lichaam in den hemel is, maar ik geloof evenzeer dat het aanwezig is in het Avondmaal. Ik vraag niet of dit tegennatuurlijk is, zoo het maar dè, t is wat geloofd moet worden. Christus is in het sacrament des Avondmaals, gelijk Hij geboren werd uit de maagd Maria.
Oecolampadius bracht hier het gezegde van Paulus bij: „Wij kennen Christus niet naar het vleesch" — waarop Luther terug antwoordde: naar het vleesch wil hier zeggen naar onze eigene vleeschelijke natuur. Het lichaam van Christus is in het brood, gelijk een degen in de seheede. („Corpus est in pane sicut gladius in vagina").
Voortgaande sprak ZwingU: k bestrijd u met ons geloofsartikel: scendit in coelum — is opgevaren ten hemel. Zoo Christus' lichaam in den hemel is, hoe kan het dan tevens in het brood zijn? De Bijbel leert ons van Christus, dat Hij in alles den broederen gelijk geworden is. (Hebr. 2:17). Hij kan dan naar het lichaam niet op verschillende plaatsen tegelijk aanwezig zijn" Luther zei dat hij aan zulke spitsvondigheden weinig waarde hechtte, waarop Zwingli verklaarde allerminst spitsvondigheden maar wel woorden der Schrift te willen gebruiken, nu ook wijzende op 't geen Paulus schrijft aan de Filippensen: de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende". Hij meende dat, aangezien Christus' menschheid van gelijke natuur was als de onze. Hij naar het lichaam niet dan plaatselijk ergens aanwezig kon zijn.
Luther viel hem daarop in de rede, zeggende, terwijl hij met den vinger wees op de bewuste woorden die vóór hem geschreven stonden: „Mijne goede heeren, dewijl onze Heere Jezus Christus gezegd heeft Hoc est corpus meum, geloof ik dat Zijn lichaam werkelijk daér is "
Zwingli sprong toen van zijn zitplaats op, vloog naar Luther toe en riep uit, terwijl hij op de tafel sloeg: „Gij beweert dan, doctor, dat Christus' lichaam plaatselijk in het Avondmaal aanwezig is; want gij houdt staande dat het waarlijk dèé, r is; daar — daar — daar! En daar is een bijwoord van plaats. Christus' lichaam is derhalve volgens u van zulk eene natuur, dat het plaatselijk ergens tegenwoordig is. Maar zoo het ergens plaatselijk aanwezig is, dan is dat gewis in den hemel; waaruit volgt dat het dan niet ook in het brood kan tegenwoordig zijn".
Luther: „Ik herhaal nogmaals, dat ik hier volstrekt van geene wiskunde weten wil. Zoodra de zegen over het brood is uitgesproken is het lichaam daéir, hoe zondig en boos ook de geestelijke zij, die de wijding deed".
Zwingli: „Zoodoende valt gij geheel in den geest van het pausdom".
Luther: „De geestelijke, de leeraar, is hier slechts werktuig en volgt bloot de instelling des Heeren, 'zooals die gegeven werd, en zonder dat daarbij eenige verdiensten of eenige verrichting zijnerzijds in aanmerking komen of aan de zaak iets toebrengen kunnen. En ten aanzien van Christus' lichaam wil ik er niet van hooren dat het aan eene bepaalde plaats zoude zijn. Daarvan wil ik volstrekt niet hooren." ;
De landgraaf oordeelde dat het hoog tijd was hier den woordenstrijd af te' breken tot aan den volgenden dag, Zondag 3 October. |
Zeker zou jnen den Zondag liever niet op deze wijze doorgebracht hebben, maar de conferentie moest zoo spoedig mogelijk afloopen, dewgl er in Marburg een kwaadaardige ziekte was uitgebroken.
Luther vatte dan 's Zondags den draad van het twistgesprek weder op met de woorden: „als ik zeg te gelooven dat het lichaam van Christus in het sacrament des Avondmaals aanwezig is, bedoel ik daarmede geenszins eene eigenlijke plaatselijke tegenwoordigheid."
Zwingli: „Maar dan is het lichaam er ook in het geheel niet".
Luther: „ De Sofisten beweren, dat een lichaam zeer wel aan onderscheidene plaatsen te gelijk aanwezig kan zijn. Het heelal is een lichaam en toch kunnen wij er niet van zeggen dat het zich aan eene bepaalde plaats bevindt."
Zwingli: „Gaat gij u op de Sofisten beroepen, doctor? — Waarlijk, gij zijt op weg om naar de vleeschpotten van Egypte terug te keeren. En wat gij bewijzen wilt met uw heelal, — ik geloof niet dat gij met zulke argumenten bij eenig verstandig mensch veel zult uitwerken".
Voorts deed Zwingli een beroep op de Kerkvaders
„Hoor", sprak hi], „wat Fulgentius, Bisschop van Ruspa, in Numidië, in de 5e eeuw zeide tot Trasamond, den koning der Vandaten: „ Gods Zoon nam de menschelijke natuur aan, maar verloor daarom Zijne goddelijke natuur in geenen deele. Als mensch werd Hij in de volheid des tijds uit eene vrouw geboren, maar naar Zijne Godheid is Hij van eeuwigheid. Voor zooverre Hij als mensch'ter wereld kwam, is Bij waarlijk mensch en bijgevolg slechts aan ééne plaats aanwezig; maar Hij is ook God, en als zoodanig overal tegenwoordig. Naar Zijne menschheid was Hij niet in den hemel zoolang Hij op aarde was, en toen Hij opvoer ' ten hemel, verliet Hij als mensch de aarde; ' maar naar Zijne Goddelijke natuur bleef Hij in den hemel, ook toen Hij de meuschelijke natuur had aangenomen, terwijl Hij naar Zijne Godheid de aarde niet verlaten heeft, toen Hij ten hemel is gevaren".
Doch Luther bleef steeds herhalen: „Er is geschreven: dit is mijn lichaam
Zwingli werd hierover ongeduldig. „Het schijnt, doctor", zeide hij „dat wij niet veel verder komen zullen. Zoo zou evengoed iemand de woorden des Zaligmakers letterlijk kunnen opvatten, die Hij, aan het kruis, tot Zijne moeder richtte, terwijl Hij op Johannes doelde; ; de woorden: „ Vrouw! zie uw zoon". In dien zulk iemand stijf en sterk aan de letter wilde blijven hangen, ware elke poging om hem tot ander inzien te brengen, vergeefscb. Hij zou steeds volhouden dat Jezus gezegd heeft: Ecce filius tuus, zie, uw zoon.
Maar hoor nu ook het getuigenis van den grooten Augustinus. „Wij moeten niet denken", zegt hij, „dat Christus naar Zijne menschheid overal tegenwoordig is. Dit te meenen ware een dwaling. Chïistus is aan alle plaatsen, ais God; maar naar het lichaam kan Hij in den hemel slechts plaatselijk aanwezig zijn."
„Augustinus spre'ekt hier niet met het oog op het Avondmaal", hernam Luther. „Christus' lichaam is in het Sacrament van het Avondmaal aanwezig, maar niet plaatselijk".
Hierbij bleef het weer — en de discussie nam voor 's morgens een einde.
Oecolampadius dacht nog verder na over de woorden die Luther zoo telkens herhaalde en hij geloofde dat daarin wel grond kon gevonden worden voor eene toenadering der partijen. „De doctor heeft gezegd dat Christus' lichaam in het Sacrament van het Avondmaal aanwezig is, maar dat hij daarbij niet gedacht wil hebben aan eene plaatselijke tegenwoordigheid", zeide hij, toen de discussie 's middags hervat was; „onderzoeken wij dan op hoedanige andere wijze die tegenwoordigheid te verklaren.
„Gij zult mij geen stap verder brengen", hernam Luther, die begreep wat men bedoelde. „Gijlieden moogt al Fulgentius en Augustinus op uwe zijde hebben, al de overige Kerkvaders zijn van onze meening".
„Noem ons die vaders. Wij zullen zien of zij zoo zeer tegen ons zijn" — voegde men Luther toe.
„Wij zullen geen namen noemen", hervatte Luther. „De woorden, die gij van Augustinus hebt bijgebracht, schreef hij toen hij nog zeer jong was; en hij is buitendien geen helder uitlegger". Daarmee keerde Luther tot hetzelfde onderwerp weer terug, vergenoegde zich nu echter niet meer met op de woorden Hoc est corpus meum met den vinger te wijzen, maar rukte met drift het fluweelen kleed, waarop die woorden geschreven stonden, van tafel, hief het kleed omhoog, dicht voor de oogen van Zwingli en Oecolampadius en riep uit: „ziet hier! dit is onze tekst. Gij hebt daartegen nog niets kunnen inbrengen wat ons overtuigen kon. Gij zoudt verdere pogingen wel kunnen sparen".
„In dat geval", zeide Oecolampadius, „kunnen wij de discussie eindigen. Ik wil echter vooraf nog aanmerken, dat als wij de Kerkvaders tot staving van onze opvatting bijbrachten, wij daarmede voldoende bewezen hebben dat wij geen nieuwigheid zoeken in te voeren; hetwelk ook eigenlijk met die aanhaling ons oogmerk was: méér dan om, door hun gezag, ons gevoelen kracht bij te zetten".
De kanselier, die met schrik den ongunstigen afloop der samenkomst voorzag, deed een poging om partijen te bewegen dat zij zich toch met elkander verstaan zouden. „Ik weet daartoe maar één middel, " zeide Luther, „en dat is eenvoudig daarin gelegen, dat onze tegenstanders hunne stelling opgeven".
„Dat kunnen wij niet", hernamen de Zwitsers.
„Goed", hervatte Luther, dan oordeele God tusschen u en ons, en dan zullen wij bidden, dat Hij u tot beter inzicht moge brengen".
„Wij zullen hetzelfde doen", antwoordde Oecolampadius.
Een geschiedschrijver teekent hierbij aan, dat Zwingli voor aller oogen in een vloed van tranen uitbarstte.
De landgraaf deed nog wat hij kon om de twee partijen nader tot elkander te brengen „Bedenk", zeide hij, „dat het voor het algemeen welzijn der Kerk volstrekt gevorderd wordt, dat er broederlijke liefde en eendracht zij, en dat verdeeldheid het grootste kwaad is dat de Kerk kan treffen". En-hij zeide dat temeer, waar Karel V en de paus zich verbonden in Italië en Ferdinand en de Katholieke vorsten zich gereedmaakten om de mannen van het protest van Spiers te doen zwichten voor geweld.
De dreigendste onweerswolken pakten zich boven de hoofden der hervormers met eiken dag meer samen. Eendracht alleen kon het dus zijn, wat de Protestanten zoeken moesten, om den gemeenschappelijken vijand het hoofd te kunnen bieden. En toch waren zij nu op het punt van scheiden, de Saksers en de Zwitsers, zonder dat eene verbroedering ; tot stand gebracht was
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 mei 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's