Vragenbus.
VRAAG: Was de regenboog er ook voor den Zondvloed reeds?
ANTWOORD : De regenboog zal er ook vóór den Zondvloed wel zijn geweest en ook zijn aanschouwd door de menschen, maar eerst nê, den Zondvloed wordt hij tot teeken gesteld. Zooals het licht gedragen wordt door de wolken, en zich in de wolkendampen breekt in veelkleurige pracht, zoo — dit was het teeken — zou Gods genade in een donkere wereld geopenbaard worden, zich versprieidend over heel het leven der schepselen in veelvuldigen zegen.
VRAAG: Wat moeten webelijden: „De Bijbel is Gods Woord" óf: „Gods Woord is in den Bijbel".
ANTWOORD: Wij belijden: „De Bijbel is Gods Woord". Heel de Bijbel is Gods Woord. En ja, dan glimlacht de moderne wijsgeer en komt aandragen met allerlei — met den ezel van Bileam voorop — maar dan blijven we zeggen: „De Bijbel is Gods Woord"; héél de Bijbel is Gods Woord. Niet omdat alles wat er in staat door God is gesproken, — want ook menschen, vijanden, beesten hebben gesproken, — maar omdat alles ons van den H. Geest is gegeven zooals het ons gegeven is, tot een bizondere openbaring van Godswege in betrekking tot den weg des heils en der zaligheid.
De uitdrukking „Gods Woord in den Bijbel" wordt aanbevolen door hen, die slechts aan die gedeelten der Schrift Goddelijk gezag willen toegekend hebben, welke dit naar hun eigendunkelijk oordeel verdienen.
Die goede gedeelten erkennen ze als Gods Woord — 't andere leggen ze. als nutteloos, zelfs als bedriegelijk, slecht, onzedelijk, goddeloos zijnde, naast zich neer, of werpen het verachtelijk weg.
VRAAG: Ik heb wel eens gehoord, dat 't geen in de aarde gevonden wordt, duizende bij duizende jaren uoodig heeft gehad om te worden yooals het is, en dat daarom de schepping véél langer moet geleden zijn dan onder ons geleerd wordt.
ANTWOORD: Ik heb wel eens gehoord, dat een mensch jaren en jaren noodig heeft om volwassen gerekend te worden. Nu heeft de Heere Adam en Eva in éen oogenblik geschapen met al de ontwikkeling en vorming, waarvoor anders jaren en jaren noodig zijn.
Is het nu niet 't eenvoudigst om op grond der Schrift aan te nemen, dat de Heere de aarde en de zee geschapen heeft met al de ontwikkeling en vorming die Hem goeddacht?
Ten slotte is dit het fijne puntje: of we gelooven dat de Heere alles geschapen heeft of niet.
Zoo ja — dan gelooven we ook, dat de Heere almachtig en wijs is, en dan weten we dat Hij ons in Zijn Woord geopenbaard heeft wat we noodig hebben te weten. Wanneer we dat Woord geloovig mogen aannemen, komen we met dat geloof niet beschaamd uit. Onze belijde I nis: „ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde" staat veel hooger dan de belijdenis van den ongeloovige, die moet zeggen : „ik geloof in de stof."
VRAAG: Draagt de mensch ook de schuld van zijn ongeloof?
ANTWOORD: Het ongeloof is zonde; strafwaardige zonde. ])at de mensch niet gelooft is hem tot zonde. De onmacht en de onwil, in het ongeloof geopenbaard, zijn gevolgen van den staat, waarin de mensch door moedwillige ongehoorzaambeid gekomen is. Het is Gods schuld niet dat de mensch is gevallen en onmachtig en onwillig is geworden.
Door de zonde is de mensch geestelijk dood. En zoo'doen allen de zonde. Waarbij de conscientie telkensgetuigt dat de mensch zondigt met vrijen wil op 't oogenblik dat hij het doet. De weg "des Evangelies staat hem tegen; de mensch keert zich oedwillig en'vijandig af; gaat vrijwillig voort op den weg der zonde en des ongeloofs.
Dat verwekt Gods toorn.
Wie door Gods genade van het ongeloof wordt bekeerd, erkent van harte dat hij in zijn oiigeloovigen staat moedwillig heeft gezondigd, en tegen beter weten en geweten in, alle roepstemmen en vermaningen in den wind geslagen heeft. „Gijlieden wilt tot Mij niet komen, opdat gij het eeuwige leven zoudt hebben". „Gij hebt de duisternis liever gehad dan het licht en zijt niet tot het licht gekomen, opdat uwe werken niet gestraft zouden worden".
En dan komt het geloof in de Schrift voor als een gave Gods. 't Komt niet voort uit de werkzaamheid des menschen. Eerst komt de gave, dèn de werkzaamheid. „Want u is uit genade gegeven in Christus te gelooven" (Tit. 5 : 29). De zaligheid, aan het geloof verbonden, vindt haar grond alleen in Gods wil en welbehagen.
Wie dus gelooft in Jezus Christus heeft geen roem. Wie niet gelooft heeft geen verontschuldiging.
Wie gelooft zal God voor Zijne genade en gave eeuwig verheerlijken; wie niet gelooft en in zijn ongeloof sterft, zal God moeten rechtvaardigen wanneer de toorn Gods en de verdoemenis op hem blijft
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's