Stichtelijke overdenking.
Schep mij een rem hart, o God! Ps. 51:12.
Daar leven er, door genade, nog menschen, die de wereld geringschatten en Christus dierbaar, boven alles begeerijk, achten; ze zijn er nog, die Gods iefde, 's Vaders gunst hun grootst bezit en eeuwig gewin rekenen, en door geloof zich Gods beloften, aan een volk in beauwdheid gedaan, zoo gaarne begeeren toe te eigenen.
't Zal wel waar zijn, dat wij een dorren tijd beleven — de klacht wordt alomme vernomen — maar ze zijn nog niet uitgestorven, die Gods hulpe, almachtige hulpe als de beste rekenen en bij Hem alles zoeken, omdat ze weten dat Hij alles terecht brengt op Zijn tijd, en 't kromme dat in de wereld is recht maakt, 'k Ontken niet, dat de gevallen zeldzaam zijn; doch 't gebeurt u dat ge menschen ontmoet, die meer gedrukt gaan en zich beklagen over 't dorre en doodsche van eigen hart dan over der tijden boosheid en onvruchtbaarheid.
Misschien, dat er nog een enkele - zij 't velen I — van onze lezers was, die hoorende van de inwoning Gods, biz, des H. Geestes, in de gemeente en van het vervuld worden van allen daar in die tempelzaal in Jeruzalem, die in heilige jaloerschheid ontstoken werd en heel stillekens dacht: och! gebeurde dat ook mji en mijnen kinderen, dat er nog eens zulk een rijk getuigeuis kwam van Gods inwoning; dat nog eens in breederen kring onder alle volk, tot in de wereld der heidenen, ook in midden Celebes, de Heere nog Zich toonde en 't bleek dat de stroom niet is uitgedroogd! Die eenmaal gedronken heeft uit de Godsrivier, vraagt telkens opnieuw om , een teuge waters", omdat hij weet, dat Christus Zijn dierbaar bloed gestort heeft. opdat Hij den H. Geest en Zijne gaven voor al Zijn volk verwerven zou, en verworven heeft.
Pinksteren kwam, toen Paschen achter was. De sluizen des hemels stonden open; de stroom vloeit nog. In de bediening des H. Geestes wordt de Middelaar verheerlijkt; daardoor wordt Hij gezocht, erkend, geroemd.
De drie Christelijke feesten spreken zoo duidelijk van den Drieéenigen God, en het nauw verband tusschen deze drie heeft zooveel leering en vertroosting.
Pinksteren is wel bij uitnemendheid het feest tot eere van den derden Persoon van 't Goddelijk Wezen; en op Zijne werkingen in heel het werk der toepassing van Christus' verlossing valle In deze dagen den nadruk.
Wat komt er van al den arbeid, zonder des Geestes werk ? Formeel gaat het dan soms nog; gewoonlijk neemt de eigengerechtigheid bij formalisme zeer toe; doch als 't toekomt aan de vragen voor eigen hart en het diep gevoelen van eigen armoede en het hartelijk toevlucht nemen tot den Heere, en 't vertrouwen op den Naam onzes Gods, dan staat ge verwonderd, dat bij rechtzinnige belijdenis 't liarte zóó ongeraakt, en 't leven zoo ledig kan zijn.
Een volk, oprecht tot 's Heeren vreeze genegen, slaat de angst soms om 't harte m sen tijd, waarin Gods gerichten op den aardbodem zijn. Zulk een volk bidt op Pinksteren en daarna de bede boven dit stukje gesteld.
Openbare spotters, helden in goddeloosheid, weten soms iets van den dichter' van ons lied, juist genoeg om zichzelven in hunne onbekeerlijkheid te beter tej handhaven; in Gods Kerk is deze boetpsalm geliefd wegens „de diepe wateren" van zelfkennis en verootmoediging De zonde maakt van het beste een slecht gebruik; genade leert in anderer wegen vreezen en met name in dit lied verstaan van Gods rijke barmhartigheid en van de wondere werking des H. Geestes tot verootmoediging.
Die iets kent van de diepe roerselen des harten, werd dit schrift Davids vaak, medicijn.
Als een mensch conscientie maakt' met zijn zonde en al zijne verkeerdheid en zijn schuld komt te zien, ook mede; zijn schuld in die der vóórgeslachten, dan komt hij er niet gemakkelijk af en kan zichzelven niet vrijmaken met ditjes • en datjes. Jozefs broeders komen eindelijk allen in de schuld, als ze belijden, dat' zij hem allen kwaad hebben gedaan en Solidariteit in schuldgevoel zet nooit'. op tegen den broeder, al ware ook die [ broeder, naar onze overtuiging, in diepe' dwaling. De . Heere werpt Zijn peillood in de diepte van 't ziele-leven, en dan moet het door die poort, waarboven ^aat: „boetvaardigheid" en wordt de ervaring de onze, ook bij vernieuwing: „Door Uwe verootmoediging hebt Gij mij groot gemaakt."
De rechte toon is hier aangeslagen, die weerklank vindt in het door schuldbesef verslagen gemoed.
Een tijd lang was de Koning ongevoelig geweest en had wellicht zichzelven zoeken op de been te houden met allerlei redenen, die een schijn hadden.
Na Nathans bezoek en door diens woord was het anders geworden. De H. Geest had van dat woord een zwaard gemaakt. Nu ging alle verschooning weg. „Die man zijt gij !" ontdekte zijn schuld en bracht hem in heilzame benauwdheid sn in diepe zielsangsten. De Koning wordt weer een bedelaar, die van de bedeeling — de bedeeling Gods — leven moet; hij kan zichzelven niet meer staande houden, zoo min als gij of ik, ' wien het gebeurde, dat we midden in onze schuld neergeworpen werden.
De man raakt de man af; hij ziet zijne zonde in al hare gruwelijkheid en! ziet zijn zondig bestaan en spreekt daar van voor God en menschen en smeekt: Schep mij een rein hart o! God, en laat er een vasten gang zijn in mijn innerlijk leven.
De ervaring van de arglistigheid van zijn hart, van de ongevoeligheid, van de verhardheid wordt hem zoo diep smartelijk en 'tis hem thans, alsof de Heere weer van vorenaf met hem beginnen moet. Goedpraten en bedekken gaat niet meer; als de Heere in den weg der ontdekking begint te spreken dan moeten wy zwijgen. Hij krijgt last van zijne ongerechtigheid, die te haten is; 't doet hem zoo zeer, 'tis hem zoo pijnlijk, dat hij zoo onrein van harte is. Hij gevoelt, dat de Heere een licht is en in Hem gansch geene duisternis wopnt. Dat stukje dogmatiek wordt practikaal gekend. Hij spreekt: Ik ken mijne overtreding en mijne zonde is steeds voor mij!
En deze vernederende kennis drijft hem uit om bij den Heere reiniging, d.i. vergevende goedheid en heiligende genade te zoeken.
De H. Geest bewerkt de ziele om door 't geloof toevlucht te nemen tot het bloed van Christus, 't welk van alle zonde reinigt en werkt nieuwe genegenheden om, in Christus' gemeenschap hersteld, 't vleeseh te dooden met zijne begeerlijkheden. Gerechtigheid en heiligheid zoekt hij bij den Heere.
In boetvaardigheid buigt hij en roept Gods genade in. Dat is een veilige weg. Dan leert de mensch waakzaam te zijn, wetende, dat een kleine opening al te met den vijand van God en al Zijne goedheid en al Zijn volk gelegenheid geeft om in te breken, den vrede te verstoren om het „lieflijk licht" voor ons te bedekken, ja zelfs ons oordeel gansch te bederven.
Hij begeert een „rein hart" van den Heere God — scheppen is Gods privilegie! — Die 't alleen kon geven om Christus' wil, leerden, dat het ingestort levensbeginsel in de wedergeboorte bekwaamheid bij brengt om zich zelven op te richten; zij waren van oordeel, dat er „zelfstandig' levensprinciep geschonken werd en de wedergeboorne door vermaning des Woords nu had te letten op zijn roeping en 't heette dan „zijn eigen zaligheid met vreeze en beving te werken", en uit dat ingestort vermogen moest men dan de heiligmaking najagen, zonder welke niemand den Heere zien zal.
't Is bekend onder ons, dat men goede zaken op een verkeerde plaats kan zetten en met eene „goede bedoeling" veel kwaads gesticht heeft. Het beginsel des H. Geestes in de ziele leert juist uit des Middelaars volheid te leven en steunen op den arm des Liefsten, die als Beginner, Voortzetter en Voleinder van het gansche heilswerk beleden wordt en geroemd is.
De verheffing van Gods genade en de kleinachting van eigen vermogen zijn klare bewijzen van Geesteswerkingen.
Een mijner leermeesters schreef: Daar ' zijn altijd menschen, die bang zijn Gode te veel en den mensch te weinig toe te schrijven. In den regel wijst dit op een diepe dwaling en allerlei misverstand, Onze God is die God, die ook 't werk des geloofs vervult met kracht (Thess.) ! en die beide werkt, 't willen en volj brengen naar Zijn welbehagen. Dat juist ' geeft een oprecht volk moed en slaat . het met al het hunne overhoop en drijf het in den weg der middelen, door den | Heere verordend en den Geest gezegend. . en houdt het af van paden buiten den weg des Woords.
; Als Lodenstein uitgesloten", dan zingt: „Alle roem is bedoelt hij niet alles op wat na. Neen, hij wist wel, dat een kleine afgod ook een afgod is en zijn dienst schadelijk, gelijk iemand, een tijdlang vóór hem, er op wees, dat „kleine slangen soms venijniger zijn dan groote."
„Gebeden en smeekingen" zijn voor een strijder in Gods wapenrusting de beste wapenen; die zijn krachtig in den Heere.
Mozes overwon daarmee Amalek, Hizkia de Assyriërs enz.; en van geheel 't geslacht der onreine geesten wordt gezegd, dat het niet uitvaart dan door vasten en bidden.
De Heere kroont Zyn eigen werk en betoont het telkens: Mijne genade is u genoeg; mijne kracht wordt in zwakheid volbracht! Een volk, bekleed met den mantel der gerechtigheid, draagt gaarne „witte kleederen" en heeft 't sieraad des huizes (Ps. 45) lief, niettegenstaande de wetenschap van armoede en ellende en dat in mij, d.i, in mijn vleeseh, geen goed woont. David begeerde een „rein hart" en niet een harte half gereinigd.
Met hem eens is een oprecht volk, ; dat zegt: Heere, beweeg mijn harte koninklijk en reinig mij geheel en al, zoo zal Ik witter wezen dan sneeuw die vers op het aardrijk nederviel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's