De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkdijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkdijk leven.

26 minuten leestijd

Een antwoord aan Dr. A. Kuyper.

II.

Hoogelijk waardeeren we de woorden van dr. A. Kuyper, waarmee hij waarschuwt voor een lichtvaardig en spoedig heengaan uit de Kerk der Vaderen, waarvan dr. Kuyper eens met zooveel piëteit en hooge liefde getuigde: „het is mijn moeder." Een beschouwing die ook volgehouden wordt „al bestaat er naast de tamelijk zuivere bediening der genademiddelen ook afgoderij, 'twelk het wezen der Kerk niet opheft." Want, zoo wordt tegenover smalend en verachtelijk spreken over „zoo'n Babel der ongerechtigheid" en „zoo'n Sodom vol gruwelen" volgehouden: „een Kerk die reeds schijndood is kan toch weer haar hoofd verheffen." 

Duidelijk springt bij een dergelijke beschouwing in 't oog dat een man als dr. A. Kuyper dus niet uit den weg gaat voor opmerkingen als: „maar dit ia toch niet in orde in de Herv. Kerk en dat deugt niet."

Dat weet hij óok wel!

Maar dat dit of dat niet in orde is, mag nog geen reden zijn om de reisvalies te nemen en heen te gaan.

Zelfs gaat hij niet uit den weg voor opmerkingen als: „'t is toch een goddelooze boel in de Herv. Kerk, want er zijn ongeloovigen, socialisten enz. in die Kerk."

Dat weet dr. Kuyper óok wel!

Maar die dan zoo smalend spreken neemt hij bij de hand, zet zich stil samen neer en betoogt dan met piëteit en hooge liefde voor het huis dat de Heere Zich hier in dezen lande bouwde en voor de plantinge die de Heere onder ons deed uitspruiten: „Vriend, weet gij niet dat het feit, dat er naast de tamelijk zuivere bediening der genademiddelen ook afgoderij bestaat, het wezen der Kerk niet opheft? Vriend, weet gij niet dat hier met vreeze der conscientie gevraagd moet worden: loop ik ook van onder het oor-. deel des Heeren weg, als ik die Herv. Kerk verlaat; verwerp ik ook misschien wat nog leeft; veracht ik ook misschien wat de Heere nog niet verwierp; begraaf ik ook misschien een schijndoode ? " —

O! dat velen van onze gescheidene broeders en zusters alzoo mochten spreken, bij al de gebreken, bij al de afgoderij, die er in het midden van de Herv. Kerk — ons.aller moeder — gevonden wordt; wat zouden er endere verhoudingen zijn onder degenen die zich wenschen te buigen voor één God, die zich wenschen te voegen naar één Woord, die wenschen te dienen één en denzelfden Christus.

Dan zou ons aller moeder ons aller aandacht, ons aller liefde, ons aller voorbede hebben — en samen zouden we het goede zoeken voor haar, opdat zij leven mocht in de vreeze des Heeren bij de weldaden van Zijne handen.

Maar toch heeft dr. A. Kuyper ook zélf tenslotte de reisvalies gepakt en isj heengegaan; hij is weggeloopen uit het huis waar bij geboren is; hij is ter begrafenis gegaan, om de Herv. Kerk bij te zetten in de groeve der vertering; en wegloopende heeft hij mee uitgejouwd haar, die zijne moeder was; haar begravende, heeft hij bij de groeve mee uitgeschreeuwd vervloeking na vervloeking over de Kerk der Vaderen, waarover hij | pas, ook bij al haar gebreken, bij al haar | afgoderij, nog met zooveel piëteit, met; zooveel hooge liefde sprak, eerbiedig den ' vinger aan de lippen brengend, om, te' midden van alle schampere woorden, door; hare smaders gesproken, fluisterend te doen hooren: , het is mijn moeder."

Vanwaar nu die verandering ?

Want nog eens, dat is niet geschied, omdat de Herv. Kerk vele gebreken heeft, ook zelfs niet omdat naast de tamelijk zuivere bediening der genademiddelen ook afgoderij gevonden wordt in de Herv. Kerk.

En dat onderstrepen we liefstin't oog loopend ook in betrekkiug op onze verdere bespreking!

-Dr. Kuyper was verstandig genoeg, te goed gereformeerd, om „het stuk de; Kerk niet uitwendig en reglementair te beschouwen, zonder piëteit of hoogere liefde" — aan welken regel wij ons wenschen te houden èn nu èn in den vervolge. Maar wat is er dan toch gebeurd, dat dr. Kuyper is gaan loopen, dat hij zich heeft afgescheiden van de Herv. Kerk, niet weinig smalend over haar sprekend, met dit gevolg ook, dat anderen toen niet weinig aangemoedigd werden om de fiolen vol toorn uit te gieten over het driemaal vervloekte kerkgenootschap* dat minder nog dan Babel, minder nog dan Sodom en Gomorra heette te ^i^oe geworden ?

En nu hooren we dr. Kuyper diep zuchten.

Omdat we hier blijk geven mets te verstaan van 't geen in 1886 is gebeurd.' Anders zouden we niet spreken van „weg' .' loopen" en zeker niet van , afscheiden" en geenszins van smalend spreken" en „schelden". Hebt gij — zoo hooren we ' dr. Kuyper met moeilijk in te houden ontroering — hebt gij, o redacteur van „de Waarheidsvriend" dan niets gelezen, van 't geen anderen en ik geschreven hebben; weet gij 't onderscheid niet tusschen Separatie-en Doleantie, weet gij niet dat wij niet „weggeloopen" zijn maar „er uit gejaagd" zijn geworden, weet gij niet....

Iets er van weten we.

Natuurlijk hebben wij 't zelf niet meegemaakt. We waren veel te jong om eenig bewustzijn van deze dingen te kunnen hebben. Maar we hebben er toch wel eens over wat gehoord. We hebben er ok wel eens wat over gelezen.

Uit onze geboorteplaats, kind van 11, 12 jaar zijnde, kunnen we ons de figuren die in 1886—87 „de reformatie ter hand wilden nemen" nog altijd levendig voorstellen. We zouden ze kunnen uitteekenen. We zouden de plaats kunnen aanwijzen, waar ze in de kerk des Zondags zaten — éen stond doorgaans een gedeelte van den morgen.

Die beweging in Woerden was een gevolg van de beweging elders; waartoe de stoot was uitgegaan van Amsterdam. Men is er volstrekt niet toe gekomen in 1886 door zelf inde plaatselijke Kerk, waar men thuis hoorde, voor de keus te worden gesteld: wijgen over den Christus of in de gevangenis. (Hand 4 : 18 )

Dat kan niemand ons wijs maken.

En, om ook van lateren tijd te spreken, waarvan we meer bewustheid meedragen: als we denken aan 't geen in onze vorige gemeente, Ameide, sedert 1886 gedaan is en gedaan wordt om „de reformatie ter hand te nemen" en te ageeren tegen het Hervormd Kerkgenootschap, dat een „Babel", en dat „de groote hoer", dat „Sodom" en dat „een valsche Kerk" genoemd mag en moet worden, met gevolg dat nu in de jaren sinds 1886 een groepje van menschen, uit een paar families bestaande, Zondag aan Zondag samenkomt, waarvan dan plechtig en deftig geannonceerd wordt in  „de ' Alblasserwaard en Vijfheerenlanden" dat in  „de Geref. Kerk van Ameide" preeklezen is of oefenaar de Kruik 's avonds! zal voorbaan voorgaan — ziet, ziet. dan zeggen . och, dat dr. A Kuyper daar eens heenging en daar eens zeide: loopt gij ook misschien onder het oordeel weg; verwerpt gij ook misschien wat nog leeft; veracht gij ook misschien wat de Heere nog niet den scheidsbrief gaf? '

En als men dan parmantig en scherp zou antwoorden: „hoe lang zal dat sollen met uw lijk nog aanhouden"? — dan wilden we wel, dat dr. Kuyper eens in het midden van die vrienden ging zitten en „eerbiedig den vinger aan de lippen brengend, fluisterend sprak: „het is mijn moeder".

Wie weet — of het nog niet tot gevolg zou hebben, dat de Kerk onzer Vaderen minder verbroken, verscheurd en verdeeld kwam te liggen in het midden van ons vaderland en de waarheid zou gediend worden om in het huis des  Heeren in kracht en heerlijkheid toe te nemen.

Wat we dus maar zeggen willen is ! dit: de beweging van 1886 is zéér samengesteld Dat is niet een beweging die in onze dorpen en steden begon, omdat men in onze dorpen en steden, gelijk de — apostelen, voor de  keus gesteld werd: over den Christus zwijgen óf gedood worden,

Geenszins!

Niemand kan het ons wijs maken,

Die zaak is aan 't rollen gebracht van uit Amsterdam.

En het is wel de moeite waard even na te gaan, of daar in Amsterdam met piëteit en hooge liefde is gehandeld ten : opzichte van de Kerk onzer vaderen, waarvan we gaarne getuigen : „'tis mijne moeder".

(Wordt vervolgd).

Eendracht.

Hervormd predikant zei in een Pinksterpreek eens: „die schare die te Jeruzalem eendrachtighjk bijeen was geen schare van Hollanders Hollanders . kunnen niet  eendrachtiglijk bijeen  blijven. Die hebben liever een groepje hier en een groepje daar', , 't schijnt wel, dat de Hollanders alleen maar leven kunnen als er verdeeldheid, scheuring en partijschap is."

Daarin ligt zeer zeker veel waarheid. Wat zijn er weinig menschen die het op godsdienstig en kerkelijk gebied nu eens hartelijk met elkaar eens zijn. En wat wordt er weinig gezien, dat de Geest Gods vereenigt en niet verstrooit,  en niet verscheurt, maar in liefde doet samen zijn en niet doet verbijten en vereten.

Ook bij verscheidenheid van gaven maar blijft het toch één en dezelfde Geest. Maar  van die éénheid in de verscheiden is helaas dikwijls zoo weinig te bespeuren.

Ieder heeft hier z'n hand maar in eigen boezem te steken. Met enkel verwijten te richten aan 't adres van onzen buurman komen we er niet.

En neen, dan snijden we aanstonds af de mogelijkheid om bg elkaar te brengen wat niet bij elkaar hoort. Dat is ook niet des Geestes werk. Want de Geest onderzoekt, de Geest is de criticus, die oordeelt. En wat niet éens Geestes is hoort niet bij elkaar.

Maar daartegenover staat, dat 'tgeen ééns Geestes is niet tegenover elkaar hoort te-staan, doch bij elkaar en met elkaar behoort te leven.

Zoo mediteerde ook vlak na Pinksteren ds. Knap van Groningen, redacteur van het bekende Weetblad „oude Paden" weekblad voor de verbreiding der gereormeerde beginselen ten dienste vanj erk en Volk).

En over deze dingen deukende las hij et referaat van ds Goslinga op onze aatste jaarvergadering gehouden.

Met instemmiug las hij dat woord van onzen Utrechtsche collega.

En daar gingen aan het oog van ds. Knap de confessioneelen en de gereformeerden in onze Herv. Kerk voorbij als twee afzonderlijk georganiseerde vereenigiungen, met het uitgesproken doel: op te komen voor de beginselen die naar Gods Woord en de gereformeerde bejlijdenisschriften zijn en daarbij het goede te zoeken voor onze Herv. Kerk. :

Gedeeld; — en dit is zoo erg niet.

Vier verschillende Zendingsvereenigingen doen meer dan één corporatie.

Maar verdeeld, met zooveel pikanterie, met zooveel verbijten en vereten, met onaangename verhoudingen en harde, onvriendelyke bejegeningen onder en tegenover elkander - met zooveel wantrouwen en elkander veroordelend, dat doet pijn.

Dat doet bizonder pijn zoo vlak na Pinksteren, als we pas gelezen hebben, als we pas beluisterd hebben wat de Geest tot de gemeente van Christus zegt. en van schrijnende pijnen vol, daarbij op­merkende, , - . dat , ook anderen aan diezelfde  gevoelens niet vreemd zijn, schreef ds. Knap een artikel in het nurnmer van 1 Juni jl. dat we hier in zijn geheel overnemen, zonder daar verder iets af of toe te doen.

Wij gelooven, dat het heel goed is eens stil naar ds. Knap te luisteren, waarbij dan een ieder de hand in eigen boezem steke, om, door Gods Geest ge leerd en geleid, overal, waar het om des beginsels wille geëischt wordt, de verdeeldheid aan te durven en overal, waar de Heere 't wil, eendracbtiglijk saam te vergaderen of in broederlijken zin met elkaar te overleggen.

Het artikel van ds. Knap luidt als volgt:

„Onder den verschen indruk van het pas gevierde Pinksterfeest gevoelen wij ons gedrongen een en ander te zeggen naar aanleiding van het referaat, dat de Utrechtsche predikant J. Goslinga op de Jaarvergadering van den Gereformeerden ond gehouden heeft, en dat te Maassluis verscheen onder den titel, dien wij hieroven afschreven.

Sinds lang heeft het ons bijzonder I pijnlijk aangedaan, dat er een zoo weinig .'broederlijke verstandhouding bestaat j tusschen den Gereformeerden Boud eenerzijds en de Confessioneele Vereeuiging aan den anderen kant. Het dient nergens toe te verbloemen, dat een geest van wantrouwen de kerkelijke verschilpunten, die de beide groepen onderscheiden, meermalen tot een tegenstelling verscherpt, en dat de Heilige Geest, die éénheid wil scheppen tusschen allen die één geloof en derhalve één belijdenis deelachtig zijn, hierdoor bitterlijk bedroefd wordt.

Wij achten het diep treurig, dat twee invloedrijke kringen, die beiden in oprechtheid opkomen voor het onverzwakte recht van Gods Woord in de kerk, die den één even lief als den ander is, elkander niet kunnen vinden. Hier ligt een wortel van bitterheid, die, naar ons oordeel, uitgeroeid moet worden. De toestand mag zóó niet blijven. Wij zeggen dit niet, omdat deze zondige verdeeMheid de positie dergenen, die de belijdenis aanbangen, uiteraard verzwakt. Maar wij gevoelen haar bovenal als een ongerechtigheid, die niet voor Gods heilig oordeel bestaan kan, en waarvan wij ons hoe eer hoe beter onder verootmoediging te bekeeren hebben. Er wordt veel gesproken over en geijverd voorde handhaving van de éénheid der kerk, Zóó zelfs, dat men soms geneigd is te vragen of men vast wil houden wie op fundamenteele punten van elkander verschillen? Maar zullen dit geen ledige woorden zijn, - dan dient men toch aliereerst aansluiting te zoeken bij wie het naast staan, en met wie men het waarlijk in de hoofdzaken der belijdenis eens is. Anders is al het pleiten voor éénheid en klinkend metaal of een luidende schel, — het maakt een zeker doordrinend geluid, maar zin en beteekenis ligt r niet in, en resultaat is er niet van te verwachten.

Wat is het dan dat zonen van één huis verdeelt?

In de voornaamste plaats een misverstand, dat, zoo er voldoende vertrouwen in elkanders bedoir^lingen was, reeds lang uit den weg geruimd zou zijn, doch nu tot ons leedwezen telkens nog weder nieuw voedsel ontvangt ^--an zulken, die beter konden weten. Het gerucht doet nog altijd de rondte, dat de Gereformeerde Bond wil aanssturen op boedelschddiug en de ééne Ned. Herv. Kerk wil splitsen in verschillende kerken van geringer omvang en mede daardoor van minder invloed op het volksleven. Persoonlijk he"bben wij dit gerucht op deugdelijke gronden meermalen onder de confessioneelen weersproken. Meestal werden wij nauwelijks geloofd, ofschoon wij de meest pertinente uitspraken uit het officiëele orgaan van den Bond ter tafel brachten. Het heette dan al spoedig, dat er tweeërlei strooming in den Bond was, en dat de ééne strooming zich wel s degelijk de kerkelijke boedelscheiding tot deaal .stelde, iets waartegen wij natuur­ i ijk moesten aanvoeren, dat de Bond alleen naar zijn officiëele uitlatingen beoordeeld mag worden In elke vereeniging van eenige beteekenis zijn sommige w leden, die een eigen weg gaan. Maar k het dunkt ons geen edel werk van hun k fwijkend oordeel gebruik te maken met é et doel het officieel-erkende streven in m erdenking tf brengen. n

Dit officieel erkende streven wordt door ds. Goslinga nu in „De hand niet afgetrokken" nog eens duidelijk weergegeven. Hij kant zich zoowel tegen het uitéénscheuren der kerk als tegen afscheiding en dolmntie in deze woorden, die wij ons veroorloven af te schrijven: „Neen, de boom moet niet geveld. We hebben dat gezien in onze onmiddellijke nabijheid. Aan één onzer schoone heirbanen stond een heerlijkelommerrijkelaan. Daar kwam de hand van den veller. Zij lag zóó tegen de vlakte Weet ge wat ge er nu kunt vinden: rondom eiken geknotten stam honderd nieuwe loten, welke zich allen voeden met het oude sap. 't Wordt nu kreupelhout. Wat dunkt u, zou er ooit iemand in de lommerijke schaduw van dat geboomte kunnen wandelen? Nooit. Het oude, volle, heeft plaats gemaakt voor honderd anderen die elkanders groei beletten, zoodat er nooit iets goeds meer van komen kan." En dan verder: „Gelooft ge, dat bij dit brokkelsysteem niet alles wat op tucht gelijkt, bij den wortel wordt afgenepen? Men heeft aan de ééne zijde te veel moeite om te blijven bestaan; ter andere is de verleiding om eenige aanwinst te boeken al te groot om toe te zien zooals het behoort." — En elders: „Uit het scheidingssysteem kan nooit anders uitstoelen dan de allertreurigste kerkelijke verwarring en vandaar geestelijke verwildering voor eel het volk."

Ziedaar drie citaten, die naar onze meening even goed door de leiders der Confessioneele Vereeniging geschreven konden zijn. Bij het licht van deze uitlatingen kunnen wij slechts tot de slotsom komen, dat zoowel de Gereformeerde Bond als de Confessioneele Vereeniging het volmaakt met elkaar eens zijn ten aanzien van wat zij niet willen. De oorzaak der vervreemding mag dus ill eerlijke mannen niet langer gezocht vermoed worden op het terreüi van bo» delscheiding, separatie of doleantie. % moet liggen in het antwoord op de vraa! wat de beide groepen dan wel willen. 2f kan niet in het negaiieve schuilen, 1 moet dus in het positieve gezocht worden

Gaan wij nu na wat beide krino positief nastreven.

Beiden willen reorganisatie der keit in presbyterialen zin.

Beiden willen zeggenschap van Gods Woord in de kerk

Beiden willen een geschreven belijdenis

Beiden willen een geschreven belijdenis Beiden willen een gehandhaafde belijdenis.

Beiden willen dus niet alleen levensmaar ook leertucht. '

Men zou zoo als buitenstaander zeggen dat deze punten van overeenkomst ggl noegzamen grond voor verbroedering bieden. Wij voor ons kunnen ons slechfe één geval denken, waarin de verbroedering onmogelijk zijn zou, en ieder zijj eigen weg zou moeten gaan. Indien de beide groepen ijveren voor een belijdenit van verschillend karakter schijnt samenwerking, behalve dan om tactische redenen in bepaalde omstandigheden, buiten, gesloten.

Van den Gereformeerden Bond is bekend, dat hij ijvert voor de handhaving der bestaande gereformeerde belijdenisschriften, en dus de lijn uit het verleden naar het bedeu doortrekt.

De vraag is nu slechts deze: wenscht de Confessioneele Vereeniging dit ook? Haar naam zou het doen verwachten, Waarom zou zij confessioneel heeten, als het haar niet om de confessie te doen was? Of wil zij een slapper confessie, waarmede ook de ethischen accoord kunnen gaan ? Maar dan is het geen gereformeerde belijdenis meer. Het volk in zijn breede lagen, voor zoover het de confessioneele prediking volgt, gelooft vastelijk en naar wij nog steeds meenen, terecht, dat het der Confessioneele Vereeniging wel ter dege om de gereformeerde waarheid te doen is.

Het is er niet op tegen, dat de bestaande confessie aangevuld, maar wel dat haar karakter gewijzigd wordt om ruimte voor de ethischen te maken. Het zou ons buitengewoon verblijden, indien de Confessioneele Vereeniging zich  op dit punt eens klaar en onomwonden uitsprak. Én indien zij mocht verklaren, gelijk wij hartelijk hopen en vertrouwen, dat zij de bestaande belijdenisschriften anvaardt, zij het dan als uitgangspunt oor verdere ontwikkeling, maar dat zij het gereformeerde karakter ook voor nzen tijd van weuschte te handhavöc ' vengoed tegen de ethische als tegen de oderne theologie - dan zien wij niet n wat de twee groote groepen van geeformeerden nog langer gescheiden zou ehoeven te houden. Wij gaan toch volaakt accoord met ds. Goslinga, als hij chrijft:

„Wat ons steeds vaster moet worden ingeprent, is: staan en vereenigen en hereenigen van alles wat gereformeerd voelt en denkt in onze Kerk "

God geve, dat er een einde komt aan wat wij niet anders dan broedertwist kunnen noemen. Zoo men het op het kardinale punt der belijdenis met elkaar ééns blijkt te zijn, dan kome men elkaar met vertrouwen tegemoet. Kundige mannen, die de besprekingen zouden moeten leiden, zijn er aan beide zijden genoeg.

Uit den boezem van het volk kwamen stemmen tot ons om droefheid uit te spreken over de scheiding tusschen wie bijeen schijnen te hooren. En het is mede op hun aansporing, dat wij het waagden de aandacht te vragen voor dit hoog belang, waarbij het welzijn der Kerk zoo nauw betrokken is — een pogen dat stellig nooit tijdiger is dan na Pinksteren, waarop wij gedachtenis vierden van de uitstorting van den Geest der liefde, die saambindt wat één in den wortel is. Indien het bij gezette overweging mocht blijken, dat beide groepen met de volgelingen van dr. Kohlbrügge saam de Ned. Herv. Kerk in haar geheel opeischen voor de belijdenis der gereformeerde religie, staan zij metterdaad op één en hetzelfde standpunt en wordt een min-broederlijke verhouding door Gods Woord geoordeeld."

Misverstand ?

Ds. Lirigbeek is nog niet op dreef. Ze hadden hem gevraagd of de confessioneelen toch eigenlijk niet meer sympathie moesten gaan betuigen aan het werk van den Gereformeerden Zendingsbond, daar die Bond toch bedoelt om het Evangelie des Kruises, naar uitwijzen van Gods Woord en de beginselen onzer Belijdenis, ' onder de heidenen bekend te maken.

Ds. Lingbeek maakte zich er een beetje af, door te zeggen, dat hij zoo weinig van dien Geref Zendingsbond wist. Had hij het daar nu bij gelaten, dan was 't nog zóo zoo geweest. Men had den schrijver van de Vragenbus in „de Gereformeerde Kerk" dan ens een paar Nommers van „Alle den VoIcke" kannen stureu en hem eenigs-2Jij« gp de hoogte kunnen stellen met het Bestuar en de werkwijze van den ogjid _ misschien vras ds Lingbeek dan wel spoedig lid geworden om daarna ook anderen in het hooge Noorden aan te raden dit, zijn voorbeeld, te volgen.

Zoo zou het nog aardig geloopen zijn!

Maar ds. Lingbeek verklaarde niets van dien Geref. Zendingsbond te weten. Foei! Niet alleen wist hij, blijkbaar door vertrouwde vrienden ingelicht (zooais hij later meldt), dat de dominé's van den Geref. Zendingsbond onbetrouwbare menschen zijn daar ze „separatistische beginselen'' propageeren, als ze gekomen zijn om z.g  voor de Zending te spreken.

Dat was natuurlijk een ernstige beschuldiging.

Waarbij we het hebbeu uitgesproken, dat het niet aangaat om zulke dingen maar zonder eenig bewijs neer te schrijden. En waarop ds. Lingbeek nu terugkomt, zeggende, dat „men" het hem heeft'verïcekerd, dat het waar is.

Ieder voelt, dat er op deze manier niet verder te redeneeren valt. Tegen dien grooten onbekenden „men" valt niet te vechten.

Dat lateïi we dus zitten.

Maar blijkbaar hebben de menden van ds. Lingbeek het uu verder met dien Geref Zendingsbond niet laten zitten. Blijkbaar zijn er onder de coufessioneelen, die bet niet begrijpen kunnen wat iemand, die de beginselen onzer Belijdenis lief heeft, hebben kan tegen een Geref. Zendingsbond in het midden van onze flerv. Kerk.

Doch nu staat ds Lingbeek z'n man.

Nu heeft hij 't niet langer over praatjes die , , men" hem op de mouw lieeft gespeld. Hg verschuilt zich ook niet langer achter onbekendheid met het Bestuur en het werk van den Geref. Zendiugs-[jond — üU wordt het priocipieel; en op grond van hooge beginselen wordt ernstig ontraden om geeii lid te worden van den Geref Zendingsbond.

Nu zijn we, waar we wezen moeten!

't Andere was eigenlijk maar zoo'n beetje er om heen draaien. Maar nu kannen we praten.

En wat is dan het priocipieele bezwaar van ds. Lingbeek tegen den Geref. Zendingsbond?

Ds. L zegt: , De Kerk van Christus zelf behoort te zo^-gen voor hare uitbreiding en voor de planting van het Evangelie onder hen die nog heidenen zijn."

Net precies als wij altijd gezegd en geschreven hebben. Net precies als onze mannen van den Geref, Zendingsbond leeren. Echt Gereformeerd!

Ds. Lingbeek zegt-verder: „Gerefor meerd is, dat niet eene particuliere vereeniging, maar de Keik de Zending onder de heidenen ter hand neemt.

Een Gereformeerde Zendingsvereeniging of Zendingsbond is dus eigenlijk een gereformeerde ongereformeerde zaak.  Een gouden stuk ijzer. Een witte neger. Een rond vierkant"

Da's mooi gezegd; en we zgn het hier volkomen mee eens.

Maar ... de Kerk is door de ongereformeerde organisatie ook al mee onmachtig om naar behooren het werk der Zending ter hand te nemen.

Dat heeft men van ouds geroeid in het midden van de belijdende christenen in ons Vaderland.

En daarom kwam men er toe om bv. in 1851 de Ermelosche Zendingsver, in 1855 het Java-comité, in 1858 de Ned. Zend. Ver , in 1859 de Utrechtsche Zend-Ver. enz. op te richten.

Die Vereenigiugeu hebben veel goeds gedaan inzake het Zendingswerk

Maar helaas! was de hoofdstrooming en de hoofdtoon in die vereeuigingen meer of minder afwijkend van ons gere formeerd beginsel.

En daarom vraagden onze Geref. menschen in de Herv. Kerk : moeten we dat nu maar laten ? .itten?

Waarop het antwoord was: neen! Want èn ons beginsel verbiedt ons dat sa de activiteit op dit terrein zal grootelijks bevorderd worden als we een Geref. Zendings-ver. krijgen.

Zóo besloot men in 1901 tot de oprichting van den Geref. Zendingsbond, waarbij Dr. J. D. de Lind van Wijngaarden tot Voorzitter en ds. M Jongebieur tot Secretaris werden gekozen

Hoe staan de zaken dus?

Wij belijden, dat de Kerk zelve geroepen is om het werk der Zending ter hand te nemen.

De Kerk zelve kan het nu nog niet, daar éénheid in belijdenis ontbreekt en, organisatie alles in ongereformeerde banen leidt en daarbij alles op losse' schroeven zet.

Daarom de verschillende Zendingsvereenigingen, waarvan de meesten meer of minder afwijken van de gereformeerde! Beginselen en waarbij de Geref. Zendingsbond staat op den bodem onzer belijdenis.;

En wat doet ds. Lingbeek dan?

.Hij zegt: een Zendings-vereeniging is; eigenlijk een kwaad ding. |

Maar — zoo vraagt men hem — als; ffiJ flu tusschen twee kwade dingen kie-j '6Q moet, welk kiest ge dan?

Antwoord: niet het minst kwade. Niet den Geref. Zendingsbond! ;

„We houden ons maar aan de Zendingscorporaties die ons het naast staan", ' antwoordt de man die het zegt te houden ' met de confessie.

En de Zendingscorporatie die dan 't; naast staat is niet... de Geref. Zendingsbond.

Nu moet men eens eerlijk zijn: maar: kan het nu nog verwonderen, dat wij 1 het doen van de coufessioneelen in onderscheidene opzichten „vreemd" noemen?

Waarom negeert men onzen Zendingsbond die nu 16 jaren bestaat; die gezegend werkt op Midden-Celehes: die èn voor de prediking des Woords èn voor den schoolarbeid, straks ook voor de mediscbezending ons aller steun zoo zéér noodig heeft?

Jammer tóch, dat vooraanstaande mannen in het midden van de Confessioneele Vereeniging onzen Geref. Zendingsbond zelfs niet willen erkennen; ook niet naaH andere zendingscorporaties blijkbaar; want men houdt zich maar heel kalm bij de „andere" zendingsvereenigingen!

Gaat de haat tégen de gereformeerden nu zóó ver, dat men het werk der gereformeerden tot geen enkelen prijs wil erkennen ?

't Is toch wel vreeselij k! Of is hier misverstand in 't spel?

Gereformeerd? Het schijnt dat men van Confessioneele zijde meer en meer wil gaan zeggen: alleen indien gij, gereformeerden, gezangen gaat zingen, kunnen en willen wij u voor gezond-gereformeerd houden en wülen we met u in broederlijken zin omgaan — maar indien gij de gezangen, in onze Herv. Kerk ingevoerd, weigert te aanvaarden en weigert te zingen in de Kerk, snijden we het tafellaken door en kan er van het samenwonen als broeders van 't zelfde huis geen sprake zijn.

We zouden wel eens willen vragen of we ons daarin vergissen of niet.

En als dat alleen goed gereformeerd is om den gezangenbundel, in onze Herv. Kerk sedert 1807 gebruikt, te aanvaarden, welnu, dan willen we wel dadelijk te kennen geven, dat wij dan niet goedgereformeerd zijn.

We hebbeu er voorloopig nog geen zin in.

Omdat we in alle bescheidenheid van oordeel zijn, dat die bundel van z.g.n. evangelische liederen veelszins veel te weinig met den geest onzer gereformeerde theologie is doortrokken, veel te weinig de onderscheiding der goddelijke waarheid laat voelen, en daarom honderd en meer bezwaren moet ontmoeten bij gezond gereformeerden.

Wie dan van een dergelijken bundel een schibboleth willen maken moeten het zelf weten, maar wij bedanken er voor om van het aanvaarden van dien bundel te laten afhangen of we gezond gereformeerd zijn.

Zelf houdt men strak vol, dat men om kerkrechtelijke beginselen den vervolg­ m bundel niet mag en niet kan gebruiken en men zou ons in den ban doen, als we g om kerkrechtelijke èn dogmatische redenen l deu ouden bundel niet wenschen te aan­vaarden ?

't Zou al te zot zijn!

Nog al verschil

Wat hebben wij tegen het gebruik van de gezangen in onze Herv. Kerk sinds 1807 ingevoerd?

We hebben ernstige en vele dogmatische bezwaren.

En kerkrechtelijk is 't hier ook niet in orde

Wat hebben de confessioneelen tegen ons, die geen gezangen zingen in de kerk ?

Dat we het evangelie des kruises niet in het lied willen belijden; eeren, prijzen, zoo zegt men.

Maar dat is onzin

Dat volgt uit het niet willen aanvaarden van den gezangen-bundel volstrekt niet.

We hebben dat evangelie Gods anders leeren kennen dan in den gezangenbundel verkondigd wordt — en dèarom bedanken we er voor om bij dien bundel z.g.n. evangelische liederen te zweren.

Juist omdat we des Konings lof wenschen te verkondigen en de wegen des Heeren wenschen te vermelden naar Zijn Woord zijn we van den gezangen-bundel niet gediend.

Hier moest men toch goed onderscheid maken.

't Is niet om aan het evangelie te kort te doen.

't Is juist omdat we aan het evangelie niet te kort willen doen — daarom laten we ons alles maar niet in de handen stoppen.

En zoo denken er duizenden en duizenden over in en buiten onze Herv. Kerk.

Hier gaat het om gewichtige kerkrechtelijke en dogmatische beginselen, waarover nu reeds 100 jaren is gehandeld.

Weet men dat nu nog niet?

Vrees ?

Vrees is een slechte raadgeefster.

Dat zien we ook bij de Coufessioneelen, '

Want zij vreezen, dat hoe langs hoe meer in den lande zal toenemen het gesloten laten van de gezangen-bundels die men in het midden van onze Herv. Kerk ons opgedrongen heeft.

De geestelijke voelhorens zijn in het midden van ons volk nog niet geheel afgestompt. Daarvoor is ons Nederlandsche volk veel te veel theologisch en dogmatisch aangelegd

Men slikt nog niet alles wat men van hooger hand belieft voor te zetten. Men houdt er nog beginselen op na waarmee men de leerstellige waarheden toetst en de kerkrechtelijke handelingen beoordeelt.

En zoo zijn er velen, die de gezangenbundels in onze Herv. Kerk gesloten laten. Maar wat zien we nu ?

De Confessioneelen maken van de gezangenkwestie een stokpaardje, waarop ze zoo gaarne rijden. '

Overal worden „de gezangen" bijge­bracht.

In de kerk, iu de school, in de zen­ ; dings vereeniging ....

En terwijl men zelf, Confessie-lievend, ernstige, zéér ernstige bezwaren moet hebben tegen de gezangen in onze Herv. Kerk sedert 1807 ingevoerd. Iaat men zich door de dwaze vrees, dat er meerderen zullen komen die de gezangen niet believen te zingen in de kerk, leiden om dan als verdedigers op te treden van een zaak — waarvan men zelf moet voelen, dat de ijver een betere zaak waardig is.

Maar men vreest voor inkrimpen van eigen „partij" — en voor den groei van een andere groep.

En in plaats dat men de eenheid in het allervoornaamste hooghoudt, laat men zich door de vrees leiden, om das harde dmgen te zeggen onder broederen en een onoverbrugbare klove te graven tusschen vrienden.

Dat is ten zeerste te betreuren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkdijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's