Stichtelijke overdenking.
En wij hebben het profetische ; Woord dat zeer vast is en gij \ doet wèl dat gij daarop acht: hebt als op een hcht, schijnende i in een duistere plaats, totdat del dagaanlichte en de morgenster' opga in onze harten. 3 Petrus I
Het Profetische Woord.
'De tweede brief van Petrus, evenals de eerste aan de geloovigen in de verstrooiing gericht, is een woord van vermaning en vertroosting. De apostel wenscht zijn lezers bevestigd te zien in de blijde verwachting van de heerlijkheid van Christus. Petrus zelf is, als hij dezen brief schrijft aan het eind zijner dagen gekomen. Immers hij weet dat de aflegging zijns tabernakels haast zijn zal; maar ook als hij zal heengegaan zijn, dan wil hij dat zijn lezers gedenken zullen aan de waarheid die hun mede door zijn mond verkondigd is. En dat zijn geen kunstiglijk verdichte fabelen geweest. Integendeel Petrus zelf is getuige geweest van Christus' heerlijkheid. Hij herinnert dan ook aan wat hij op den berg der vèrheerlgkïng' had gezien, hoe hij daar met eigen ooren een stem van de hoogwaardige heerlijkheid vernomen had: Deze is Mijn geliefde Zoon in denwelken Ik Mijn welbehagen heb.
Nu zouden sommigen gezegd hebben: maar dat had den lezers van dezen brief toch wel genoeg mogen zijn. Van Petrus zelf te mogen vernamen wat hij ervaren en ondervonden had, wij zouden zoo zeggen, meer was er toch niet noodig om beu een denkbeeld te geven van 's Middelaars heerlijkheid.
Petrus zelf heeft er echter anders over geoordeeld. Op de mededeeling toch van wat hij zelf had gezien en gehoord laat hij dan volgen: en wij hebben het profetische woord dat zeer vast (vaster) is; en gij doet wel dat gij daarop acht hebt j als op een licht, schijnende in een duistere! plaats, totdat de dag aanlichte en de! morgenster opga in uwe harten. Hoe heerlijk dus de herinnering aan wat hij op den berg der verheerlijking had genoten ook was. Petrus vindt toch voor zijn lezers het profetische Woord nog vaster dan wat hij er zelf van ervoer.
Het profetische Woord! Oorspronkelijk bedoelt de apostel daarmee natuurlijk de Schriften des Ouden Verbonds. De bewijsvoering daarmee had voor Christenen, die oorspronkelijk Joden geweest waren, natuurlijk een bijzondere klem. Waar kon de apostel hen beter mee overtuigen van de heerlijkheid van Christus, die hen wachtte, dan met het getuigenis van Israels profeten, dat voor het zaad Abrahams het einde van alle tegenspraak
Het profetische Woord! Was dat in de dagen van Petrus echter alleen het Oude Verbond, voor ons, die leven onder de nieuwe bedeeling, is het profetische Woord de gansche H. Schrift, waarvan Christus, de eens vernederde, maar nu verhoogde en verheerlijkte Middelaar de inhoud is. Ja in den grond der zaak dan is dat profetische Woord werkelqkheid geworden in Hem, die als de hoogste Profeet en Leeraar ons den verborgen raad en wille Gods aangaande onze verlossing volkomen openbaart. Daarom kan ook van het profetisch Woord gesproken worden. Immers omdat Christus er het groote middelpunt, de groote inhoud van is, daarom kan het gansche Woord als een eenheid beschouwd, Hoe ook onderscheiden wat de personen betreft die het als middel in de hand des Heeren te boek stelden, hierin komt het Woord van Jesaja overeen met dat van Maleachie en het woord van Paulus met dat van w Petrus, dat het gansche Woord des Heeren Christus tot inhoud heeft èn dat het o gansche Woord des Heeren een gewrocht h is van den H. Geest.
Maar waarom is hier nu sprake van een profetisch Woord?
Omdat niet alleen in de Schriften des Ouden Verbonds, en niet alleen in het de laatste boek van het Nieuwe Verbond, maar in de gansche H. Schrift ligt een profetische strekking. Het is nog niet geopenbaard wat wij zyn zullen. De heerlijkheid van Gods gemeente blijft dan ook voor de toekomst bewaard. Zeker, een klein beginsel van de ware gehoorzaamheid wordt hier reeds gekend, iets van de zaligheid, die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, wordt hier reeds genoten. Maar dat neemï niet weg dal Gods volk toch door hét'geloof blijft leven uit een heerlijkheid, waarvan het volle bezit nog komende is. Ook om die reden kan van het Woord des Heeren dus gesproken worden als van een profetisch Woord.
En dat profetische Woord, daarvan zegt de apostel nu dat het zeer vast is. En inderdaad, zou er hier op de wereld wel iets zoo onomstootelijk vaststaan als Gods heilig en dierbaar Woord ? Dat heeft het getoond in al de eeuwen die voorbij zijn gegaan. Van eeuw tot eeuw toch is het Woord des Heeren vervolgd. Eerst heeft men het met geweld willen uitroeien, maar dat bleek al spoedig te vergeefs te wezen. Van een van Rome's keizers — ik meen dat hel Galerius was — wordt j verhaald, dat hij zich eens verlustigde in de vlammen waardoor de Heilige Schriften tot asch verteerd moesten worden Plotseling viel er een half verbrand blad voor 's keizers voeten neer en toen men het voor hem had opgeraapt las hij: het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.
Maar niet slechts met geweld. Toen het geweld mislukt was, heeft men naar andere middelen gezocht om het Woord des Heeren van de aarde uit te roeien, 's Menschen verstand en kunde zijn daarbij te hulp geroepen. Van alle zijden hebben mannen van het grootste vernuft en van de hoogste geleerdheid het profetische wr ord aangevallen. Iemand heeft eens gezegd: daar is tegen het Woord | van God een geregelden boekenoorlog j gevoerd; en ook in onze dagen zijn er | niet weinigen door wie het gezag des; Woords wordt betwist, door wie zelfs zijn' waarheid en zedelijkheid in verdenking: wordt gebracht. Maar ook die aanvallen; heeft het Woord des Heeren glansrijk • weerstaan. De geschiedenis van den Bijbel: is terecht genoemd een geschiedenis van, strgd en overwinning, en zoo kan het, I eeuwen nadat Petrus van de aarde is heengegaan, hem nog altoos door de Kerk des Heeren worden nagezegd: Wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is. '
En zou het bezit van dat Woord niet wezen een kostbaar bezit ? Zou er wel rijker bezit hier op aarde zijn uit te | denken dan het bezit van het Woord? De dichter van Psalm 19 had dat reeds'. verstaan: de Wet uws monds, zegt hij, \ is mij beter dan duizenden van goud of zilver. Ja, zoeter dan honig en honigzeem, Dat kan van die bron van levend water, ' die wij in het Woord des Heeren bezitten, worden getuigd.
Nu is echter het bezit van dat Woord op zichzelf niet genoeg, indien er niet; het rechte gebruik van gemaakt wordt.' Daarop heeft de apostel Petrus ons dan, ook in de tweede plaats gewezen als hij • zegt: gij doet wel dat gij daarop acht i hebt, als op een licht, schijnend in een; duistere plaats. Dat is een kostelijk ge-• tuigenis dat Petrus hier van de Christenen : in de verstrooiing gegeven heeft en het ware wel te wenschen dat dit ook van, alle Christenen, die niet verstrooid zijn, gezegd kon worden. Zij hadden acht op" het Woord. Dat was een bewijs dat zij; verstonden het Woord noodig te hebben, ' dat zij dus begrepen wat de profeet Jesaja al gezegd had: tot de wet en tot de getuigenis, het zal zijn zoo zij niet spreken naar dat Woord dat zij geen dageraad zullen hebbfen. Wanneer ik geen leidsman noodig heb toch, omdat ik meen zelf wel den weg te kunnen vinden, dan sla ik er geen acht op als iemand zich aanbiedt om mijn leidsman te zijn. Eerst als ik overtuigd ben dat ik van den rechten weg ben afgedwaald en als ik merk dat ik hoe langer hoe verder het spoor bijster raak, dan aanvaard ik de leiding, die mg door een betrouwbaren gids wordt aangeboden.
En zoo was het nu met de lezers van Petrus' brief. Zij namen acht op het Woord. D. w. z. zij hielden hun oog er op gericht Zij hadden dus verstaan dat de wegen, die zij van nature bewandelden, doolwegen waren. En nu klemmen zij zich vast aan het Woord, want dat Woord was voor hen een licht schijnende in een duistere plaats
En daar hebt ge een treffend beeld, waaronder het profetische Woord hier wordt voorgesteld. Een licht dat zijn schijnsel in een duistere plaats vallen laat. Men heeft gevraagd wat de apostel taet deze duistere plaats zou bedoeld hebben. Sommigen zeggen: daar heeft hij ons hart mee bedoeld. Anderen zeggen: daar heeft hij de wereld mee bedoeld. Weer anderen zeggen: daar heeft hij den dood en het graf mee bedoeld. Wij zouden zoo zeggen dat de apostel hier zoowel het een als het ander bedoelt. In de eerste plaats is die duistere plaats zeer zeker het hart van den zondaar. | Immers wat is het donker daarbinnen, waar de zwartste aller nachten, nl. de nacht der zonden, is nedergedaald. Maar ook wat is het donker rondom ons Ziet maar hoe de gansche wereld in stikdonkere duisternis ligt. Inzonderheid in de veelbewogen dagen die wij thans beleven, nu de Heere met Zijne oordeelen over de aarde gaat, kan de donkerheid als 't ware getast worden,
En niet alleen binnen en rondom ons, maar wat is het ook donker als wij voor ons pogen te zien. Eén schrede voor ons immers ligt de donkere dood, en twee schreden voor ons ligt het donkere graf. ' en eerst als straks die donkere poort zich voor ons geopend zal hebben, dan eerst zal het gezien worden hoe donker; e wij het gemaakt hebben door onszelven af te snijden van het eeuwige Licht.
Maar ziet, nu zegt de Heere hier dat Zijn Woord is een licht, schijnende in d een duistere plsats. En inderdaad, dat d Woord is op zich zelf een licht, waarin gansch geen duisternis is. Het is helderder en klaarder dan het licht van de zon.
En als dat licht nu door de werking des Geestes aan onze harten toegepast wordt, weet ge wat we dan zien? Neen, ; dan zien we niet aanstonds hoe licht, maar dan leeren we eerst zien hoe donker het is; hoe donker het is daarbinnen, ^oe donker het is daarbuiten, hoe donker het straks ook daar voor ons zal z^n. Maar als door de bede: Zend, Heer', Uw • licht en waarheid ned«r, in ons geboren i niag zijn, dan zal het straks ook wezen: ; in Uw licht zien wij het licht.
01 wordt het dan niet licht daarbinnen, als des Heeren Woord daar weerklank vindt: Ziet, hier ben Ik, Ik ben uw heil ? Wordt het dan te midden van alle duis-; ternis niet licht daarbuiten, als de Heere • ons Zijn Woord doet verstaan dat alle; dingen moeten medewerken ten goede. dengenen die naar Zijn voornemen geroepen zgn? En wordt het dan zelfs niet licht daar voor ons, als wij ook dood en ' graf mogen bezien in het schijnsel dat; Gods Woord er in werpt, n.l. in het licht, van Hem die den prikkel des doods, heeft vernietigd en die zelfs het geweld des grafs teniet heeft gedaan ? ;
Een licht, schijnende in een duistere, plaats I O, gelukkig als er ook bij ons; een acht nemen op dat Licht gevonden mag worden, en als het dan niet alleen'. een acht nemen mag zijn alléén in uitwendigen zin, maar als het dan zijn mag als bij Lydia, van wie we lezen dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gespro-' ken werd, nadat haar hart door den Heere zelf was geopend geworden.
Dan toch zijn we ook niet vreemd aan de kostelijke vrucht van het Woord, waarop de apostel ons in de derde plaats i wijst. Die vrucht ligt in deze woorden: totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uwe harten.
Het licht van Gods Woord is dus zoo helder en zoo blinkend dat het niet slechts den moeizamen reiziger door de duisternis leidt, maar dat het voor hem ook den dag doet aanlichten en i i zijn hart de morgenster doet opgaan
Het aanlichten van den dag beteekent hier natuurlijk dat alle duisternis wordt weggevaagd, en met het opgaan van de morgenster is, hier bedoeld het eerste kriek"en van den morgenstond. De mor-1 genster is dan ook het zinnebeeld van de genade van Christus, wanneer deze in haar vertroostende kracht aan het hart'; van een zondaar toegepast en verzegeld wordt. Als zoodanig heeft de Heere zich zelf in Zijn Woord geopenbaard. Denk maar hoe de verheerlijkte Middelaar het in de Openbaring van Johannes van r zichzelven getuigt: Ik ben de wortel en het geslacht Davids, de blinkende morgenster. En denk maar hoe het ook in den brief aan Thyatira gezegd wordt, dat een iegelijk die overwint, de morgenster gegeven zal worden. Wanneer die morgenster er maar is immers dan duurt het ook in het rijk der natuur niet lang i meer of straks baadt de gansche schepping zich in het licht van de zon. En, venals dat nu geschiedt in het rijk der atuur, zoo geschiedt het ook in u*t er genade.
Of komt er voor iedere ziel, die in de uisternis wandelt, niet een oogenblik, at haar, vaak na veel bekommernis en vreeze, het licht der genade mag opgaan, zoodat zij, zich vastklemmende aan Christus, in Hem haar vrede en haar zaligheidvindt? Welnu, die vrijmoedige toeëigening van een bekommerde en verslagene van hart kan als het aanlichten van den dag, als het opgaan van de morgenster worden aangemerkt.
Toch blgft dat aanlichten van den dag en dat opgaan van de morgenster hier «teeds in beginsel. Immers, zoolang hun leven duurt moeten Gods kinderen hier nog telkens weer door allerlei duisternis heen. Ook in het geestelijk leven volgt hier op aarde op lederen dag weer een nacht. Vandaar dat zij ook het profetische woord: het licht schgnend in een duistere plaats, hier nooit kunnen missen. Dat licht hebben zg noodig tot aan hun laat-. sten ademtocht toe. Maar wat hier in beginsel blijft, zal straks volkomen wezen, Eenmaal toch komt er een ure, waarin het lichaam des doods zal afgelegd worden. Dan zal de volle dag aanbreken met een ücht dat niet meer onder zal gaan. Dan zal de volle vereeniging plaats hebben met Hem, die zich in Zijn Woord de morgenster noemt.
Hoe kostelijk dus het licht van het profetische Woord ook mag zijn, al draagt het zelfs de belofte in zich van een eeuwige heerlijkheid — immers het pad des rechtvaardigen is een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe — toch zal die dag hierboven nog iets anders wezen dan hier beneden waar het in zekeren zin altoos nacht is geweest. Totdat de dag aanlichte en de morgenster opga in uwe harten! Ja, als dat woord niet slechts in gedeeltelijke maar in algeheele vervulling zal gaan, dan zal er geen donkere plaats meer wezen, dan zal er dus ook geen schijnsel van eenig licht in een duistere plaats meer noodig zijn. Integendeel, dan zal alles, alles licht zijn geworden. Daarom zal er ook in de toekomende eeuw geen dienst der middelen, geen dienst van Woord en Sacramenten meer noodig of ook zelfs meer mogelijk zijn. Wij lezen het immers in de Openbaring van Johannes van het nieuw Jeruzalem: ik zag geen tempel in dezelve, want de Heere, 'de almachtige God is haar tempelen het Lam. En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve schijnen, want de heerlijkheid Gods heeft haar verj ücht en het Lam is haar kaars.
, Gelukkig als die dag eenmaal ook over . ons zal aangelicht wezen, als die morgen ' ster ook in onze harten zal opgegaan zijn, als ook onze plaats daar in die stad zonder tempel gevonden zal worden, en ; ook wij zullen ons dan onmiddeligk mogen j verlustigen in het licht van Gods eeuwige IMajesteit. Weet gg waar dat van zal : afhangen ? Of wij hier in den middel ! Igken weg iets van dat licht hebben mo-| gen opvangen, of wij hier acht leerden nemen op het schijnsel van het profetische Woord als op het schijnsel van een helder licht in een stikdonkere duisternis, Hoe staan wij tegenover het licht van Gods genade, dat ook in de prediking des Woords zoo gedurig weer zijn schijnsel over ons werpt ? Nemen wij er nog geen acht op, verbergen wij ons misschien voor het licht dat God in Zijn Woord over ons schijnen laat? O, laat ons dan toezien dat het niet eenmaal een wegzinken worde in de plaats der buitenste duisternis, waar elke lichtstraal, dus ook elke straal van hope voor eeuwig is buitengesloten.
Of heeft de Heere ons aan de duistere plaatsen in ons en rondom ons en voor ons ontdekt, mag daar dus een heilbegeerig acht nemen op de bediening van het profetische "Woord by ons gevonden worden, is het er ons waarlijk om te doen om door het hcht van Gods Waarheid geleid te worden door de duistere plaatsen van dit leven en eenmaal in het schijnsel van dat licht in te gaan in het donkere dal van de schaduwen des doods, dan is die God, die gezegd heeft, dat het licht in de duisternis schijnen zou, degene die in onze harten geschenen heeft om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus,
Wanneer wij dus eenmaal duisternis waren, maar nu licht in den Heere zijn geworden, laat onze wandel dan nu ook een wandel zijn als van kinderen des lichts, en laat het lied van den dichter dan ons levenslied zijn:
Hoe wonderbaar is Uw getuigenis! Dies zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren; Want d'oopning van Uw woorden zal [gewis. Gelijk een licht, het donker op doen [klaren; Zij geeft verstand aan slechten, wien ['t gemis Van zulk een glans een eeuw'gen nacht [zou baren.
.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's