Uit het kerkelijk leven.
Een antwoord aan Dr. A. Kuyper. III,
De zaak ligt niet zoo eenvoudig als dn A. Kuyper het wel met een enkel woord wil aanduiden. Alsof het in 1886 eenvoudig op zeker moment ging over de vraag: vóór of tegen den Christus. Alsof het in een oogenblik, toen men gedwongen werd een groot kwaad te doen of anders uitgeworpen te worden, in eens en voorgoed beslist is door hem en de zgnen.
Zóo moet men de zaak van de Doleantie niet voorstellen, en als men een boek schrijft over de Doleantie, zooals dr. J. O. 'Rullman dat deed; en men zet dan voorin een plaatje voorstellende de discipelen voor den Joodschen Raad, waaronder dan staat aangegeven Hand. 5 : 29, dan vinden we dat eenvoudig misleidend.
Dat men zoo iets in 1916, zijnde 30 jaren na dato, doet, verstaan we niet. In alle geval is er niets van waar.
Want Hand. 5 : 29 luidt: Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: en moet' Gode meer gehoorzaam zijn dan de menschen".
Prachtig! Maar zooals Jozef in den kerker kwam en zooals de apostelen in de gevangenis kwamen — zóo zijn dr. A. Kuyper en de zijnen niet buiten onze Herv. Kerk komsn staan!
Zóo eenvoudig ligt de zaak niet. Zeker, het ging in 1886 wel degelijk ook om de waarheid en ook om den Christus — te midden van de prediking van leugenleer en te midden van Christusloochening, maar ten sterkste willen we het tegenspreken, dat men in 1886 om de wille van de waarheid en om de wille van Christus buiten de Herv. Kerk is komen staan.
Daar zit veel meer aan vast. De dingen zitten in bepaald verband, 't Vormt saam éen geheel, 't Een is gevolg van 't ander geworden.
En die nu zegt, dat de doleerenden in 1886 buiten de Kerk zijn komen staan om de wille van de waarheid en om de wille van Christus, die is in deze toch niet nauwkeurig, die misleidt zich zelf en werpt op anderen een blaam.
Allen die in 1886 niet met „de doleerenden" meegingen moeten dan immers tegen de waarheid zich hebben verzet, 't met de eere van Christus niet zoo nauw hebben genomen en hebben «laaijuieo alcL dan schuldig geisteld tegenover den Heere en tegenover Zijn getrouw en gewillig volk!
Maar wij zullen zoo vrij zijn daarin van meening te verschillen. En hier moet ons iets van 't hart in betrekking tot het boek van Ds. RuUmann boven reeds aangehaald (De doleantie in de Nederlandsche Hervormde Kerk der 19de eeuw; historisch geschetst. Amsterdam, W. Kirchner 1916).
Wat is dat toch eigenlijk een leelijk boek!
En dan bedoelen we geenszins, dat dit boek niet had moeten geschreven worden. Integendeel.
Het verheugt ons grootelijks, dat „de Afscheiding" en „de Doleantie" historisch worden geschetst.
Laten de dingen maar eens voor 't voetlicht komen. En laat de organisatie van 1816 maar worden voorgesteld als niet beantwoordend aan de eischen van Gods Woord en onze belijdenis.
Laat het liberalisme maar ten toon gesteld worden.
Laat maar bekend worden hoe velen om de wille van de waarheid hebben moeten lijden; hoe ze zijn geplaagd: vervolgd; verjaagd.
Maar laat men dan toch bij deze ingewikkelde, teere, heilige dingen zich er voor wachten om de afscheiding en de doleantie zóo te beschrijven, dat men 't liefst put uit tijd-en strijdschriften die sterk gekleurd zijn, om dan — in dit geval — de doleerenden zóo te teekenen, dat het botertje tot op den bodem is, terwijl alle niet-doleerenden in den hoek van de Sadduceën worden gezet, zijnde „eene gansch bittere gal en samenknooping der ongerechtigheid".
Wij voor ons aanvaarden deze dingen niet.
Men moet niet zóo arrogant zijn, dat men zegt dat de doleerenden 't eerst, 't meest, 't best zijn opgekomen voor de waarheid en voor Christus, dat de wegen en de middelen van de doleerenden als zuiver goud zijn zonder fout of feil; dat hun doen en laten alleen beheerscht werd. door de hoogste motieven en alleen op 't goede doel konden en zouden uitloopen, — terwijl daarbij allen, die niet met de doleerenden meegingen, worden 'voorgesteld als sadduceën, verraders, vijanden van Christus, vrienden van den Mammon, enz.
Zóó moest men niet schrijven.
Dien indruk moest men niet willen wekken bij de menschen die niet beter weten.
Heusch, er zijn ook nog wel andere menschen in Nederland behalve de doleerenden, die eerbied hebben voor de waarheid, bij wie het gaan mag om de eere van Christus, die het goede zoeken voor Kerk en School, Staat en Maatschappij.
Er zijn gelukkig nog endere wegen en middelen dan in 1886 zijn bewandeld en gebruikt, om te bevorderen het welzijn van de Kerk onzer Vaderen en te behartigen de belangen van oi^s volk.
En wij ontzeggen ieder het recht, om het jaar aan jaar zóo voor te stellen of de doleantie de meest onschuldige zaak der wereld is, en de doleerenden buiten de Kerk zijn gekomen omdat zij van Christus wenschten ie spreken, maar daarin werden verhinderd. (Hand 5 : 29.)
Dat men verhinderd is geworden de dingen op een zeer eigenaardige manier te doen — dè, t is waar.
Maar men is in 1886. niet voor de eenvoudige keus gesteld: wijgen van Christus óf sterven. (Hand. 5 : 29.)
Niets daarvan!
We willen trachten enkele dingen even wat nader uiteen te zetten.
20 October 1880 was „een dag des overwinnens".
Toen toch klonk dat hooge, koninklijke woord „Souvereiniteit in eigen kring" uit den mond van dr. A. Kuyper, waarmee in het Koor der Nieuwe Kerk te Amsterdam voor een breede schare, uit alle oorden des lands samengekomen, de Vrije Universiteit werd ingewijd. Dat was een feit, ^grootsch in zijn voorbereiding, groot in zijn gevolgen".
Een „eigen" inrichting had men nu; een inrichting voor Christelijk hooger onderwijs, ter handhaving en bevestiging van het belydend karakter onzer natie.
Zoover was men natuurlijk niet in een oogenblikje gekomen; ook was deze stichting niet om beuzelachtige oorzaken in het leven geroepen.
Dat was een eer e-schuld van de jongeren aan de ouderen betaald.
Of vinden we b.v. in 1841 al niet een adres van de Kerkeraden van Nijkerk o. d. Veluwe, van Oosterwolde, van Elspeet, van 's Grevelduin Capelle enz. op de Synodale tafel, waarin gevraagd werd „handhaving van de belijdenis onzer Kerk", „vernietiging van het nieuwe onderteekeningsformulier", maar óók „dat de Synode haar invloed aanwende tot verkrijging van hoogleeraren, die met hun hart der kerkleer zgn toegedaan, opdat weer van onze voor de Godgeleerdheid opgeleide jongelingschap gezegd kunne worden dat zij kweekelingen zijn der waarheid en der godsvrucht, gelijk ook „dat de Synode bevele, dat de kinderen, zoo door de leeraren ais door anderen tot het geven van godsdienstig onderwijs bevoegd verklaarde personen uit den Heidelbergschen Catechismus, het Kort Begrip of eenig ander soortgelijk met de leer der Hervormde Kerk nauwkeurig overeenstemmend boek, onderwezen worden."
Te midden van al de pogingen om de proponentsformule wat steviger te krijgen ook een voorstel om te komen tot verbetering van onze Rijks-Universiteiten, bizonderlijk wat betreft het onderwijs in de theologie en de opleiding van predikanten. Men wilde daar aan de Hoogescholen meer band aan de belijdenis, gelijk dat vroeger gevonden werd.
In het jaar 1842 richtten zeven Haagsche heeren, zijnde: Groen van Prinsterer, van Hoogendorp, Gevers, Capadose, Elout van Soeterwoude, Singendonck en van der Kemp (allen leerlingen van Mr. W. Bilderdijk), andermaal een adres aan de Synode. Dat adres handelde óok over de Formulieren van Eenigheid, het Kerkbestuur — maar ook over de Academische opleiding der predikanten.
Men hoopte zoo, dat Christelijke hoogleeraren, levend uit het beginsel der Schrift, aan de bestaande Universiteiten zouden benoemd worden, vooral in de faculteit der godgeleerdheid, maar óok in de andere faculteiten.
Velerlei teleurstelling moest men in deze ondervinden. Waarbij genoemd moet worden het met opzet voorbijgaan van Mr. I. Da Costa en Mr. Groen van Prinsterer.
In 1844 toch deed Prof. Bosscha een voorstel om Da Costa tot buitengewoon hoogleeraar in de letterkundige faculteit aan het Athenaeum te Amsterdam te benoemen. Maar men schreef in een adres o.a. „Men zij niet gerust omdat aan den heer da Costa slechts het onderwijs in de Latijnsche en Grieksche taal en letteren zou worden toevertrouwd. De geruststelling steunt op eene dwaling. De leer en de beginselen, waarvan hier sprake is, maken een zoo samenhangend en vastgesloten stelsel uit, hetwelk zijne takken over elk gebied van wetenschap uitbreidt en op de beslissing van elk wetenschappelijk vraagstuk zulk een overwegenden invloed uitoefent, dat het geheel onverschillig is aan welk vak van onderwijs het zich aansluit. De hand toch des hoogleeraars regelt niet alleen den loop der wetenschap, maar ook de vorming en ontwikkeling van hen, die eenmaal zullen worden geroepen Kerk en Staat te helpen besturen. Het onbewaakt en ontvankelgk gemoed neemt argeloos de leering op. Zij vindt te gereeder ingang, naarmate de fantasie aan de voorstelling haar warmte en beeldspraak leent, het ongeoefend verstand bespeurt de grenzen niet, waar de waarheid ophoudt en de overdrg ving aanvangt; de beginselen vatten post in het jeugdig hart; het woord van den Leermeester beslist - meestal voor het volgend leven". Zoo werd da Costa als hoogleeraar in de Grieksche en Latijnsche taal geweerd, om oorzaak van zijn geloofsovertuiging, welke men alleszins schadelijk vond voor de studenten en daarin voor heel ons volksleven, dat van uit de Universiteiten wordt gevoed en opgebouwd.
wordt gevoed en opgebouwd. Toen schreef da Costa aan Groen van Prinsterer: „gaat het dus, dan zal men er wel toe moeten komen, om voor zelfstandige inrichtingen ten behoeve der goede beginselen te zorgen".
En Groen schreef dienzelfden dag, zoodat de brieven elkander kruisten, aan da Costa: „Een gunstige uitwerking zou de afwijzing kunnen hebben, indien wij in Nederland wat minder traag en slaperig waren; te weten, zoo de onmogelijkheid om op openbare inrichtingen Christelijke beginselen te brengen, de noodzakelijkheid van eigene inrichtingen deed inzien".
{Wordt vervolgd).
* Eigenaardige onderscheiding.
Op de 53ste algemeene ledenvergadering der Confessioneele Vereeniging 31 Mei j.l. te Utrecht gehouden, maakte de voorzitter dr. Schokking van Leiden een eigenaardige onderscheiding tusschen de Confessioneele Vereeniging en den Geref. Bond.
We lezen toch in het verslag van deze vergadering: „de vraag is: zullen we de reorganisatie laten loopen langs de geestelijke lijn 5f haar zoeken door ontbinding (modus vivendi) óf door sterke partijvorming (Geref. Bond)?
We moeten den eersten weg volgen; anders brengen we een wereldsch beginsel in de geestelyke dingen".
Hier wordt dus onderscheid gemaakt tusschen drieërlei pogen op het terrein van ons kerkelijk leven om uit het moeras te komen: het pogen van de Confessioneele Vereeniging; van degenen die spreken van een modus vivendi, en als no. 3 het pogen van den Geref. Boud. Het pogen van de Confessioneele Vereeniging loopt dan volgens dr. Schokking langs de geestelijke lijn.
Het streven van degenen die komen met een modus vivendi loopt uit op ontbinding der Kerk.
En het pogen van den Geref. Bond om te komen tot herstel der Herv. Kerk wordt blijkbaar niet beschouwd als te gaan langs een geestelijke lijn, ook niet te doelen op ontbinding der Kerk — maar wordt getypeerd met deze woorden „'t gaat daar door sterke partij vorming". Nu willen we over die geestelijke Iijn van de Confessioneele Vereeniging voor 't oogenblik niets zeggen. Als die „geestelijke" lijn gaat langs „gereformeerde" banen, vinden we het best.
Over de bedoeling van degenen die spreken van een modus vivendi, waarbij het volgens dr. Schokking moet uitloopen op „ontbinding" der Kerk, zeggen we nu ook verder niets. Men weet wel zoo ongeveer hoe men daarover denkt in onze kringen.
Maar - over de typeering van onzen Geref. Bond een enkel woord.
Dat men ten opzichte van onzen Geref. Bond getuigt, dat wij er naar staan om verzamelen te blazen; dat wij pogen een band te leggen om allen, die wenschen te leven uit en naar de aloude Geref. beginselen; waarbij we ons zoo krachtig mogelijk wenschen te organiseeren om in de pers, in onze kerkelijke vergaderingen, inzake leerstoel-en studiefonds, inzake het werk der Zending, Jongelingsvereeniging enz. te kunnen zeggen en te kunnen doen, wat we meenen dat er in onze dagen en onder de huidige omstandigheden in het midden van onze Herv. (Geref.) Kerk te zeggen en te doen is — ziet, dat vinden we op zich zelf genomen een lofiPelijk getuigenis.
Wij zelf zyn over dit ons pogen maar weinig tevrêe, omdat er veel te weinig éénheid, veel te weinig samenleven, veel te weinig aanpakken, veel te weinig krachtige organisatie is. Onze kring moest zooveel grooter zijn. De actie moest zooveel krachtiger wezen. Zoo velerlei werk moest reeds begonnen zijn , ..
Maar dat men overigens, buiten onze kringen, getuigt, dat de Geref. Bond getypeerd moet worden als te bedoelen „een sterke partij vorming", dat verblijdt ons wel. Dat steekt ons weer eens een hart onder den riem. En ja, eigenlijk hebben we toch ook in onze kringen oorzaak te over om blijmoedig en hoopvol voort te gaan. 't Gaat goed; werkelijk goed. De Heere maakt het wel met ons. Én veel, véél dat ons wacht moet spoedig flink worden aangepakt.
Maar als men spreekt van partijvorming, dan vergist men zich natuurlijk. Als gereformeerden in de Herv. Kerk rondom het gereformeerd beginsel sè, am komen, om het goede te zoeken voor land en volk, in Kerk, School en Maatschappg, is dat geen partijvorming.
Zulks weet dr. Schokking ook wel.
Als men zich verzamelt rondom bepaalde, expresselijk naar voren gebrachte punten en als men bizondere, wel omschreven voorwaarden gaat stellen buiten onze gereformeerde belijdenis om of daarnaast gesteld, ja, dan wordt het een partij-vorming.
Maar als verzamelen geblazen wordt om allen die het hartelijk eens zijn met de belijdenis onzer Herv. Kerk te vereenigen, om saam, in deze droeve tijden, te bidden en te werken voor het herstel onzer aloude Geref, Kerk, dan heeft dat niets van een partij-vovmmg; en dan zit daarin op zich zelf genomen ook volstrekt geen wereldsch beginsel.
Als men in de Confessioneele Vereeniging spreekt over het herstel onzer Kerk — en als men daar een Weekblad heeft — en als men daar voorstellen doet — en als men daar een leerstoelfonds heeft enz. enz. — waaróm dèt dan geen „partij" vormingis en waarom dèt dan geen „wereldsch" beginsel in zich heeft — als men dat bij den Geref. Bond wèl meent te moeten aanwijzen, — dat verstaan we niet.
Ligt het „geestelijke" er dan big de Confessioneelen zoo dik op?
En kijkt het „wereldsche" er bij den Geref. Bond overal door?
Of begint het „partij"wezen en het „wereldsche" soms bij den Geref. Zendingsbond of Jongelingsbond?
Neen — wat ons bedroeft is dit: dat we zeggen zooveel gemeen te hebben en dat er zoo weinig gemeenschap is.
Waarbij men over 't algemeen in den lande voelt, dat het den Geref. Bond er om te doen is rondom de geref. belijdenis zich te vereenigen en naar onze geref. beginselen het goede te zoeken voor onze Herv. Kerk — terwijl velen, zéér velen telkens vragen ten opzichte van de Confessioneele Vereeniging: is men daar gereformeerd? en wil men daar in alles allereerst naar onze gereformeerde beginselen vragen?
En daar zoeken we ook de verklaring in van de betrekkelijk sterke ontwikkeling van onzen Geref, Bond — waarbij wij zelf overigens blijven zeggen, dat we met droefheid telkens ontwaren, dat er nog zoo weinigen bij ons behooren en dat er nog zoo weinig krachtige organisatie is en dat er nog zoo weinig wordt aangepakt, wat voor het herstel van onze Herv. (Geref.) Kerk zoo gezegend zou kunnen werken.
Neen — geen partij vorming willen we.
Ook geen samenkoppeling van alles wat niet bij elkaar hoort.
Ons ideaal is om in de historische lijn, naar uitwazen van Gods Woord, naar de beginselen van onze belijdenis en acht gevende op de Reglementen onzer Kerk — waaronder we niet buiten eigen schuld gekomen zijn en waarjbij we geen eigenzinnig werk willen doen — alles te doen wat mogelijk is, om onze Herv. Kerken weer te krijgen onder de heerschappij van den eenigen Koning Jezus Christus, krachtig door innerlijke levenssterkte, om saam in het midden van ons volk te staan als een pilaar en vastigheid der waarheid. Dan kan de Kerk van Christus onder ons weer leven naar haar aard en zelf levend bij het Woord zal zij mede helpen om het geestelijk leven van het volk te verdiepen, niet aflatend in sterke worsteling om de volksziel weer te brengen onder het licht van Gods Waarheid en alle terrein des levens te dienen met hetgeen naar Gods Woord ten zegen is.
Dan zullen niet de velerlei geesten van de groote massa, welke uiteenvalt in velerlei belijden en loochenen, over de Kerk van Christus heerschen, om haar te knechten en haar te maken tot een smakeloos zout. Maar dan zal de Geest der waarheid uitstralen naar allen kant en men zal ervaren, dat het beginsel der wijsheid is de vreeze des Heeren en dat in het houden van Gods geboden groot loon ligt.
Dan zal, wanneer de Herv. Kerk weer leven zal als de Geref. Kerk van Nederland, gerechtigheid gezien worden in haar midden en gerechtigheid zal het volk verhoogen, gelijk de zonde een schandvlek der natie is.
En we verheugen ons, dat er over 't algemeen onder ons volk voor de gereformeerde beginselen nog zooveel gevoeld wordt.
Er is nog wel hoop in deze! We moeten ons volk niet loslaten. We moeten niet wanhopen. Maar we zjioeten dan in den weg onzer gereformeerde beginselen saam vooruit!
De leervrijheid in onze Herv. Kerk.
Dat er geen leervrijheid in onze Herv, Kerken is, achten> we voor geen tegenspraak vatbaar,
Ook de Reglementen der Kerk maken ons duidelijk, dat Biet in onze Kerken moet gaan naar uitwijzen van Gods heilig Woord (beroepsbrief; ) en naar de begin selen van de aangenomen formulieren, van eenigheid, zijnde de Ned. Geloofsbelijdenis, de Heidelb. Catechismus en de Vijf leerregels van Dordt (art. XI Algem,' Regl.)
Niemand minder dan prof. Scholtf zegt immers: „het was de bedoeling4 Synode (van 1841) niet, om met d' woorden aard en geest, wezen en hoofdaa de deur voor subjectieve willekeur openen, zoodat het aan ieder zou VJÏ staan voor wezen en hoofdzaak te dct? gelden, wat hem goed dacht — maar^jfi degelijk om hetgeen naar den geest» de beginselen der opstellers als het weze» en de hoofdzaak der Formulieren behocii aangemerkt te worden" (Leer der Her' Kerk blz. 39).
En daarom zegt prof. dr. J. J., Toorenenbergen: „De Symbolische Schriften of Formulieren van Eenigheid, gelijk men ze later naar het voorbeeld de Luthersche Zusterkerk noemde, moeten nog altijd uitwijzen of wij kinderen van het kerkelijk huisgezin zijn, " „De Symbolische Schriften behooren nog steed, te worden erkend als bevattende criterium, waaraan de kinderen des huize; zyn te onderkennen." (Symbolische Schriften 2de drnk blz. IX).
Vooral waar er nu zooveel verschillend richtingen zijn in onze Herv. Kerk, m dit door niemand uit het oog wor verloren. Want dat 'deze richtingen zijn, is nog geen bewijs dat ze er zijn. Integendeel. Met kracht moet worden betwist de stelling, dat men in onze Her vormde (Geref.) Kerk het recA« zou hebben om te leeren en te doen, wat men _ vindt. Het prediken van het Evangeli van Jezus Christns vindt haar begrenzing en nadere omschrijving in de grondbe ginselen en de positieve grondwaarheden in onze Hervormde (Gereformeerde) be. lijdenis uiteengezet en aan de Herv. Keil mag het recht niet worden betwist grondwaarheden uit te spreken, voordi grondwaarheden op te komen en leerai en lidmaten aan de getrouwe belijde daarvan te binden.
Wij bedroeven er ons over, dat di( niet genoegzaam onder ons wordt gevoelj en toegestemd, waarom wij ons hebben opgemaakt om nog weer eens over dezf zaak te schrijven in een boekje, dat dezei dagen in het licht zal verschijnen tei drukkerij van den heer Corns de Jong te Oud-Beijerland.
Dit boekje draagt tot titel: „Over de leervrijheid in de Nederl. Hervormd» (Gereformeerde) Kerk", en bevat artikelenreeks, waarin gehandeld wordt over de bestuursorganisatie en de brelijdenis.
Wij meenen, dat dit boekje vooral in onze dagen bizondere beteekenis hebben, waarom we het hier ook met een enkel woord willen aankondigen bij de verschijning en het hartelijk aanbfr velen bij allen die belangstellen in herstel der Ned. Herv. (Geref.) Kerk, welke wij zoo gaarne zouden zien terug. keeren tot de oude paden van Gods Woord, om in dezen tegenwoordigen tijd in hei midden van land en volk te mogen gesteld worden tot een getrouwe getuige van Jezus Christus en een licht tot verlichting van elk . terrein des levens, ja, ook tot verlichting der heidenen.
Wij verwachten, dat velen bovengenoemd boekje zich zullen aanschaffen, vooral predikanten, kerkeraadsleden, leden van kiescolleges, ook gemeenteleden die niet in kerkelyke college! zitten, alsook onze jongemannen, die op hunne vereenigingen over deze dingen geschiktelijk kunnen spreken, waarin een uitnemend middel is gelegen om op dit terrein thuis te raken.
Weinig begrepen. Telkens kan men, vooral wanneer men de Handelingen der Synode van jaren hèr doorleest, opmerken, dat men dikwijls toch zoo weinig begrepen heeft van 't geen nu werkelijk het Protestantsch beginsel is; 't geen inderdaad in den geest van het Protestantisme is. Dat het Protestantsch beginsel vast zit aan Gods heilig Woord voelt men niet.
Dat de geest van het Protestantisme is om het hoogste gezag op te eischen voor den Bijbel, verstaat men niet.
Men maakt er maar wat van!
Zoo vonden we b.v. op blz, 309 van de Synodale Acta van het jaar 1880 déze redeneering van een rapporteerende Commissie, welke zoo gaarne verandering in de proponentsformule zag aangebracht;
„Dit achten zij in den geest van het Protestantisme, dat op het gebied van het Christelijk geloof de vrijheid (" gewetens gehandhaafd worde en , raen zich in geloofszaken tegen alle menscheliji gezag verzet, "
Zouden zij die zooiets beweren en meenen dat zij weten wat eigenlijk het Protestantisme is wel ooit het Protest van de Evangelische vorsten gelezen hebboDi naar welk Protest de Hervormden immers Protestanten zijn genoemd?
Als men dat Protest gelezen had zon men zulke dwaze dingen niet zeggen ter aanduiding van den geest van hef Protestantisme.
Bij het Protestantisme moet het gaan om Gods Woord als regel voor leer en
^^Daarom is b.v. ook de naam Protestanten-bond zoo'n bespotting van de historie!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's