De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

stichtelijke overdenking.

13 minuten leestijd

Te dien dage zal er eene fontein geopend zijn voor het huis Davids en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinheid, Zach, 13 : 1

De heilsfontein.

De waarheid, waarvan hier wordt gehandeld geeft antwoord op deze vragen : hoe kom ik van mijne zonden af? Hoe kan ik voor God verschijnen?

Zie hier ongetwijfeld het allervoornaamste wat er ooit op deze wereld gevonden kan worden. De zonde weg en de onreinheid verdwenen. Hiervoor wordt aan deze plaats een weg gewezen, eenig in zinsoort: daar is een fontein geopend.

Wanneer een zondig Adamskind nog wandelt bij natuurlijk licht zal hij voor dit Evangelie al weinig ooren hebben. En ge kunt u daarover niet verwonderen, want wat hij mist is dit: daar is geen gevoel van schuld. Hij weet van geen bezoedeliug af. Hij kent de zonde niet, al loopt hij altijd tegen God in, al doet hij niet dan kwaad zoolang hem de schellen van Jde oogen niet vallen, ziet hij difr niet. Hier is niets minder voor noodig dan zelfontdekking des H, Geestes, Vandaar leest gij ook: en de H, Geest zal de wereld overtuigen van zonde. Zoolang het leven van een mensch staat in het licht van z'n natuurlijk verstand zal hij ook niet weten van onreinheid. Hier staat eigenlijk een woord waarvan de Joodsche wet aangeeft: een afzondering. Zoolang deze onreinheid bestaat heeft deze persoon geen kans zich in het heiligdom, ja nog sterker, in de gemeenschappelijke samenleving te vertoonen.

Zoo gevoelt diegene zich die onder het schijnsel van den gouden kandelaar des Geestes is doorgegaan: „Ik ben niet alleen een zondaar, ik doe allerlei dingen die niet goed zijn, ik verbitterden Heere s, nog erger, 't is daarbinnen een onreine bron; daar borrelt naar boven niet anders dan kwaad. Uit het hart van den mensch komen voort, en dan teeken t ^ het Woord het volkomen juist, allerlei  onreinigheden.

Ziet daaronder rijst nu de verzuchting: , hoe kom ik daar af? "

, Mijne zonden moeten weg, mijne ongerechtigheden moeten toegedekt, ja ook die bron moet gereinigd, Heere, reinig mij van mijn verborgen zonden". Wanneer de mogelijkheid hiervoor bestond door het volbrengen van een of toder goed werk voor den Heere, het zou zeker niet worden nagelaten. Het moeilijkste werd vrijwillig opgenomen, maar hier blijken het wegen te zijn, die geen eindpunt kennen, 't Wordt steeds moeilijker, terwijl de onreinheid van tónnen blijft. Al wiesch een zondaar zich wk in een zee van enkel deugden, al iiam hij dagelijks een bad in allerlei goede voornemens, de kwaal van binnen lilijft er, 't Is de Moriaan gewasschen, De luipaard] verliest niet zijn vlekken, fcor de wassching worden ze nog veel ^Didelijker zichtbaar, en toch houdt hij niet "P. Al maar pogen beter, reiner te worden. Wat wil hij toch?

Wat hy wil? Zóó worden als God in ^ijn heilige wet van hem vraagt, 't onreine moet verdwijnen, de zonden moeten u-Lezer, zoo gy ook altijd nog bezig zijt van deze zijde den berg te beklimmen, staak gerust uw ijdel pogen, over den Sinaï klom er maar Eén, en Deze kwam op Golgotha uit. Als ge dit pad volgen wilt, moet ik u hierop opmerkzaam maken: nader tot dezen heiligen berg niet, want ge vindt er den dood. Ik heb een anderen raad voor u. Laat uw oog eens rusten op dat doorstoken hart, op dien verbroken Middelaar. Deze is de Fontein, die u geheel reinigen zal.

Als ge Hem eens te voet mocht vallen met: „O Heere, wilt Gij alles zijn voor mij, Gij, Die geene zonde kendet, woudt U zonde laten maken voor mij. "Wat zijt Gij groot van goedertierenheid.

Zie van deze uren stamelt de dichter:

Des Heeren vrees is rein Zij opent een fontein, van heil Dat nooit vergaat. Zijn dierbre leer verspreidt Een straal van billijkheid, Daar z' all' onwaarheid haat Z' is 't menschdom meerder waard. Dan 't fijnste goud op aard. Niets kan haar glans verdooven. , Zij streeft in heilzaam zoet tot streeling van 'tgemoed Den honig ver te boven.

Een wónder-heerlijke oplossing van het raadsel: daar is een fontein geopend tegen de zonde en tegen de onreinheid. Waar alle schepselen tezamen nog niet ééne zonde kunnen delgen, en nog veel minder de onreinheid — die vuile bron kunnen wegnemen — heeft de Machtige Jacobs in Zijn wonder bestel zelf een onfeilbaar middel daar gesteld. Daar is een fontein geopend. Let wel: is geopend, 't Is de eenige gave waardoor deze kostelijke uitkomst verkregen kan worden, door de zelfofferande van Christus, D.i, de beteekenis van het kruis.

Wanneer er gevraagd wordt: hoe kom ik van de zonde af? Door in te dalen in het koperen waschvat, door een bad in die koperen zee, of in de taal van het Nieuwe Verbond, door alles te leggen aan den voet van den Gekruist© met de belijdenis: Heere, van U is mijne verwachting, 'k verwacht het van niets en niemand meer dan van Uwe genade. Maar nu komt de vraag: wien is dit heil beschoren? Wien zou dit mogen te beurt vallen? .

Daar is bij het koninkrijk Gods niet van de minste willekeur sprake, 't Is een goddelijke orde. Luistert maar: te dien dage zal er een fontein geopend zijn voor het huis Davids en voor de inwoners van Jeruzalem.

't Zijn "hier twee benamingen, maar die één punt gemeen hebben: men zoekt ze beide binnen de poorten van Jeruzalem, De eene mogen tot de aanzienlijken behooren, 't zijn de regee/ders; de anderen worden geregeerd, l/et is het volk dat van Davids troon , 'de bevelen ontvangt. Wanneer we 't du/é zoo zouden weergeven, zou het zijn in .deze bewoordingen: het zijn de mannen met macht bekleed en de geringe, maar beide wonen binnen de  poort. Zij behooren tot de stad Gods,

Hierin ligt al dadel|jk zulk een zoete troost, 't Is ééne font/éin, die haar water ter reiniging sprenkelt zoowel over de allerkleinste, de allejrgeringste, de allerminste, als over hot meest blinkende, hoogst begenadigde kind des Heeren,

Davids huis en Jeruzalems poorters staan op ééne lijn. De helden, zoowel als die gansch geene bekendheid in den lande hebben, als ze maar mogen behooren tot de stad Gods.

Op Davids huis is in de 1ste plaats ons oog gericht. Dat was een verkoren geslacht. Hier liggen de zegeningen, de voorrechten als opgestapeld.

Ge zegt, dat is me volstrekt geen wonder dat aan dat huis de beloften Gods worden verzekerd.

Geen wonder? Ge bedoelt toch niet dat de Heere hieraan eenige verplichtingen zou hebben ? Want dan vat ge 't' niet. Het geding loopt hier immers over j de reiniging, over de uitdelging van zonde, over het wegnemen van onreinheid. Wanneer ooit aan een huis zegen werd toebedeeld was het aan dit, maar ook wanneer ergens een zegen werd verbeurd noem dan geen ander. Over dit huis — had de Heere met een eed ge-1 zworen, dat het zwaard niet wijken zou,  daar lag een bloedschuld, '

O, waar 't ooit gansch uit de hand was geslagen — was 't hier,

Voor Davids huis was nog be-üoudenïs. Voor Davids huis was nog een fontein geopend — spelt dit wonder nooit anders ' dan. met de benaming: d.i. koninklijke genade, d, i. vrijmachtig welbehagen.

De hoogst-begenadigden moeten de hoogste genade nog ontvangen, Davids huis heeft de allergeringste weldaad verzondigd.

Maar nu de inwoners van Jeruzalem,

Zoo op de klank af denkt ge onmiddellijk aan een heilige stad. Hare poorters zullen een uitzondering vormen ten goede.

Zou het waarheid in hebben ? Ge weet het zelf Spreekt dit woord eens na: „Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de Profeten doodt en steenigt die tot u gezonden zijn." Ja hier is 't in letterlijken zin: door uwe hand is de Fontein van bloed geopend, 't Is de bloedstad.

O, peilt deze diepte van genade Voor het huis van David en vóór de inwoners van Jeruzalem is er behoudenis, Daar is een fontein voor geopend. Hare zonden en haar ongerechtigheid is weggewasschen.

Zou er ook hope zijn voor u?

't Spreekt dat hier een onderzoek niet achterwege mag gelaten, een nauw zelfonderzoek. Daar is een geopende Fontein, Daar is in Christus' zoenbloed een volkomene delging. Daar blijft niets meer | over van al de zonde en van al de onreinheid, 't Is een geheiligd volk, een, koninklijk priesterdom.

We nemen uit de volheid slechts dit eene. Het bloed van Christus Jezus reinigt, van alle zonden. Wie in Hem dekking gevonden mag hebben, behoeft voor geen oordeelsdag meer te vreezen. Hij is aireede in het oordeel geweest, Christus droeg het voor ons. Door de overgave, aan Hem had die goddelijke ruiling plaats. Zijne rechtvaardigheid en heiligheid en verlossing kwam te staan op des zondaars naam, evenals Christus zich tot een vloek, een oordeel en verguizing liet stellen. De smettelooze Borg, met Zijn volkomene reinheid kwam te staan voor zijn bergenhooge schuld en algeheeie' verdoemelijkheid. 't Is een allerwonderlijkste weg. Geen penning heeft de begenadigde betaald en toch komt hij met Behoort gij nu ook tot de poorters van die stad? Is de kerk van Christus voor u wat Jeruzalem was voor het huis Israels, nl, de stad des grooten Konings? Aan den voet van het kruis ^al uw schuilplaats moeten zijn. Hierin ligt de toetssteen.

Wat is de Reinigmaker voor u?

Een fontein heeft niet de minste begeerlij kheid voor iemand, die meent gereinigd te zijn, of die nooit geen vuil; aan zich heeft ontdekt. D. i. alleen voor i de zondaren. Dat er een fontein openstaat is alleen een blijde boodschap voor j degenen, in wier harte de verzuchting leeft: hoe zou ik ooit voor Gods aangezicht kunnen verschijnen? hoe raak ik | mgne zonde kwgt? Niet dat de onbekeerde zondaar hieruit de gevolgtrekking zou mogen maken: ik gevoel van mgne zonde niets, dus nu ben ik van alles af; want juist dit is de aanklacht: zij hebben twee boosheden begaan, zegt de Heere, zij hebben Mij, den springader des levenden waters, dat is de Fontein — verlaten om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.

Juist, hier kwelt het Igsvaad: wij zijn in overtreding en hebben daarvan niet het minste besef. Zij hebben het bloed van Christus Jezus onrein gerekend. O, denkt u dat in, We noemden straks die donkere teekening van den Apostel Paulus: geen hope hebbende en zonder God in de wereld. O, wat 'n vreeselij k bestaan: in de wereld te staan zonder God, dus geen hope voor de toekomst. En dan tenslotte het aan zichzelven te wijten. Nimmer kan den Barmhartige en den Genadige het verwijt treffen: ge liet naar mij nooit één blijk van genade uitgaan, 't Zal in laatste instantie moeten teruggeleid tot de natuurlijke afkeerigheid: Gij lieden hebt niet gewild. Ik had niet de minste behoefte aan reinigmaking.

En nu is dit de wet: zonder heiligmaking zal niemand God zien. Alleen de reinen van hart zullen bij God wonen, In den hemel komen niet dan die in de fontein van Christus' bloed zijn gereinigd.

Hieromtrent bestaat bg ons geen verschil. Maar nu leeft daar in sommiger hart eene vraag: zou het wel zijn voor mij ? We willen, voor hier op in te gaan, eerst een enkele tegenvraag stellen.

Zou de offerande van Christus voor u wel voldoende zijn? Ge zegt: daaraan twijfel ik geen moment. Dit bloed dekt elke zonde. Al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren ze rood als karmozijn. zij zullen worden als witte wol. Neen, hieromtrent verkeer ik niet in het onzekere, Dat bloed van den Borg reinigt van alle zonde.

Nu dan een andere vraag beantwoord: zou Hq op u iets tegen hebben? Hebt ge soms ergens een bewijs dat Hij een bezoedelden, onreinen vluchteling heeft afgewezen ?

O neen, zegt ge, hiervoor is Zijn woord me borg. „Wat tot Mij komt, zal Ik geenszins verwerpen, " Hij noodigt veeleer: „komt tot Mij allen, die vermoeid en beladen zijt en Ik zal u ruste geven, " 'k Zal het u in twee woorden zeggen: ' „daar is nog geen rechte nood. Ik word nog niet gedreven, "

' Och, lezer, dat Zijne goedertierenheid u dan eens tot bekeering mocht leiden, dat ge onder deze grenzelooze liefde eens mocht wegsmelten. Voor doemschuldigen gaf Hij Zich prijs, voor reddeloos verlorenen liet Hij het leven zich nemen. Gij spreekt „daar is nog geen nood, "

Zou het er dan niet kunnen komen? 'k Wil het nog krachtiger aanbinden. Zou het niet moeten komen? Zonder heiligmaking, zonder Eén, Die u geheel heilig stelt, zal het niet kunnen. Niet Hij een weinig, en gij het ontbrekende. maar Hij alles en gij niets, als een begenadigde begiftigd, als een onreine gereinigd, als een goddelooze gerechtvaardigd, zult ge God zien,

O, talmt daarmede niet bij de hemelpoort aan te houden, het is toch zoo bang, het niet te weten. De Heere is toch de bereidwillige en de volkom ene zoo als ge zelf toegeeft. Wat u ontbreekt is die uitdrijvende genade.

We lieten tot dusverre wel niet geheel onbesproken, maar toch werd het zoo maar even genoemd: „te dien dage." Als ge het verband eens nagaat zult ge dit merken. De fontein, die wel openstaat, wordt pas als een geopende gevonden, als het volk in rouwklachte zich voor den Heere buigt. Een biddelooze ziel heeft geen oog en geen oor. Hagar moest vlak bij de waterfontein zijn, maar niet eerder werden hare oogen geopend, voor de smeekbede opklom ten hemel,

„Te dien dage" staat in rechtstreeksche verbinding met wat er aan voorafgaat. Ge moet Zach. 10 : 1 laten volgen onmiddellijk op Zach. 12 : 10 „over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden". Dan zal er zijn een kleven achter God aan.

Het huis van David en de inwoners van Jeruzalem hebben het allen evenzeer" van noode. Zij moeten gereinigd worden dagelqks opnieuw, 't Is een fontein. Dat wil zeggen: voor een gedurig overtreden is ook een gedurige reiniging.

O vlucht dan, gij kinderen Gods, maar telken stonde naar die geopende Fontein. Gg hebt' het toch wel goed vernomen: Zij staat open. Daar ligt eene noodiging in. Och probeert het toch nooit om uwe eigene zonde te betereu. Gij maakt het hoe langer hoe slechter er door.

En eigenlijk gezegd is het een blameeren, een kleinachten van Christus' volbrachte werk: in de Fontein van Golgotha moet alles verzinken. Ziet hiervan heeft de vrome dichter zoo schoon getokkeld:

1000 millioenen zonden zinken in dien oceaan Van Messias' reine wonden Die gedurig open staan.

Dat de Geest der genade en des gebeds u maar telkens doe bukken, vragende: Heere, laat mij zinken op Uw offer geheel, reinig mij in Zijn bloed. Van de zonde en de onreinigheid zult ge blijken eenmaal volkomen te zijn verlost. Dan is heel Christus', kerk, Davids huis met eiken inwoner, Jeruzalem gereinigd, dan zal zij zijn een lelieblanke maagd. Op de straten van Jeruzalem wandelen reine voeten. D.i, de vrucht van het kruis.

Uw kruis, o Heer, Zij meer en meer Mijn leven, en mijn sterven. Dat Jezus' bloed Mijn ziele voedt. Die gunste eens verwerve.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's