De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

27 minuten leestijd

Een antwoord aan Dr. A. Kuyper.

V.

Einde 1877 zijn de grondslagen gelegd; in 1878 werd een voorloopig comité gevormd — en bij Kon. Besluit van 12 Febr. 1879 werden de Statuten der Vrije Universiteit goedgekeurd.1879 nog werden de eerste Curatoren benoemd en wel: ds. Felix van Utrecht, dr. de Hartog van Rotterdam, mr. Keuchenius van 's Gravenhage, jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman van 's Hertogenbosch .en mr. van Beek Calkoen van Utrecht.

In September 1879 werden tot hoogleeraren benoemd: dr. A. Kuyper en dr. F. L Rutgers; in het voorjaar van 1880: dr. Ph. J. Hoedemaker, mr. D, P. D. Fabius en dr. F. W. J. Dilloo.

En zoo kon — we hebben het reeds vermeld — 20 October 1880 de Vrije Uuiversiteit geopend worden, in tegenwoordigheid van velen die lid of begunstiger der-Vereeniging voor Hooger Onderwijs op gereformeerden grondslag waren, terwijl verder aanwezig waren de antirevolutionaire Kamerleden, de Minister van Binnenlandsche Zaken jhr. mr. W. Six, de burgemeester der hoofdstad mr. G. Tienhoven met de wethouders en den secretaris van Amsterdam, de Rector der Amsterdamsche Gemeente-Universiteit of. mr. C. Pijnacker Hordijk en haar secretaris prof. dr. J. Verdam enz.

Wat het hoofddoel der Vrije Universiteit nu was?

We hebben het reeds gezegd: om het gezag van Gods waarheid ook op het gebied der wetenschap te verdedigen tegen de machten dezer wereld en de opleiding van predikanten voor de Hervormde Kerk te doen zijn naar het gereformeerd beginsel.

En wat is er van dat laatste terecht gekomen ?

't Was al dadelijk te voorspellen, dat de Hervormde Kerk er niet veel voordeel van hebben zou, daar men begon met te zeggen: indien Gij nu niet direct en niet precies en niet gewillig doen wilt wat wij, mannen van de Vrije Universiteit, die sinds één, twee jaren bestaat, voorschrijven, dan zullen we aan de Gemeenten duidelijk maken dat zij de reformatie zelf ter hand hebben te nemen, de gemeenschap met de Hervormde Kerk hebben te verbreken; en — dr. Kuyper wist in 1882 reeds: „dan zullen die Kerken zelven, naar Goddelijke roeping en heilige plicht dat net van heur hoofd moeten aflichten"!!

't Vuur werd dus geopend tegen „de oude, afgeleefde, stramme matrone" en het dreigement was van den beginne, als Gij ons niet ongevraagd thuis brengt wat we wenschen, dan zullen we U wel krijgen, dan gaat de boel kort en klein!

Zooals men in 1905 tegenover het Ministerie-Kuyper stond, zoo stond dr. Kuyper in 1880 tegenover de Synode en de Kerk! „Dan moet de boel maar kapot, dat is beter dan zoo'n ellendige boel te bestendigen!"

Nog eens, wat wordt er al-niet betiteld met „Goddelijke roeping en heihge plicht"....

't Moest verkeerd loopen.

En 't is verkeerd geloopen; reeds toen de eerste candidaat der Vrije Universiteit klaar was.

Om de Herv.'Kerk te helpen was de Vrije Universiteit opgericht; om haar te helpen met dienaren des Woords; maar toen de eerste candidaat klaar was, wilde men geen toegang vragen. Daar was men te trotsch voor. En hooghartig, eigenzinnig, prikkelend, tergend, beleedigend heeft men in deze zaak van de zijde van de Vrije Universiteit gehandeld van 't begin af aan. Men. bedankte ervoor om den kerkdijken weg te erkennen, te eerbiedigen en te volgen. En intusschen ging men z'n reiskoffertje opzoeken, oppoetsen en ... op reis heeft men allerlei noodig, waarom men ook vast ging rondkijken, wat men zoo al kon inpakken om straks niet zonder te staan als het noodsignaal gehoord zou worden en men zou moeten vertrekken.

Als we aan deze dingen, na 30 jaren, deuken, vinden we het steeds nog ten zeerste te betreuren, dat men in de jaren 1880—1886 alzóo gehandeld heeft. Wat verraadt het een hoogmoedigen zin, zelfgenoegzaamheid en eigenzinnigheid! En wat bewijst het, dat het niet in de eerste plaats te doen was om de Herv. Kerk te helpen, maar om zelf z'n zin te krijgen. Zooals men 't zelf wilde zóó moest het, en anders... de consignes waren uitgedeeld !

01 als toen eens meer gevoeld was hoe groot de zonden onzer Vaderen en van ons in het midden van het kerkelijk leven en in het midden van het volksleven waren — waarbij de Heere nog kennelijk bemoeiïenissen ten geede hield — hoe zou men èn ten opzichte van de Kerk ên van het volksleven toch de voorzichtigheid betracht hebben, om toch vooral het zuurdeeg in al de maten meels te mogen krijgen!

Maar met iets dat geheel nieuw was heeft men gespeeld zooals een kind met een mes of een jo'ngen met een buks!

De heer H. J. Houtzagers was de eerste candidaat der Vrije Universiteit. Maar hoe nu te komen tot het proponentsexamen, zonder welk examen men natuurlijk niet. tot de evangeliebediening kon worden toegelaten?

„Niets vragen", „niets verzoeken" — was dr. Kuypers advies en bevel.

„Ze moeten beleefd tot ons komen, om ons de volste rechten thuis te brengen, I niet zonder erkenning, dat de Vrije Universiteit toch zoo'n uitstekende Hoogeschool is en dr. Kuyper toch zoo'n knap en eminent man."

En als de oude matrone te stijf en te afgeleefd is, of als men om andere oorzaken weigert om, met den hoed in de hand, tot ons te komen — welnu, dan zullen we onze eigen meester zijn; alle dingen zijn gereed."

Met smart denken we aan deze dingen terug. O! wat had een weinig minder hooghartigheid, een weinig minder zelfgenoegzaamheid, een weinig minder tergend spreken en schrijven, een weinig minder durf, een weinig minder organisatievermogen, een weinig minder invloed een groote, groote zegen geweest voor Kerk en Volk! Wat hadden de dingen anders kunnen, anders moeten loopen.

Men had immers naast het officieele gemakkelijk op min of meer officieuse manier het gereformeerd beginsel bij het examineeren kunnen vastleggen en bewaren en onze Herv. Kerk daardoor grootelijks kunnen helpen. Doch men heeft het niet gewild en de boeLis gebarsten. Natuurlijk!

Eigenaardig doet het aan, als we nu, na 30 jaren, lezen, hoe de zaak Houtzagers voorgesteld en verdedigd wordt van de zijde der doleerenden.

Neem het boek van ds. RuUmann maar weer; en dan leest men b.v maar de Gemeente Kootwijk was reeds zoo lang herderloos; de Gemeente Kootwijk had reeds zoo dikwijls tevergeefs beroepen; en nu was er eeu zoo uitnemend candidaat der Vrije Universiteit.... Er bij voegende dan: wat groote zegen, dat de Heere nu aan de Gemeente Kootwijk een eigen herder en leeraar kwam geven.

Maar, in ernst, zóó kan en mag men zich-toch niet met vrome praatjes afmaken van de zaak waarom het gaat. De vraag is: hééft men inzake het beroepen en het examineeren van candidaat Houtzagers revolutionair gehandeld of niet? En dan staat voor ons vast, dat men èn inzake de proponentsformule van 1880 èn inzake de bepalingen van art. 38 Regl. Godsd. onderwijs, èn inzake het beheer en ook inzake het beroepen en examineeren van cand. Houtzagers eigenmachtig is te werk gegaan.

En neen, dan moet men niet gaan zeggen, zooals ds Rullmann doet in zijn boek — in welk boek voor de doleerenden in geen enkel opzicht ook maar een schijn van eigenmachtig of verkeerd handelen overblijft! 1 — dat cand, Houtzagers toch door zulke „bekwame" mannen is geëxamineerd (blz. 16) Want laat het waar zijn dat 20 Nov. 1885 „eenige bekwame predikanten uit verschillende deelen des lands" in het Tehuis voor militairen te Utrecht bij elkaar kwamen 'om den heer H. J. Houtzagers „bijna zes uren" lang te examineeren — dat kan niet te niet doen, dat men op onregelmatige en niet kerkelijke wijze dezen candidaat der Vrije Universiteit heeft onderzocht en tot de evangeliebediening toegelaten — waarbij natuurlijk een kerkelijk conflict niet kon en mocht uitblijven.

Men weet toch als Bijbelsch-christen, men weet toch als gereformeerde wel, dat men niet èlles mag doen wat men wil ?

Velen hadden het dan ook wel gevoeld, dat het op deze manier mis moest loopen. Velen hadden ook gewaarschuwd. Er kwam toen ook reeds een scheur tusschen ; de voorstanders van de Vrije Universiteit. '

Om éen voorbeeld te noemen: dr. Hoedemaker had den heer Houtzagers ernstig aangeraden om predikant te worden bij de Belgische Zendingskerk, daarna kon hij dan met een z.g.n. colloquium doctum beroepbaar gesteld worden bij de Ned. Herv. Kerk,

Maar neen! — we zeiden het reeds — men wilde op endere wijze toch in het beloofde land komen. Men koos den kort sten weg; een eigengemaakten. eigen willigen, revolutionairen weg, waarbij een prikkelend en beleedigend optreden tegenover allen die het daar niet mee eens waren, niet achterbleef, om zoo natuurlijk! buiten de Herv. Kerk te belanden!

Jammer toch!

Want men voelde héél goed, blijkens een uitlating in de Bazuin van prof. Brummelkamp, dat „de strijd in het Hervormd Kerkgenootschap zich als 't ware culmineerde in de Kerk te Kootwijk".

De strgd van 1886 culmineerde zich in een eigenwillige, revolutionaire daad .... zouden wij dus kunnen zeggen.

Waarbij we niet gaarne Hand. 5 : 29 zien aangehaald.

Neen! 't ging hier niet om de keus: van Christus zwijgen öf sterven.

't Was hier volstrekt niet: voor of tegen den Christus.

Men moest na zooveel jaren toch eindelijk eens wgzer worden.

En het nageslacht heeft het recht om den mannen van 1886 te vragen: waarom hebt gij zoo hooggevoelend zulke eigenwillige dingen gedaan, zulke beleedigende en irriteerende woorden gesproken, zulke harde onbillijke oordeelen daar neergeschreven, waardoor g^ de oorzaak geworden zijt van scheuring, welke zoo spoedig mogelijk moet geheeld worden — liefst nog vóórdat al de voormannen van 1886 door den dood zijn weggenomen.

(Wordt vervolgd)

Het optreden van Ds. Netelenbos.

Dat over een daad in het midden van het publieke leven verricht, ook geschreven wordt in de couranten, mag ons niet verwonderen. Temeer niet, wanneer zooals nu met het optreden van ds. Netelenbos, pred. bij de Geref. Kerk te Middelburg, het geval is, in het openbaar getuigenis gegeven wordt. Natuurlijk dat dan ook in het openbaar zal worden bekend gemaakt, hoe men over zulk een publiek optreden oordeelt.

In zooverre vinden we er dan ook niets tegen om over het optreden van ds Netelenbos in eene gewone godsdienstoefening in de Herv. Kerk te 's Gravenhage te schrijven.

Jammer, dat deze zaak nu onder zulke bizondere omstandigheden heeft plaats gehad. Want nu dreigt het gevaar, dat door die bizondere omstandigheden de zaak zelve niet onbevangen genoeg zal beoordeeld worden.

Die bizondere omstandigheden zijn: K dat ds. Netelenbos pas uQg éénheid zocht met degenen, die Christus niet erkennen als Gods Zoon, en Hem de plaats niet geven welke Hem van ouds in de christenheid door alle rechtzinnigen is gegeven geworden.

Ten tweede is ds. N. opgetreden in een beurt van den bekenden ethischen predikant dr. Cramer, door zijn ethische richting en zijn voorliefde voor de bijbelcritiekj genoegzaam in onze kerkelijke wereld bekend.

En ten derde heeft ds. N. bij zijn preeken in de Herv. Kerk in den Haag 3 fiiaal een „Gezang" opgegeven en'één Psalm laten zingen.

Men behoeft nog, niet uit te munten door vitzucht om nu in heel dat optreden iets te vinden, dat 't voor een gereformeerd mensch weinig aantrekkelijk maakt!

Hoe geheel anders zou 't staan, als b.v. ds. Js. V. d. Linden van den flaag eens voor Posthumus Meyes was opgetreden! of dr. de Moor van Amsterdam voor dr.' Schokking !

Dan had 't een kerkelijke handeling | geweest, waarover onbevangen had kunnen gesproken worden.

Maar nu bekijkt men ds. N. onwillekeurig zóo, dat de zaak al scheef getrokken is vóór dat men er goed en wel aan toe is; juist door die eenheidsbeweging, door den ethischen predikant Cramer en door die gezangen.

Wij, voor ons, houden niet van dat optreden in een ander kerkgenootschap in den gewonen dienst des Woords.

Als daar een Hervormd predikant 's morgens op den kansel staat in de Luthersche Kerk, dan smaakt ons dat niet.

Ook omgekeerd niet.

Eenvoudig omdat men niet moet veimengen wat niet bij elkaar hoort, omdat men de menschen niet moet leeren dan naar de eene Kerk, en dan naar de andere Kerk te gaan enz.

Is men, om welke oorzaak dan ook, gescheiden, dan openbare men zich als gescheiden.

Maar wenscht men één zich te openbaren, omdat er eigenlijk geen oorzaak van een kerkelij k-gescheiden leven is, welnu, laat men dan officieel de dingen bespreken en onder den drang der liefde en in gehoorzaamheid aan Gods Woord weer bij elkander komen of eindelijk bij elkander komen (wat 't eerste betreft denken we aan de Geref. Kerken, wat 't laatste betreft aan de Lutherschen).

Zoo iets is natuurlijk niet een zaak, van dominé A. of dominé B. Zooiets j moet kerkelijk besproken en afgehandeld worden

Wij voor ons voelen dus voor dat „voor elkaar preeken" niets.

Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat we niet goed wenschen om te gaan met collega's van een ander Kerkgenootschap. Als we in hoofdzaak ééns geestes zijn dan mag en moet dat ook openbaar worden. Dat eischt de Christelijke liefde. En er ligt dikwijls veel goeds en veel aangenaams in.

Maar men moet bij kerkelijke grenzen niet doen alsof ze niets beteekenen; want dan misleidt men zichzelf en anderen.

De dingen hebben beteekenis; ze hebben een geschiedenis. En dat moet ook gevoeld en erkend worden.

Daarom houden wij niets van dat overloopen van den een naar den ander.

Maar natuurlijk ieder voelt in deze niet precies 't zelfde. Onze tijd is boven-1 dien zéér individualistisch. Ieder doet wat goed is in zijne oogen. „Vrijheid, blijheid" zegt men dai). En met een wondere gemakkelijkheid gaat en staat men waar men wil — waarvan evenwel doorgaans voor de gemeente weinig heil afvloeit. Men bederft doorgaans meer dan men goed maakt. Ook al bedoelt men 't misschien nog zoo goed.

We willen daarom bij het optreden van ds. Netelenbos eens niet denken aan z'n optreden onder modernen, niet aan z'n preeken voor dr. Cramer, niet aan 't zeker onevenredig getal gezangen door hem opgegeven tijdens de godsdienstoefening — maar we willen vragen: wat bedoelde de predikant der Geref. Kerk' van Middelburg met zijn optreden in een gewone godsdienstoefening in de Herv. Kerk te 's Gravenhage ?

En dan blijkt uit zijn eigen verklaring, dat hij ook onder „de Synodale organisatie" de Gemeente van Christus weet, dat hij de Herv Kerk niet beschouwt als de valsche Kerk, en diensvolgens had hij geen bezwaar om in de Herv. Kerk op te treden in den dienst des Woords.

Dat achten we de kern van de zaak.

En nog eens, nu achten we dit geen dingen die iemand particulier nu eens o kan opknappen. Dat zal ds. N. niet'  meevallen. Op deze, wij ze kan eigenlijk maar éen van tweeën gebeuren: men sluit hem op in de Geref. Kerk öf men o bant hem uit

Maar in de verklaring zelve van ds. N, ligt 't getuigenis: de Afgescheidenen l m van 1834 en de Doleerenden van 1886' l de Gereformeerde Kerken dus — moeten gemeenschap zoeken met de, Herv. Kerk. Die scheur moet wèg tusschen de Geref. Kerken en de Herv. kerk. De eene Kerkgemeenschap mag wat minder zuiver zijn dan de andere kerkgemeenschap. Maar 't elkaar uitschelden moet uit zijn En door allen die het wel meenen met den eisch Gods moet gestaan worden naar hereeniging. In dat licht zien we het optreden van ds N. Waarbij we meenen te weten, dat ds. N. collega's heeft die er precies zóo over denken, hoewel ze den weg waarlangs ds. N. tot het voorgestelde doel wenscht te geraken, niet aanbevelenswaardig vinden.'

Volledigheidshalve nemen we het schrijven van ds. N., dat we vonden in „de Nederlander" in z'n geheel over, men kan dan zelf lezen wat ds. N. in deze te zeggen heeft aan allen, die belangstellend vragen: waarom hebt gij, predikant bij de Geref. Kerken, gepreekt in de Ned. Herv. Kerk?

Ds. N. schrijft dan aan „de Nederlander":

Middelburg, 19 Juni 1917.

Geachte Redactie,

Waar van alle kanten, om een uitdrukking van een mijner vrienden te gebruiken „het geweervuur knettert" tegen mij, wil ik gaarne in 't publiek eens rekenschap geven van mijne opzienbarende daad.

Ik koos daarvoor uw blad, omdat ik de eer heb, er geregeld zelf in te schrijven, en omdat no. 7251 onder het opschrift „een merkwaardig geval" eene beschouwing over mijn optreden in de Herv. Kerk te 's-Hage ten beste gaf, welke geheel juist de bedoeling van dat optreden vertolkte: „het Evangelie naar (mijne) (Gereformeerde) opvatting te prediken daar, - waar de gelegenheid er toë geboden wordt."

Ik heb die gelegenheid noch gezocht nóch uitgelokt. Zij is? me werkelijk „geboden", en ik heb gemeend niet te mogen weigeren.

Waarom niet?

Ds. K. V. d. Beek vroeg in no 33 van Friesch Kerkblad: „Heeft ds. N. bedoeld door zijn optreden de Gereformeerde Kerken naar wat breeder standpunt en ruimer zienswijze te lokken? " Op die vraag kan ik bevestigend antwoorden. Een enkele zeide mij: „de tijd is er nog niet rijp voor". Maar tal van schriftelijke sympathie-betuigingen van Gereformeerden bewijzen mij, dat onze tijd er juist om vraagt

En niet zonder reden.

We kunnen, nu de afscheiding meer dan tachtig en de doleantie ruim dertig j jaar achter ons ligt, niet meer leven uit eene antithese. We kunnen niet altijd blijven „doleeren", gelijk ook uit de samensmelting der twee Gereformeerde Kerkengroepen in 1892 reeds bleek De kruitdamp is opgetrokken De krijg voorbij. Het werk des vredes kan aanvangen.

Dat werk heeft één gevaarlijken vijand, nl. het kerkisme, dat ik aldus zou willen omschrijven: de overdreven voorliefde voor eigen kerkelijken kring, gepaard aan volslagen gemis aan waardeering van het Christelijk karakter van een anderen kerkelijken kring. Een goed Christen heeft zijn eigen Kerk lief. Dat heb ik de mijne ook. En de beschuldiging, dat ik naar de Herv. Kerk zou willen overgaan, is geheel uit de lucht gegrepen. Maar ik kom voor de vraag te staan: is die Herv. Kerk eene valsche, misschien wel de valsche kerk of is ze slechts eene minder zuivere dan de mijne? In het eerste geval mocht ik er niet in preeken. In het laatste geval wel.

Nu lijdt het geen twijfel, of ook onder „de Synodale organisatie" vergadert Chistus Zijne gemeente Men kan die organisatie voor alles wat maar leelijk is uitmaken, maar nooit ontkennen, dat er eene vergadering der geloovigen is ook onder haar vleugelen.

Daarom meende ik, dat ik die geloovigen wel stichten mocht door het Evangelie.

Zegt men: ge deedt daarmee verkeerd, want ge zondigdet tegen de goede orde, dan is mijne zonde toch alleen maar eene kerkrechtelijke geweest. Maar — zondigde David ook niet kerkrechtelijk, toen hij van de toonbrooden at, welke niemand geoorloofd waren te eten dan den priesters alleen, en haalt Jezus zelf zijne daad niet aan ter verdediging van het aren plukken Zijner discipelen op den Sabbath?

Men kan dus disciplinair overtreden, zondereen religieus-ethischen misstap te begaan. De Christelijke vrijheid was nooit eene vriendin der wettische gebondenheid.

Tot het gebruik dier vrijheid ging ik over, omdat ik haak naar de eenheid aller geloovigen. Natuurlijk stelde ik mij niet voor, dat in ons theologiseerend Nederland mgne daad hoog-kerkelijke menschen tot nadenken zou brengen. Maar wij, predikanten, preeken zoo vaak g over de eenheid in Christus, en op Alliantie-bijeenkomsten roemen we er in, maar in het gewone, praktische leven a trekken we ons telkens weer achter eigen omheining terug. Of, we willen toenadeering op elk gebied van het Christelijke leven, (openbaart zich ook daar de ge­meente van Christus niet?  Maar op kerkelijk terrein handhaven we alle staketsels.

Men behoeft in onhistorischen zin het bestaan van scheidsmuren nog niet te negeeren, als als men er een enkele maal eens overheen springt. Men erkent daardoor alleen, ook iets goeds, in casu iets Christelijks te vinden in een anderen kring behalve den eigenen.

Velen mijner gereformeerde geestverwanten hebben dit gevoeld. Als de Gereformeerde Kerk de alleen-zaligmakeude is, dan is mijn optreden in de Herv. Kerk veroordeeld. Maar is het anders, dan mogen we elkaar de broederband wel eens toesteken over de kerkmuren heen. toesteken over de kerkmuren heen. Is het sub specie aeternitaiis (in eeuwig, heidslicht beschouwd) eigenlijk niet eene belachelijke dwaasheid, dat men in den lande zoo'n drukte maakt over het op. treden van een Gereformeerden domioé bij eene godsdienstoefening in eene samenkomst van Hervormden?

Ik kan best verstaan, dat niet ieder mijner Gereformeerde collega's daartoe wil overgaan. De aanleg en het karakter beslissen hier. Wijlen ds. Gispen schreef in zijn „brieven aan een vriend te Jeruzalem": „ik heb er een aangeboren natuurlijken afkeer van" (nl. van verdeeldheid) „en wensch niets liever dan in vrede met mijn naaste te leven, " Hij bewijst dit uit het feit, dat wij bidstonden hield met leeraars van andere kerken, En gaat dan voort: „Een enkele maai predikte ik in de gewone godsdienstoefening eener Hervormde gemeente Sommige broeders schudden hierover bedenkelijk het hoofd Maar ik ben de eenige niet, die zoo handelt Onderscheidene ambtgenooten doen hetzelfde Een mensch kan, ook op dit gebied, aan vele dingen wennen, ook aan afkeuringen en berispingen".

Dat laatste zal ik ook maar denken.

Ik ben al blij, dat ik menschen ontmoet, die denzelfden aanleg als ik blijken te bezitten, en het van harte toejuichen zouden, als er meer waardeering tusschen Hervormden en Gereformeerden kwam en de gemeenschappelijke eenheid in Christus sterker werd gevoeld.

Met dank voor de plaatsing,

Hoogachtend,

Uw dw.

J. B. NETELENBOS,

Dat spijt ons niet.

Als bericht doet in de nieuwsbladen de rondte: de zittingen der Algemeene Synode zullen dit jaar niet bijgewoond worden door ds O. Schrieke te Enschede, maar in zijne plaats door ds. A. de Haan te Zwolle,

Of ds, Schrieke om gezondheidsredenen njet naar de Synode gaat of dat hij dit aar 't woord eens geven wil aan zijn secundus, weïèn we niet.

Van harte hopen we, dat het met zijn gezondheid wèl mag wezen.

Maar dat hij zijn plaats eens aan een ander overlaat, bedroeft ons niet.

We bedoelen daar niet mee, dat ds. Schrieke zijn werk als lid der Synode niet waardig verricht.

Ook niet, dat mede door hem niets goeds is tot stand gekomen in Den Haag.

Dat bedoelen we volstrekt niet.

Maar in den middellijken weg is mee ds. Schrieke de oorzaak dat mislukt is wat de Kerk in meerderheid wilde in zake de proponentsformule en wat betreft de schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak."

Wij gelooven, dat het voor ons kerkelijk leven noodig is geweest, dat deze dingen zijn mislukt.

De Heere regeert en Hij weet beter wat goed voor ons is dan wij het weten.

Misschien is de mislukking in deze wel noodig geweest om tot grootere veranderingen te komen, veranderingen die beter zijn voor onze Herv. (Geref.) Kerk.

Maar dat neemt niet weg, dat door deze geschiedenis de naam van ouderHng Menthen van Arnhem, en de naam van ds, Schrieke van Enschedé ons niet zoo bijster sympathiek zijn.

Waarom dus ds. Schrieke dit jaar niet op 't tooneel zal verschijnen weten y^e niet.

Maar we zouden huichelen als we zeiden: wat spijt ons dat!

En dat broeder Menthen geen lid van de Synode meer is, spijt ons óok niet.

Dat verblijdt ons.

Uit geschrijf van ds. Lingbeek in de Confessioneele „Geref. Kerk" bleek wel, dat zijn sympathie voor den Geref. Zendingsbond niet bijster groot is. Hij houdt zich maar liever aan endere Zendingsvereenigingen en hij waarschuwt voor den Geref. Zendingsbond.

Maar we hebben goede hoop dat dit zoo langzamerhand wel veranderen zal,

We kennen ds. Lingbeek te goed, dan dat we ook maar een oogenblik in twijfel zouden willen trekken dat hij, wanneer hij ziet dat hij verkeerd advies heeft gegeven, zijn houding zal gaan veranderen

Wat bij elkaar hoort, hoort bij elkaar.

Dat mag elkaar niet verbijten en ver. achten.

Anderen gaven hierin dan ook reeds een goed voorbeeld.

Van ds. Briët in Utrecht is bekend, dat hij den Geref. Zendingsbond niet onsympathiek is. Hij stond indertijd ook op een aanbeveling bij de verkiezing van bestuursleden.

Van dr. Posthumus Meijes uit Den Haag berichtte ons biet laatste No. van „Alle den Volcke" dat hij f25 voorden Geref. Zendingsbond heeft gegeven uit zijn catechisatiebus.

Nu hooren we weer, dat mannen als Veldhoen van Alfen en ds. Warmolts van Neerlangbroek op den Zendingsdag te Zeist zullen spreken.

Mooi zoo!

We moeten niet altijd in 't zelfde kringetje ronddraaien.

En die bij ons hooren krachtens hun belijdenis moeten ook bij ons komen, met ons saamwerken — opdat de wereld zien mag, dat we één zijn en opdat het yerk des Heeren voorspoediglijk mag voortgaan onder het genieten van Zijnen zegen, waarvan ons toch beschreven staat: „Waar liefde woont gebiedt de geer' Zijn zegen. Daar woont Hij zelf, daar wordt Zijn heil verkregen. En 't leren tot in eeuwigheid." Hoe zou 't ons verblijden indien de strijd om beuzelingen eens gestaakt mocht fforden enjjallen, die wenschen te leven uit de geref. beginselen, zich mochten vereenigen daar waar men zich naar I gereformeerd beginsel wenscht te gedragen en te openbaren in het midden van onze Herv. Kerk.

Daarom hopen we, dat ook onze Geref. Zendingsbond hoe langs hoe meer het middelpunt mag worden voor allen die van gereformeerde belijdmis zijn.

Die dat niet zijn, die kunnen we missen. Die zijn we liever kwijt dan rijk.

Maar van de gereformeerden in onze Herv. Kerk kunnen we er niet één missen, geen man noch vrouw!

Dan toch officieel in orde.

Meer dan eens hebben wij er op gewezen, dat in onze Hervormde Kerk officieél is vastgelegd en telkens officieel is erkend en bevestigd, dat het in onze Hervormde Kerken gaan moet om de leer, vervat in ónze belijdenisschriften.'

Ja ——" maar zoo zegt men van de zijde der Geref. Kerken, — pas nog weer m de anti-rev. „Rotterdammer", rubriek „kerknieuws" — „'t kan dan waar zijn, dat zulks officieel is vastgelegd en telkens officieel is erkend en bevestigd, maar m | de practijk is er in de Herv, Kerken  toch groote afwijking van de waarheid, '

en wat doen de Besturen daartegen? Niets!" Goed! We zullen niet ontkennen, dat; er in werkelijkheid veelszins allerlei afwijking van de waarheid gevonden wordt,  Maar als numaar vastgehouden wordt, , dat de Herv. Kerk officieel haar belijde nis heeft en officieel is vastgelegd, dat ieder in de Herv. Kerken zich naar de beginselen der belijdenisschriften heeft te gedragen, dan hebben we al veel gewonnen.

Dan is de Herv. Kerk althans niet de valsche Kerk.

Dan is de Herv. Kerk althans niet tot in haar wortel bedorven.

Dan is de Herv. Kerk de aloude Geref. Kerk van Nederland.

Kerk van Nederland. Waarbij alle principieele en welbewuste afwijking en ontkenning van de Geref. waarheid veroordeeld dient te worden door ieder als zijnde in het midden van de Herv. Kerken niet geoorloofd, ingaande tegen alle eerlijke beloften en plechtige verbintenissen.

En ja — de Besturen doen in deze niet veel Gelukkig maar.

Gelukkig maar. Want het is geenszins gereformeerd en geenszins aan te bevelen, dat leergeschillen behandeld worden door „Besturen".

Daar zijn we niets op gesteld!

Maar dat is een aanwijzing voor déze

dingen: de gereformeerden hooren in de Herv,

Kerk thuis; de gereformeerden hebben er recht op, om zelf naar de beginselen der belijdenisschriften in het midden van de Herv. Kerken te spreken en te handelen;

Kerken te spreken en te handelen; en waar zooveel is wat ons in het huis des Heeren, waarin de Heere ons en onze kinderen als nazaten van onze Vaderen doet wonen, aanklaagt, daar hebben we niet weg te loopen; daar hebben we de erve onzer Vaderen niet trouweldbs over te laten aan de vijanden der waarheid; maar daar hebben we — èlle gereformeerden zonder onderscheid — te staan, te waken, te bidden, te arbeiden op de plaats waar de Heere ons gesteld lieeft en we hebben niet te rusten alvorens naar recht en waarheid de Herv. Kerken weer staan op en leven uit die belijdenis, welke haar wettig, onvervreemdbaar, officieel erkend eigendom is.

Niet de afwijkingen zeggen: dat is nu de Herv. Kerk,

De officieel erkende belijdenis zegt: «^t is de Herv. Kerk — waarbij de afwijkingen ons ellen toeroepen: onderzoekt uwe wegen en keert weder tot den Heeré.

Zoo zal er genezing komen.

Zoo zal de Kerke des Heeren in dezen lande worden opgebouwd.

En dan ligt de'belofte Gods voor allen «ie op Zijn Naam betrouwen: En die uit « voortkomen, zullen bouwen de oude verwoeste plaatsen; de fondamenten, van geslacht tot geslacht verwoest, zult gij oprichten en gij zult genaamd worden: "ie de bressen toemuurt, die de paden weder opmaakt, om te bewonen" (Jes. 58:12). Of er voor degenen die wegloopen óok beloften in deze liggen, weten we niet.

Zou 't waar zijn?

Inzake verhooging van predikantstractementen hooren we vele goede dingen. Er schijnt leven in de brouwerij te komen. En vooral het feit, dat de Gemeenten zelf gaan voelen, dat zij in deze toch verantwoordelijk zijn, verblijdt ons. Wat is het inderdaad toch ook betrekkelijk gemakkelijk voor onze Herv. Gemeenten om de goede regeling van de predikantstractementen ter hand te nemen. Men heeft bijna overal Rijkstractement; ook zijn bijna overal kerkelijke fondsen of bezittingen. Een groot of allhans beduidend deel van het tractement is op die manier gelukkig verzekerd. Waarbij dan de Gemeente zelve — juist omdat overal een stevig stukje vast ligt — zoo dubbel verplicht zijn om nu goed voor de rest te zorgen. De Gemeenten moeten toonen dat Rijkstractement en die kerkelijke fondsen waard te zijn, door zelf nu ook alles te doen wat mogelijk is, om tractementen en verdere dingen welke noodig zijn, flink te regelen, waarbij gaven en bijdragen uit eigen kring mild moeten vloeien.

Als 't Rijkstractement en de kerkelijke fondsen ons op 't doode punt zouden brengen, dan zijn ze als een ramp en als een vloek te achten.

Maar daarbij zijn we zelf verantwoordelijk!

Daarbij hebben we zelf op te waken

En dan kan 't tot een zegen worden.

Om daar te beginnen, waar ènderen ons brachten; om zelf dan te beproeven vooruit te komen en flink vérder te gaan

Wat zouden de dingen onder ons flink kunnen worden aangepakt, als we eens onze verantwoordelijkheid in deze gevoelden! en als we eens uitgetrokken werden uit onzen sleurgang. Wat wordt er dikwijls weinig gedaan, omdat men maar bij 't oude blijft.

En alles wat ons omringt roept om uitbreiden en aanpakken.

Meer predikantsplaatsen moesten wor den gesticht. Meer Godsdienstonderwgzers konden worden aangesteld. „„.„„„ Kerken, gebouwen, scholen moeten er komen. Altes roept om hulp — en er is niet

Gelukkig, dat men, wat betreft de predikantstractementen, iets gaat doen,

Want o! Wat is het voor velen een kommervolle tijd. En straks, na 40 jaren als predikant gediend te hebben, een jensioen waarvan men nauwelijks een mis kan huren, terwijl dan voor belasting, kleeding en voedsel niets of bijna niets overblijft. Merken onze Gemeenten dat niet?

Weten ze het niet?

Is er dan niets, niets aan te doen? Gelukkig, dat men ontwaakt. Hier en daar voelt men den nood der predikantsgezinnen.

En men gaat wat doen. Gelukkig!

Zoo lazen we tot onze groote blijdschap o.a. uit de classis Goes het volgende bericht: „Het Olassicaal Bestuur van Goes besloot, in verband, met het „aanpakken" van de heeren Visser en van Oeveren, eene poging te wagen om het minimum-traktement der predikantsplaatsen in de classis te brengen op plm, f 1500. Het Bestuur ging uit van de gedachte, dat de arbeider zijn loon waard is, en dat de Gemeenten verplicht zijn voor het levensonderhoud der predikantsgezinnen te zorgen,

Eene commissie waarvan de ouderlingen van het Olassicaal Bestuur leden zijn, werd benoemd, om te onderzoeken, wat er te doen was, in het belang der schraalst bezoldigde predikantsplaatsen. Eenetijdroovende correspondentie werd gevoerd. Tal van samenkomsten had de commissie met verschillende Kerkvoogdijen,

Door hun invloed werd van sommige predikanten het traktement verhoogd, of duurtetoeslag gegeven. Zij wist ook het solidariteitsgevoel te verlevendigen, zoodat rijke Kerkvoogdijen steun boden aan arme Gemeenten. Het prachtig resultaat was, dat zeven arme Kerkvoogdijen in staat gesteld werden het .predikantstraktëment op te voeren tot f 1400 è, f 1500, De predikantsplaats vanBaarland is nu de minst bezoldigde in de classis. De gegoede Kerkvoogdij, is niet geünd het predikantstractement tot het minimum te verhoogen, "

Verblijdend bericht!

Verblijdend bericht! Maar dat laatste zinnetje is wat vreemd. Een rijke kerkvoogdij; en dan niet gezind het predikantstractement tot het minimum te verhoogen.

Dat is vreemd.

En daarbij kwam nu het gerucht ons ter oore, dat daar in Baarland een orthodox predikant staat, terwijl er onder de Kerkvoogden en Notabelen nog al vrijzinnigen gevonden worden. En die moderne heeren schijnen, nu het tractement van ds. Meloen niet te willen verhoogen tot f 1400 è, f 1500, hoewel het er met de kerkvoogdg in Baarland lang niet slecht bij staat.'

Ziet — dat achten we nu haast onmogelijk, om zich aan een predikantsgezin, dat sinds 1898 te B. woont, zóo te wreken.

Misschien is het een boos gerucht; en daarom zetten we ook boven dit artikel: zou 't waar zijn?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juni 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juni 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's