De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

14 minuten leestijd

Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhooren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn, Ik zal er hem uitrukken en zal hem verheerlijken. Ps. 91 ; 15.

Hulp in nood.

Hierin schenkt God aan arme zondaren een heerlijk voorrecht, dat zij met al hun zorgen en moeiten mogen naderen tot Hem, Welk 'n wondere deernis, als de Almachtige, Die den hemel tot Zijn troon heeft, luisteren wil naar wat kinderen des stofs Hem te klagen en te vragen hebben; en dat niet eerst, als wij schuchter naderkomen en bevend de hand leggen aan den klopper der genadedeur, maar ook hier is Hij de Eerste; Zelf dringt Hij er bij Zijn volk op aan: Werp al uwe bekommernissen op Mij, want Ik zorg voor u! Zelf wekt Hij in de harten de behoefte, om tot Hem te vluchten en stort den Geest der gebeden in de ziele uit, Die met onuitsprekelijke zuchtingen tot God en de heiligen bidt.

Hier is ook geen mate van gewichtigheid bepaald, waarbeneden onze moeiten niet mogen dalen, om bij God gehoor te vinden, neen, de noodiging luidt: Werp al uw.-bekommernissen-op - Hem en-ieder weet, hoe dikwerf kleine dingen, die in 't, oog van anderen beuzelingen lijken, ons den vrede kunnen rooven en 't hart zorg vervullen. Hier ligt zelfs een ernstige roeping voor den waren Christen; het gebed is het voornaamste stuk der dankbaarheid, welke God van ons vordert.

Wat is 't niet waard, 'n plekskè te hebben, waar ge uw zorgen kunt neerleggen; als er 'n oor is, een hart, dat tijd heeft om naar uw klachten te luisteren, reeds onder menschen. Maar hoe dikwerf schiet menschenkracht te kort, om u den nood te lenigen. Dit is onbekend bij God, voor Wien geen ding te wonderlijk is. Zoo diep kunt gij niet bedolven zijn onder de golven van twijfel en ongeloof, van zonde en schuld, van angst en vreeze, van nood en dood, of de Heere is machtig u te verlossen, zoo de bede om redding in uwe ziel mag' opwaken. Hij doet honigbeken uit de | tale steenrotsen vlieten, Heere der heirscharen is Zijn naam. Hier getuigt de' ervaring van de Kerk aller eeuwen: ! weer luidde in vasten regelmaat de ' vertolking van Gods weg met Zijn volk: doch roepende tot den Heere, in de benauwdheid die zij hadden, zoo verloste, Hij hen uit hunne angsten.

Laat 'n Mozes, een Elia, een David, 6en Daniël slechts getuigen; doch waartoe hiern namen genoemd; is niet elk Godskind er het levend en krachtig bewijs van, dat bij God geen ding onmogelijk is? Hij hoort 't gebed, tot Hem zal alle vleesch komen.

Heerlijk ligt deze waarheid in bovenstaand Schriftwoord vertolkt. De Heere zegt zelf van Zijn kind, in welks hart Hij werkt door Zijn Heiligen Geest: hij zal Mij aanroepen.

Nood leert bidden, zeggen de menschen; toch, hoewel er een element van waarheid in dit zeggen schuilt, moet gij 't bidden, dat door den nood wordt uitgeprangd, niet te hoog aanslaan. Er zijn menschen, die het bidden verleerd hebben, die 't ware bidden nooit geleerd hebben en in hun uitersten nood naar 't gebed als het, laatste redmiddel grijpen. Toch is ook dit gewis, dat 't ware gebed niet zonder nood geboren wordt.

Edoch, dan, is 't niet de .nood, maar de Heilige Geest, die in den nood het bidden leert.

Zoolang de welgedaanheid van het zelfgenoegzaam ik ongeschokt blijft, o dan kunnen er misschien wel handen gevouwen, en knieën gebogen worden, maar daar wordt niet gebeden. De ontdekking aan den nood der verlorenheid moet voorafgaan. Wee den gerusten in Sion I De bekoring der vsrereld moet gebroken zijn, alle eigene gerechtigheid geworden als 'n wegwerpelijk kleed; de rietstaven, waarop men leunde, moeten versplinteren, alle valsche grond onder de voeten wegzinken, en als dan de dood door de ziele vaart, en 't wraakzwaard der Wet dreigt, en de banden der hel knellen, en bij 't angstig rondspeuren naar hulp nergens een uitweg, nergens ontkoming gevonden wordt, dan wringt zich de smeeking los: o God, wees mij zondaar genadig!

Van zulk 'n arm, bang, benard, geplaagd menschenkind is sprake in dit Schriftwoord: hij zal mij aanroepen.

Hier wordt gedoeld op den noodkreet, op het angs-geschrei, dat uit de behoefte des harten opklimt. Hier is 'n arm zondaar, die geen rust meer kan vinden bij de .afgoden van het; eigen ik die zichzelf verloren leerde kennen, en beladen met een schuldenlast, waaronder hij bezwijkt, en waarvan hij geen penning kan afdoen.

Gij gevoelt 't, lezer, hier is sprake van 'n menschenkind dat voor een geestelijk bankroet staat, en nu God noodig heeft. Want o, dit is zoo in-droef, wij hebben van nature God niet noodig. Ach, misschien nog wel om onze aardsche wenschen in orde te brengen, maar niet voor onze onsterfelgke ziel, die zonder Hem toch eeuwig zal verhongeren en verkommeren. Wij zijn rijk en verrijkt, dat is 't ergste! Wij zijn niet te arm, neen, wij zijn te rijk voor God; niet arm genoeg.

Dat gij, lezer, gezondigd hebt tegen een heilig God, die den schuldige geenszins onschuldig houdt, dat is bang.

Dat 'n onnoemelijk lang schuldregister I tegen u getuigt, en gij geen penning hebt ter afdoening, het is ontzettend.

Dat gij met banden gebonden en met ketenen beladen zijt, waarvan gij u nooit kunt bevrijden, 't is beangstigend.

Maar dit is van alles het ergste, dat die zonde u niet bedroeft, dat die schuld u niet drukt, dat die banden u niet knellen. Voor alle kwalen der ziel is heul bij den Heelmeester Israels, Die spreekt en 't is er; maar hoe zult gij tot Hem komen, tenzij u de krankheid beangstigt?

O, laat dit ons tot een aanklacht worden, dat wij"t buiten God zoo wonderwel kunnen stellen I

Want eerst de kennis der ellende dringt tot de bede om hulp.

Op de pijlers van wereldzin en geestelijke onaandoenlijkheid, van eigengerechtigheid en zielsverblinding staat de tempel der valsche rust onbeiwogen. Eerst als deze zuilen zijn weggeslagen, en dat gebouw is ingestort, eerst dan rijst de vraag, maar dan ook met klem en nadruk: is er nog 'n middel waardoor wij de straf ontgaan kunnen en wederom tot genade komen? Eerst dan klimt de bede: Heere, help mij, ik verga.

Dit is gebeurd, met den man, van wien hier gesproken wordt. In 't voorafgaande heeft de Heere van hem getuigd : hij kent mijnen naam; als Heilig en Geducht; en dat heeft hem verbrijzeld neergeworpen ; maar ook als Genadig en Barm­hartig, en dat heeft. 5smeekende handen doen opheffen naar den hooge. Maar hij kent ook zijn eigen naam, als bondsbreker en zondeslaaf, ook dat is noodig.

Wij moeten eenigermate God en onszelf kennen, opdat wij tot dit aanroepen van den Heere zullen komen, want hierin is 't noodgeschrei, dat uit de diepte opklimt, de angstkreet van het ontdekte hart, het nederbuigen der ziele onder de schrijnende tegenstelling van een heilig God en een doemwaardig zondaar. Maar bij 't gevoel der diepe ellendigheid van het ontdekte hart, moet ook komen de schuchter-vertrouwende blik op den rijkdom van Gods genade, opdat de ziele zich geloovig werpe in de armen van den Heere Jezus.

Daar is geen gebed zonder vertrouwen. Ook op de tollenaarsbede, hoewel den noodkreet van een vermorzeld hart, volgde: ga heen in vrede, uw geloof heeft u behouden.

Godskennis en zelfkennis zijn beide vereischt, opdat wij den Heere leeren aanroepen.

Hij zal mij aanroepen; de Heere weet 't, daarop is Zijn arbeid in 't zondaarshart gericht, dat is de heerlijke vrucht, zal uitbreken met dé bede om gena . Daarheen leidt 't de Heilige Geest, wanneer Hij ons alles indachtig maakt.

Welk" 'n wonderbaarlijk Alvermogen blinkt daarin uit; immers van nature staan wij er vierkant tegenover.

Er moet 'n grondige, algemeene ommekeer plaats grijpen in den mensch, opdat hij van God-schuwende Godbehoeftig zal worden.

En welk een genade wordt aan u verheerlijkt, zoo gij er toe gebracht wordt, den eeuwigen God aan te roepen.

Welk 'n voorrecht, als alles u dermate ontvalt, dat u niets overblijft, waarop gij leunen of steunen kunt, dan alleen op gene, ; immers de tollenaar ging af gerechtvaardigd naar zijn huis.

En die den Heere aanroepen, zullen niet beschaamd worden.

Want: hij zal mij aanroepen, en Ik zal hem verhooren.

Zij sloegen 't oog op God;

Zij liepen als een stroom Hem aan; Hij liet hen nimmer schaamrood staan.

Maar wendde straks hun lot

Ik zal hem verhooren; Ik zal Mij nederbuigen op 't geroep uit de diepte, en Mij niet afwenden van 't gebed desgenen die gansch ontbloot is.

Ferhooren is meer nog dan hooren.

't Is groot en goed, dat God de Alwetende, de Alziende en de Alhoorende is. Wiens oog de gansche aarde'doorwandelt en alle verbrijzelden ontdekt; aan Wiens oor geen zucht ontgaat, geen geschrei, 't neerdruppelen. van geen enkelen traan, maar grooter en heerlijker nog is dit, dat Hij - verhoort d. w. z. dat Hij blijft stilstaan, om te luisteren naar wat 'n arm zondaar Hem te klagen en te vragen heeft, en Zijne Alwetendheid en Almacht ten - schuts stelt van een arm volk en goedgunstig 't oor neigt tot de klachten en zuchten van 'n Adamskiud; verhooren, dat is goedgunstig en genadig hooren.

In deze toezegging ligt eon rijkdom van genade vervat, dien ge vergeefs poogt uit te spreken.

God, Die helpt in nood, Is in Sion groot!

En Hij is een Waarmaker van Zijn Woord. . i

God sprak — o plaats dat Woord met; onuitwischbaar schrift op alle rotsen en kruisen van uw levensweg; roep 't uit door alle afgronden en donkerheden — God sprak: Ik zal hem verhooren! 't is niet tevergeefs, o zondaar, wie ge ook zijt, dat gij zult roepen om genade.

En als om de erbarmensvolle wijze, waarop die verhooring zal plaats hebben,  aan te duiden, laat de Heere nu volgen: I in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn; Bij zal niet uit de verte verhooren, neen, ; maar evenals de Heere Jezus tot de melaatschen naderde, die van allen ge-. schuwd en gemeden wierden, en hen aanraakte, zoo treedt de Eeuwige Ontfer-; mer op alle ellendigen toe en raakt hen aan: in de benauwdheid bij hen. '

Onder menschen is dit vaak anders: als de geesel der tegenheden op u neer-' striemt, , stuiven uwe vrienden dikwerf naar alle kanten uiteen; liefde, die stand houdt en bijblijft in de ure der beproeving, is een zeldzaam goed, maar ook 'n kos-: telijke en waardevolle schat. Zoo is 't' nu altijd bij dgn Heere.

Hij is bij u in de benauwdheid, o verbrijzeide ziele, als de hel u aanvecht en: satan u bestormt, als de Wet u aanklaagt en de afgrond u opeischi.

Niet altijd wordt dit op 't oogenblik der benauwing zelve ervaren en gesmaakt; indien wêl, dan is 't goed al wat Hij doet, dan blijven in de grootste smart, onze harten in den Heere gerust, 't Gebeurt i ook, dat 't eerst daarna wordt gezien, dat 't de Heere was, die der leeuwen muil heeft toegesnoerd, en met Zijn schild de vurigfe pijlen des boozen opving en met Zijn arm krachtdadig ondersteunde'; ' hoe kan de ziele zich dan van achteren schamen moeten over haar kleingeloovig vreezen en schreien.

In dè benauwdheid bij hem: welk n peillooze diepten van ontferming worden hier ontdekt in 't Vaderharte Gods.

Want is eigen schuld niet de oorzaak van elke benauwing?

En als dan God de Heere, Die den mensch zóó gemaakt heeft, dat zijn weg één schijnend licht, één opgaande jnbel had kunnen zijn, zich van den nood eens zondaars afwendde, wijl eigen schuld, wat zoudt gij, o mensch, dan tegen God te antwoorden hebben?

Alle benauwdheid is, omdat wig tegen Zijn vermaan in van Hem zijn afgeweken; en is 't dan niet meer dan moederlijke deernis, wanneer de Heere in die ure, waarin 't bevestigd wordt: wie God verlaat, heeft smart op smart te vreezen, nog bij ons wil zijn in de benauwdheid, niet om verwijten te doen, maar om uit te helpen en door te leiden en veilig te voeren in de ruimte der bevrijding, in de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods, opdat Israel zegge: Indien de Heere, die bij ons is geweest... niet had gered, wij waren lang vergaan!

Ik zal er hem uittrekken; 'wanneer ondev menschen de één den ander in benauwdheid niet verlaat, hoe dikwijls gebeurt 't dan niet, dat hq machteloos neerzit aan de sponde van den lijder, of sprakeloos staat bij de puinhoopen van zijns naasten levensgeluk, tot helpen onmachtig!

Hoe menigmaal ontwaren wij, dat er onder menschen vele smarten ziijn, waartegen 't geneeskruid ter vertroosting in onzen hof niet wast; maar bij den Heere, den Heere, zijn uitkomsten zelfs tegen den dood; Hij is wonderlijk van raad en machtig van daad!

Ik zal hem er uittrekken: de uitdrukking is ontleend aan 't beeld van den drenkeling, die in den kokenden vloed dreigt te verzinken, maar een redder daagt op en grijpt hem vast met krachtigen greep, beurt hem op uit de verbolgen wateren en stelt hem op vasten, veiligen grond.

Volk des Heeren, in elke benauwdheid zoudt gij zeker omkomen in de doodelijke omvatting der golven; in eiken nood zoudt gij zeker bezwijken; elke vijand zou gewis bij machte zijn om u neer te slaan, zoodat gij nooit meer kondet opstaan, want in u is geen kracht, ware het niet dat de Heere bij u is, en u uitredt uit allen nood.j Hij volgt Zijn kind, van stap tot stap met onwankelbare trouw en nimmer-falende zorge; nooit trekt Hij 't oog, de hand van hen af en met teerdere zorge, dan waarmee een moeder bewaakt de eerste gangen van haar lieveling, bewaakt God de gangen van Zijn volk. Ik zal raad geven. Mijn oog zal op u zijnl En al wat met hen gebeurt, grijpt onmiddelijk onder 't oog des Vaders plaats, die bij hen is, en hen nooit verlaat, zonder Wiens wil hun geen haar kan gekrenkt, en geen schepsel zich tegen hen roeren of bewegen.

En zoo komt 't, dat zij telkens weer uit zoo grooten nood verlost kunnen worden.

Hier scheen ons 't water te overstroomen, Daar werden wij bedreigd door 't vuur; Maar Gij deedt ons 't gevaar ontkomen, Verkwikkend ons ter goeder uur!

O, als de druk van die trouwe Vaderhand, de steun van dien sterken Vaderarm mag worden gevoeld, dan mag met David worden uitgeroepen: met mijn God loop ik door een bende en als de lieflijke ervaring wordt gemist, de Heere verlaat de Zijnen niet, alleen dan ontbreekt de zoete troost van Gods onwankelbare hulp in nood, en uit oorzaak van eigen kleingelctof wordt de ziel door angst verteerd; daarom past ook hier de bede: Heere, vermeerder ons 't geloof. En Ik zal hetn verheerlijken: zie hier het wondervolle einde van Gods wegen met Zijn volk.

Verheerlijken, d. w. z. bekleeden met reine wisselkleederen en heilige sieradiën; dat is het beschikken van sieraad voor asch en vreugdeolie voor treurigheid, ja 't gewaad deslofs voor een benauwden geest.

Des Heeren werk is volkomen, en het is een onmetelijke afstand tusschen den toestand, waarin God den zondaar vindt en den staat waartoe Hij hem bestemt, staat der heerlijkheid, van zondeslaaf tot kind des hemelschen Vaders; van hellewicht tot hemelburger !

Ja waarlijk, wel mocht de Heere in 't voorafgaande vers zeggen: Ik zal hem op 'n hoogte stellen, want hij kent mijnen naam: welk 'n hoogte! verblindend in den glans der eeuwige Zon; duizelingwekkend wanneer gij er naar opblikt uit diepe afgronden, vol zalige bekoring van eeuwige heerlijkheid! O blij vooruitzicht!

Daar ziet ge 't blinkend, stralend, glinsterend einde van den weg, overdropen met heerlijkheid en glans van eeuwigheidsweelde ! Maar 't einde is niet te bereiken, of gij moet 't begin hebben gekend; en waar is't begin van dezen weg? hier: hij zal Mij aanroepen.

In 't tollenaarskleed wordt dit pad betreden en ten einde toe bewandeld.

Werd uw voet reeds op dien weg geplant, lezer? leerdet gij, door nood gedreven, reeds tot God om uitkomst vluchten ? werd bij u de zwierige tooi der eigengerechtigheid reeds vervangen door 't stille boetekleed, door den mantel des berouws?

O, zoo eenmaal de voeten op dien weg mogen staan, dan zal 't einde gewisselijk vrede zijn, niet om u, maar wijl de Heere zegt: in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn, Ik zal er hem uittrekken en zal hem verheeriyken.

Ja waarlijk, de gulden keten des heils is onverbrekelijk: want die Hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.

O, leer dan enkel leunen en steunen op Hem, Die nooit verandert, zoodat gij niet wordt verteerd, en zeg het, rustend in 'sHeeren trouw, den dichter na:

God mijner ziel, ik heb beter vertrouwen, Sterkeren toren en vastere rots;

't Is niet mijn liefde, waarop ik moet bouwen

Gode zij dank, 't is de liefde mijns Gods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juli 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juli 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's