De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

17 minuten leestijd

Maar één ding doe ik, vergetende hetgeen achter is en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods die van boven is in Christus Jezus. Filipp. 3 : 14.

Één ding doen.

De apostel Paulus, vervuld met liefde tot Christus, wordt door die liefde gedrongen, zijn lezers te waarschuwen tegen datgene wat de eere van Christus aantast en mitsdien zieleschade met zich brengt.

En van uit zijn gevangenschap te Rome, waar bij als een „gevangene in Christus" en niet als een misdadiger, was bekend geworden, richt hij een brief aan de gemeente te Filippi. Hij, de gevangene om Christus' wil, wist zich door Christus vrij gemaakt en uit de gevangenis uitgevoerd en steeds stelt hij zich tegen alles wat ook maar in eenig opzicht afbreuk zou doen aan die volkomen vrijmaking door Christus. Geen wonder dat hij waarschuwend de stem verheft tegen de leugenleer die men de gemeente trachtte op te dringen. Immers er waren menschen die op vleeschelijke voorrechten prat gingen en anderen zochten te brengen tot een steunen op het uitwendig behooren tot het oude bondsvolk; niet verstaande dat in Christus alleen geldt „een nieuw schepsel". Neen geen steun of heil gezocht in uitwendige voorrechten; niet gemeend dat goede werken ons welgevallig kunnen maken in des Heeren oog! Allerminst kan daarin een steunsel worden gezocht voor het heil der ziel. Wat had Paulus 'zelf niet veel waarop hij kon wijzen: „besneden ten , achtsten dage, uit het geslacht van Israel, van den stam Benjamin, een Hebreër uit de Hebreen, naar de wet een Farizeër, naar den ijver een vervolger der gemeente; naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk. — Doch was het voor Paulus een oorzaak om te roemen, kon hij er zich op beroepen of op verheffen? Hoor zijn woord, waardoor alle roemen wordt uitgesloten: „maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht." Vroeger in zijn blinden ijver en dwazen waan, toen meende hij dat daarin heil kon gezocht; doch toen de levendwekkende adem des H. G. haar wederbarende werking in Paulus volvoerde, werd alles wat van den mensch is in zijn ware gedaante geschouwd nl. als beletsel om Christus en Zijn gerechtigheid te omvangen. Immers dan pas, als de mensch al het zijne, ja zichzelven ingesloten, loslaat door genade, wordt Christus gegrepen. En zoo was het gebleven voor Paulus, zoo is bet voor al Gods kinderen, alle dingen buiten Christus moeten geacht worden schade te zijn, omdat zij van Christus afvoeren en Hem in Zijn Middelaarschap aantasten. Doch als Paulus met al het 'zijne er dan buiten valt, hoe zal Paulus dan bestaan voor God? Hoe Paulus bestaan zal, en zijn werken vol bevonden voor God? Wel, alleen hierdoor dat Paulus in Christus gevonden wordt, niet hebbende zijne rechtvaardigheid die uit de wet is, maar die door hét geloof van Christus is."

ln Christus staat Paulus volkomen rechtvaardig voor God, omhangen met den mantel van Christus' gerechtigheid was er geen vlek of smet te speuren,  och nu niet zóó alsof Paulus, rustende 'in de rechtvaardigmaking des zondaars voor God door de toegerekende gerechtigheid van Christus, alleen toegeëigend door het geloof, zou meenen dat hij nu was aan zijn zijde wat hij in Christus werd gerekend. „Niet dat ik het aireede gekregen heb of aireede volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben." Paulus voelt in zijne ziel de begeerte om zich met zijn gansche leven Gode te wijden, om zelf minder te worden, opdat Christus wasse. Kortom de apostel ziet zijn leven gezet in het teeken der heiligmaking; de afsterving van den ouden en de opstanding van den nieuwen mensch, levend uit, en wandelend door den Geest der heiligmaking. Broeders! ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb. Neen zijn klacht bleef „als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij", „ik ellendig mensch".

Doch.... „maar één ding doe ik, vergetende hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen vóór is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus!"

Ziedaar onzen tekst.

„Maar één ding (doe ik)." Me dunkt, Paulus, dit is niet veel! Als wij het menschheidsleven overzien treft bétons. faef ongebroken kracht bezig is door velerlei en vele daden zijn idealen te verwezenlijken.

De mensch doet zeer veel. Hij haat God en zijn naaste, hij is uit de aarde aardsch en zoekt de dingen die beneden zijn en niet die boven zijn! Zijne voeten zijn snel om bloed te vergieten en den weg des vredes kent hij niet. Bezie het leven, doorvorsch uw eigen bestaan en gij ontwaart hoe de mensch rusteloos zwoegt en slaaft. En toch kan in al des menschen daden eenheid worden geschouwd ; want wat van Israels koningen, die in goddeloosheid wegstierven, meermalen wordt vermeld: „hij deed wat kwaad was in de oogen des Heeren", geldt van lederen mensch van nature: „hij doet wat kwaad is in de oogèn des Heeren".

„Kwaad" is het eenige kruid dat wast op den verdorven levensakker.

Droeve werkelijkheid maar „één ding te doen" van nature. Wij verbitteren de oogen van des Heeren heerlijkheid. En nu had Paulus door Gods genade geleerd wat dït zegt, vóórdat hij het woord van onzen tekst, waarin iets gansch anders wordt bedoeld, kon uitspreken. De verheerlijkte Christus had hem op den weg naar Damascus nedergeworpen ter aarde en uitgeschud uit de windselen zijner eigengerechtigheid. Toen waakte bij Saulus het besef op uitgedrukt in de klacht van den psalmist: „ik heb gedaan wat kwaad was in Uwe heilige oogen". Dit ééne stond met vlammend schrift in zijn zielsbewustzijn gegrift; en zoo leerde Paulus het verstaan dat zijn bestaan en zijne daden kwaad waren. Uit diepte van ellende werd geroepen naar omhoog en niet langer zocht hij zijne gerechtigheid op te richten uit de werken der wet. Dat machtige keerpunt wijzigde zijn gansche bestaan. Lezer, kent gij uzelven reeds als verloren voor God in misdaad en zonde; hebt gij reeds uzelven leeren kennen als zondaar voor God van wien moet getuigd: „ten allen dage alleenlijk boos? " Weet het wel dat zonder hartveranderende genade gij staat buiten het leven, en alleen daar, waar waarachtig geestelijk leven werd gelegd in de ziel, de zaak mogelijk iH duüt Paulus uitgasproken in dat woord: I „Maar één ding doe' ik."

Maar één ding.., .. en toch, het sluit d alles in en sluit alles uit tevens. Het sluit uit, alles wat van den mensch is en aan de andere zijde wordt Gods liefde ver­heerlijkt als de machtige koorde die trekt, en schittert Zijn genade in hare reinigende  kracht en blinkt Zijn goddelijk ontfermen als de laatste springader des levens uit. Het is maar één ding en toch het be­doelt niets minder dan een afzien van alles wat den natuurlijken mensch be­koort en ook weleer Saulus behaagde. Zich afwenden van het schepsel en wat  van de aarde is en zich richten, met ont­sluiting der ziel, op den Heere en de wereld van Gods eeuwige dingen, ziedaar de tweeledige daad, op grond van de  werking van Gods H. G. in Paulus' harte, samengevat in: „maar één ding doe ik",  nader verklaard in hetgeen volgt: „ver­getende hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen dat voor is", met het  gevolg dat door dit tweeledig geschieden deze éene daad wordt voltrokken : „jaag ik naar het wit tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus."

Allereerst vraagt dus nu onze aandacht dit woord: „ vergetende hetgeen achter is."

Als ge dit woord zoo leest denkt ge wellicht: nu, Paulus, in dit opzicht staat gij niet alleen, doch hebt ge groot gezel­schap. Vergeten toch hetgeen achter is, de dingen die tot het verleden behooren, wie doet het niet ? De vraag te stellen o is haar beantwoorden tevens! Sta een wijle stil op uw weg en gij allen stemt  mij' toe dat er veel werd vergeten van  hetgeen in uw leven werd gesproken en gedaan. En dan, wie kan in zijn herinnering terugroepen wat er in het binnenste der ziel werd gedacht, die ontelbare gedachten en overleggingen des harten eiken dag opnieuw! Wat een zonden en overtresdingen, wat een ongerechtigheden, wellicht bedreven toen geen oog ons zag, die wij maar vergeten hebben. Moet ontzetting ons niet aangrijpen als wij bedenken, hoe Hij, voor wien de duisternis niet bedekt en de nacht licht gelijk de dag en voor wiens aangezicht een gedenkboek is geschreven, het alles ordelijk voor oogen zal stellen? Och, als wij geen Borg hebben voor onze ziel en de Heere al onze zondige overleggingen, woorden en daden die wij wel is waar vergeten, maar die de Heere gedenkt, zal stellen in het licht Zijner vlekkelooze heiligheid, wat zal dan de eeuwigheid veel openbaar maken dat de berg van schuld tot een niet te meten hoogte doet rijzen en tot een niet te dragen last zal doen zijn en doet verzinken in de diepte der hel. Wij vergeten.dat wij den Heere onzen God vertoornen!

Wij zijn vergeters van onze boosheden niet alleen, doch ook van des Heeren weldaden. Hoe moest ons gansche leven niet zijn een voortdurende lofzegging des Heeren vanwege de ontelbare blijken Zijner ontferming. Dag aan dag overlaadt Hij ons met Zijne weldaden. Maar de mensch is zoo'n godvergeten schepsel, zoo'n ondankbare booswicht. Zoo hij al eens een enkele weldaad eenigermate opmerkt, weldra is zij weer vergeten.

Geen wonder dat de mensch die wordt ontdekt aan zijne verlorenheid in misdaad en zonde, schrikt van zichzelven, staande voor God in zijn zonde, ook van dat vergeten en dan verstaan wij de alleenspraak ? an den psalmist , Loof den Heere, mijne iele, en vergeet geene van Zigne wel­daden."

Wat wij niet zoo licht vergeten is het onrecht dat ons werd aangedaan, wat  blijft die herinnering helaas lang bewaard en wat een onderlinge haat, verdenking en verdachtmaking is er gewoonlijk mee verbonden!

Maar ge hebt reeds gevoeld dat Paulus het gansch anders bedoelt dan een, uit de herinnering verdwenen zijn, van zijn voorbijgegaan leven. Neen uit zijn herin­nering was het allerminst wat er achter hem lag, althans in zijn samenvatting genomen. Daarmede bezig te zijn .leidt ons in de boosheid van ons bestaan in, doet ons dieper kennen onze verlorenheid en gruwelijkheid voor God en de levende  klacht rijst op: „O, wee nu onzer dat  wij zoo gezondigd hebben, en gedaan wat kwaad was in des Heeren oog." Neen in egien zin was Paulus niet vergeten wat er achter was. Of meent ge soms dat hij niet dacht aan zijn verleden toen hij Gods genade verheerlijkte in deze uitspraak: „Mij, den voornaamste der zondaren is barmhartigheid geschied." Meent gij dat het allesovertreffende blijk van Gods nederbuigend ontfermen uit zijn herinneing ooit is weggewischt! Ten laatste ook aan mij' als een ontijdig geborene gezien, dat woord stond als met de punt van een diamant gegraveerd in' de tafelen zijns harten. Het gedenken van Gods weldaden verlevendigt den moed en sterkt de krachten, al kan het zijn dat de ziel wordt overstelpt.

In dit opzicht is er ook bij Gods kineren maar al te veel vergeten van des eeren daden en werken; het moet met droefheid en schaamte gezegd en beleden. Hun leven moest zijn voortgaande vertolking vinden in het woord van den psalmist „ik zal de daden des Heeren gedenken, ja, ik zal gedenken Uwe wonderen van oudsher; en zal al Uwe werken betrachten en van Uwe daden spreken!"

„Achter" lag zijn leven voor zijn bekeering. Toen zocht Paulus zijn eigene gerechtigheid op te richten; toen was hij trotsch op zijn voorrechten; toen was hij zoo ingenomen, met zichzelven. Gelijk ieder natuurlijk mensch was Paulus een liefhebber van zichzelven en een hater van God en zijn naaste. Alles wat Paulus had gedaan in zijn onbekeerden staat, vol ijver zelfs en naar de letter der wet onberispelijk; alle aardsche vermaak ook al was het nog zoo verfijnd en scheen het nog zoo edel; alles waarin hij eertijds zijn leven en vrede zocht, kortom zijn zijn en zijn dóen ligt saamgevat in: „hetgeen achter is."

Welnu, het vergeten bedoelt ons aan te wijzen dat Paulus niet meer met welgevallen aan dat verleden terugdacht, dat hij op die voorrechten zich niet meer verhief, dat hij dien toestand niet meer terug verlangde. Neen, de breuk met zijn verleden was niet noodgedwongen, want God bewerkt in de wedergeboorte des harten niet alleen dat het verstand wordt verlicht doch ook dat de wil wordt gebogen. Heeft de mensch van nature zichzelven van harte lief, door genade leert hij zichzelven van harte haten, en den Heere liefhebben. Paulus had den dood leeren schrijven op zichzelven en al het zijne; had den dienst der zonde onder eiken vorm leeren verfoeien. Vergetende hetgeen achter is! Paulus gestorven en stervende aan zichzelf, de wereld, de zonde en de wet!

Er gaapte eene diepe klove tusschen het weleer en thans. Zoo is het mét al' degenen die door hartveranderende genade zijn gegrepen door Christus Jezus. Hij leert zien en verstaan dat uitwendige voorrechten niet kunnen baten. Het behooren tot een kerk, christelijke opvoeding, toestemming der waarheid en zooveel meer; neen, alle steunen daarop maakt beschaamd en stelt te leur.

De mensch is zoo'n liefhebber van zichelven doch als genade heerschappij voert in het hart, gaat het in den dood. De zonde is zoo bekoorlijk, zij lokt ons op allerlei wijze. Doch Paulus had geleerd haar te haten met een doodelijken haat ls de vijand zijner ziel. Weleer zocht Paulus zijn gerechtigheid op te richten uit de werken der wet, doch hij had ervaren dat alle zelfgesponnen rag des levens meedoogenloos moet afgesneden, elke vezel waarmee de mensch vastzit aan eigen eer en werk onverbiddelijk moet doorgehakt.

Moe gestreden, was God hem te sterk eweest en had overmocht en Paulus had, neergeworpen in de diepte, leeren vragen: „wat wilt gij dat ik doen zal? "

Door de werken der wet wordt geen vleesch gerechtvaardigd voor God!

„Vergetende hetgeen achter is." Paulus was een ander mensch geworden door genade; wat eertijds de liefde van zijn hart had, bekoort hem niet meer. Wat genade toch vermag I Lezer hoe staat gij tegenover uzelven en al het uwe; kent gij bij ervaring de verandering bij Paulus gewrocht. Misschien moet gij zeggen dat uw leven nog opwelt uit uw verdorven ik en gij uzelven nog mint en al het uwe. Arme mensch, want dan geldt ook van u: „die tegen Mij zondigt doet zijne ziel geweld aan, allen die Mij haten hebben den dood lief!" De diipist der zonde is zoo'n harde dienst en zichzelven lief te hebben ïs zoo'n hatelijk werk. 0, hoeveel heeren hebben zij, die liiet den Eénen dienen I Hoe hard is de dienstbaarheid als een slaaf een dwazen heer dient. Dat God u oogeü geve om te zien!

Het is echter niet genoeg de zonde te veroordeelen, haar in anderen te bestraffen en haar zelf te troetelen in den boezem; met woorden voor het geloof te strijden en het zelf niet te hebben. Neen, wat Paulus hier uitspreekt zal moeten beaamd door de daad van ons eigen leven.

Hoevelen echter zijn er ook, die willen deelen tusschen God en de wereld; de grove zonden vlieden .maar de niet uitbrekende aan de hand houden; niet alles door de werken der wet willen verkrijgen doch het huis hunner hope bezwaren met een geestelijke hypotheek bij Christus; zichzelven niet openlij k prijzen doch achter het voorhangsel, den drempel van het bewuste, gaat de wierook der zelfaanbidding voortdurend omhoog; de wereld zooals zij zich op de kermis vertoont verfoeien, doch haar in allerlei anderen vorm vurig beminnen.

Waarschuwend moet de stem verheven en het woord van Christus herhaald: „gedenk aan de vrouw van Lot." O, als ge haar Sodom hadt zien verlaten, de gedachte hadu vervuld: gelukkige vrouw van Lot. Het had den schijn dat het was: „vergetende wat achter is". En toch .... vreeselijke ontgoocheling! Het bevel Gods was uitgegaan: „Zie niet achter u om en sta niet stil." Maar aan deze vermaning stoorde Lot's vrouw zich niet. Zeker, zij had Sodom wel verlaten, doch zij had niet met Sodom.gebroken. Haar hart bleef hangen aan datgene wat zij slechts schijnbaar ontvlood. Zij zag om. En in dat omzien heeft zij duidelijk getoond wat de begeerte was van haar hart, dat Sodom door haar verkoren werd boven het behoud door den Heere. En, zonder tegenspraak, volgen velen haar gedrag na. Men meent dat de vlakte van Sodom is buiten het gebied des verderfs, en dus, men spant zijn Ie vensten te aldaar, en soms zélfs verlustigt men zich nog eens door een wandeling door Sodom's straten. Meerderen' hebben zich bekeerd van de zonde hunner omgeving, en ge denkt dat zij menschen zijn, voor wie geldt: „vergetende hetgeen achter is". Helaas, zij hebben een onveranderd hart medegenomen en wanen zich veilig buiten de stad Sodom, en toch, gelijk wanneer een vuurspuwende berg uit zijn ingewand zijn lavamassa uitwerpt, zeer ver in het rond alles wordt bedolven onder de gloeiende massa, zoo zal door het oordeel Gods niet slechts de openbaar goddelooze, doch ook degene die bekeerd zijn van de wereld tot zichzelven, worden getroffen. Het is zeker pijnlijk, met wortel en tak uit de wereld te worden uitgerukt, en zóó alles achter te laten dat het hart er niet meer naar vraagt en de blik er zich niet meer heen wendt. l{iet omzien en niet stilstaan. Er is een schijnleven dat opkomt uit eigen verdorven bestaan; doch geen schijn maar wezen, waarheid in het binnenste wordt vereiseht.

Maar, zoo zucht een bekommerde ziel, indien dan deze verloochening zoo volkomen moet zijn, dan geef ik den moed maar op, want telkens lokt die zonde; meermalen gaat het om mijn ik, en niet om den Heere, en zoovele aanklachten rijzen er tegen mij op. Welaan, meent gij, dat al Gods kinderen.daarover niet hebben te klagen?

Paulus, de rijk begenadigde apostel, klaagt: „als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij, zooiserdaneenewetinmijne leden die strijd voert tegen de wet mijns gemoeds!" Neen, ook in dit opzicht had hij het nog niet gegrepen en was hij nog niet volmaakt, doch let dan in onzen tekst op dat „vergetende" en niet „vergeten hebbende". Het afsterven van den ouden mensch, het uittrekken van het lichaam der zonde geschiedt niet op eenmaal volkomen. De oude mensch is wel ten doode opgeschreven, doch hij sterft langzaam. „Hij moet sterven, doch is niet spoedig dood", - zei eens een Christen die zich reeds vijftig jaar lang vrijgemaakt wist door den Zoon. „Vergetende", zegt Paulus. Zoo is het inderdaad. Zoo hebben zij door Gods genade te strijden tegen de zonde, zichzelf te verloochenen, de wereld te verzaken. Zij moeten „minder worden"

Zeker, in beginsel haten zij alle zonde en naar den nieuwen mensch geldt het: „die uit God geboren is zondigt niet", doch tevens blijft waar: „indien wij zeggen dat wij geen zonde hebben, zoo verleiden wij ons zelven en de waarheid is in ons niet.

Vandaar die innerlijke tweestrijd zooals Paulus deze in Rom. 7 teekent.

Doch dit „vergetende hetgeen achter is" heeft ook betrekking op Paulus' leven na zijn bekeering. Hiij rustte niet in hetgeen hij door genade mocht bezitten, het rustpunt zijner ziel lag buiten hem in Christus. Hij bracht zijn tijd niet door om te onderzoeken hoever hij het toch wel had gebracht of uitstak boven anderen. Neen, hij achtte niet dat hij vergenoeg gevorderd was. Neen, geen rusten in vroegere ervaringen, niet omzien en niet stilstaan. Helaas dat deze geestelijke krankheid zoo veelvuldig wordt gevonden; en toch, zij strekt tot geestelijke schade.

Maar het ééne ding waarvan de apostel sprak was tweeledig en niet alleen bestaat het in een „vergeten van hetgeen achter is" doch tevens in hetgeen daarop volgt: „strekkende ü tot hetgeen voor is

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juli 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juli 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's