De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

17 minuten leestijd

In afwachting.

Onder dit opschrift plaatste dr. A. Kuyper in de Heraut van Zondag 8 Juli het volgende stukje:

In de weken, die verliepen, plaatste de hoogleeraar Visscher uit Utrecht in de Waarheidsvriend reeds vier'interessante artikelen als inleiding op het antwoord' dat door ons gevraagd was.

Daar echter de ééne iiertineute vraag die we stelden, en waarop het hier eigenlijk aankomt, dusver in deze artikelen nog met geen woord is aangeroerd, verkeeren we buiten de mogelijkheid, om onzen lezers het ingewachte antwoord voor te leggen. Het moet nog altoos komen.

Daar schrijver dezes nu over drie dagen voor enkele maanden het land moet verlaten, en met uitzondering van de Meditatie, die altoos doorloopt, zijn arbeid ook aan de Heraut moet staken, hopen we, na terugkeer het eenige pertinente antwoord te vinden,  waarom het ons te doen is.

Van het overige, dat de hoogleeraar ons dusver aanbood, mogen we in ons blad zelfs niets overnemen.

Dit alles toch zou.de aandacht van de eenig pertinente vraag waarop het aankomt, slechts afleiden, en het zou een tekort doen zijn aan den ernst van het vraagstuk, indien we ons hiertoe ook maar zijdelings lieten verleiden.

DR. A. KUYPER.

's-Qravenliage, 29 Juni 1917.

Laat ons hierbij even mogen opmerken at bedoelde artikelen niet van de hand van prof. Visscher zijn, zooals ied^r lezer van „de Waarheidsvriend" wel weten zal; dat het ons aangenaam is, dat deze artikelendoor dr. A. Kuyper interessant evonden worden; dat het ons spijt, dat n „de Heraut" uit deze interessante artikelen niets zal worden overgenomen (vroeger was onze verhouding zoo anders!); terwijl we ten slotte opmerken dat aan het laatste artikel nog enkele stukken zullen moeten voorafgaan, om de vraag van dr. A. Kuyper zoodoende op den voet te volgen.

De pertinente vraag staat niet op zichzelf — dat weet ieder immers! — en de gestelde vraag ging immers van een soort verklaring inzake de Doleantie vooraf?

Zoowel 't een als 't ander moet behandeld worden, waarom wij over de Vrije Universiteiten het esamineeren van cand. Houtzagers reeds schreven, om nu nog een en ander te zeggen inzake andere Kerkelijke handeUngen.

Neen, de Doleantie is niet zóo maar uit de lucht komen vallen. Ook staat de beweging van 1886 niet enkel en uitsluitend met die z.g.n. pertinente vraag van dr. A. Kuyper in verband. Dat ontkennen we juist ten sterkste; vandaar onze artikelen.

Het spijt ons meer dan we zeggen kunnen, dat dr. A. Kuyper, die toch wel iets van deze dingen voelen moet, blijft doen alsof met een kort antwoord op een pertinente vraag de dingen kunnen en mogen worden afgehandeld.

Ons dunkt, hij weet beter.

Wij althans hebben nooit die methode gevolgd.

Wanneer men ons in 1905 voor de pertinente vraag stelde: mag minister Kuyper, die zegt een christen te zijn, en die zegt anti-revolutionair te zijn, samengaan met Rome, en mag hij de Staatsloterij bestendigen, en mag hij toelaten dat de Sabbath geschonden wordt en mag hij de gedwongen vaccinatie laten voortduren, en mag hij...; dan hebben we altijd stichtelijk er voor bedankt om te antwoorden met een beslist , neen" of een beslist „ja". Ons antwoord was dan altijd een beetje uitvoeriger om de dingen in het rechte verband te stellen.

En die in 1905 hebben meegeholpen om minister Kuyper weg te jagen omdat hij niet gedaan had wat, volgens sommigen, een christen toch zeer"zeker moei doen, hebben wij in 't aangezicht weerstaan, op gevaar af, zelf ook als „niet zuiver op de graat" genoemd te worden.

Zoo gaat het nu eenmaal in het leven niet, dat men met een pertinente vraag en een kort bevestigend of ontkennend antwoord van de dingen af is. En die een weinig levenswijsheid heeft, weet dat wel, en draagt het gemoedelijk wanneer anderen, die die levenswijsheid blijkbaar niet hebben, met enkele groote woorden de zaak beslissen en voor uitgemaakt houden.

We meenden op goede gronden te mogen gelooven dat we in deze een man als dr. A. Kuyper geheel op onze zij zouden hebben.

Dat is toch zoo ?

Algemeene Synode.

De aanstaande gewone vergadering van de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk zal worden geopend op Woensdag 18 Juli 1917, en is samengesteld uit de volgende leden:

a. Hoogleerareu vanwege de Nederlandsche Hervormde Kerk uit de Universiteitssteden :

dr. L. Knappert, hoogleeraar te Leiden; secundus "dr. H. M. van Nes, hoogleeraar te Leiden;

dr. J. R. Slotemaker de Bruine, hoogleeraar te Utrecht; secundus dr. P. E. Daubanton, hoogleeraar te Utrecht;

b. Vanwege de Provinciale Kerkbesturen en de Waalsche Commissie:

L. A. F. Creutzberg, predikant te Echteld; secundus dr. W. van derBekeCallenfels, predikant te Warnsveld;

J. C. Prins, predikant te Geldermalsen ; secundus J. H, Schreuder, predikant te ! Arnhem;

J. Steenbeek, predikant te Vianen; ecundus H. J. L. Poort, predikant te Streefkerk; h — K

H. van Druten, predikant te Rijnsburg; secundus J. J. van der Grient, predikant e Maassluis;

A. A. Cremer Rzn., predikant te Broek n Waterland; secundus D. Eilerts de Haan, predikant te Heiloo;

J. Zijp Hzn., oudouderling te Twisk; ecundus P. Pijper ^"zn, oud-ouderling e Twisk;

dr. G. J. Weyland, predikant te Veere ; ecundus P. van der Linden, predikant e Nieuwerkerk (Sch.);

P. Landsman, ouderling te Vlissiugen ; ecundus W. van Oeveren, oud-ouderling e Wolfaartsdijk;

K. A. de Groot Azn, predikant te Houten; secundus P. Bongers, predikant te Kamerik;

D. Zoete, predikant te Lemmer; secundus L. J. van Apeldoorn, predikant te Hommerts c a.;

L. Hannema, oud-ouderUng te Praneker; secundus J. A. Nieuwenhout, ouderling te Oosterzee ;

Otto Schrieke, predikant te Enschede; secundus A. de ^aan, predikant te Zwolle; b

P. Tammenil^ predikant te Zuidbroek; secundus R Cremer, predikant te Veendam;

J. W. Bolt, oud-ouderling te Nieuwe Pekela; secundus mr. L J. Huber, oudouderling te Veendam;

dr. C. P. M. Deeleman, predikant te Grevenbicht; secundus dr. W. Meindersma, predikant te 's Hertogenbosch;

A. J. A. Scholte, predikant te Borger; secundus dr. G. Visser, predikant te Assen; „

J. Gordon Spandaw, ouderling te Assen; secundus J. Koning Gzn., ouderling te Meppel;

E. E. Picard, Waalsch predikant te Dordrecht; secundus G. E. M. Picard, Waalsch predikant te Arnhem;

mr. H. J. M. Tijssens, ouderling te Utrecht; secundus J. H. van Bork, ouderling te Amsterdam.

c. Vaste leden met adviseerende stem:

L. W. Bakhuizen van den Brink, secretaris te 's Gravenhage; secundus dr. G. J. Weyland, predikant te Veere;

mr. S. J. Hogerzeil, Quaestor-Generaal te 's Gravenhage, secundus mr. Y. A. Schuller tot Peursum te Amsterdam.

Zooals men ziet zal ds. H. A. Leenmans van Harlingen geen zitting hebben in de Synode en zal hij, die jaren achtereen president was, in deze hooge Kerkelijke vergadering nu worden gemist. Ouderling Hannema van Franeker zal zijn plaats innemen.

Voor N. Brabant en Limburg is in de afvaardiging groote verandering gekomen. Niet de twee orthodoxe leden ds. Bloem van Chaam en ouderhng Timmers van Klundert hebben nu zitting, maar alleen ds. Deeleman van Grevenbicht, die, indien we ons niet vergissen, tot de z g.n. Evangelischen behoort.

Ds. Schrieke van Enschede wordt in de officieele lijst opgegeven als primus hd, gelijk hij ook is. Het gerucht gaat evenwel dat niet hij maar ds. A. de Haan van Zwolle zitting zal nemen.

Voor 't eerst zal Prof. J. R. Slotemaker de Bruine optreden in kwaliteit van K-erkelijk-Hoogleeraar als adviseerend lid.

Wat de samenstelling der Synode betreft, moeten tot de orthodoxen gerekend worden: ds. Creutzberg, ds. Prins,  ds. Steenbeek, ds. v. Drutf-n, ds. Weyland, ouderling Landsman, ds. de Groot, ds Zoete, ouderling Hannema en ds. Schrieke, zijnde 10 in getal, waarbij niet onbekend is, dat er onder zijn, die zoo nu en dan wel eens tegenover hun orthodoxe medeleden staan, soms juist bij belangrijke aan gelegenheden.

De linksche leden zijn dus 9 in getal, plus de reserve die van de rechtschen nog wel eens bijspringt in critieke oogenblikken.

Dank zij vooral de zeer onrechtmatige afvaardiging van twee moderne leden door de Waalsche Commissie is de linksche minderheid in onze Herv. Kerk zóó sterk vertegenwoordigd, dat meerderheid en minderheid ongeveer gelijk is.

Dat er gebed mag opgaan tot den verheerlijkten Koning der Kerk, door Wiens hand de Vader alle dingen regeert, smeekende dat Hij de erve onzer Vaderen genadig mag zijn en in het midden van de Herv. Kerk nog het goede wil komen bevestigen en sterken, om tegelijk liet kwade te beteugelen en weg te nemen.

Eigenlijk niets te zeggen.

In de nieuwsbladen lazen we dit bericht: „In de vergadering van den bizonderen Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente in Dan Haag, waar het leiden van openbare godsdienstoefeningen door predikanten uit andere kerkgenootschappen naar aanleiding van het optreden van ds. Netelenbos hroederlijk en ernstig is besproken, werd toestemming verleend voor het spreken op het a.s. Hervormd Congres in de Groote Kerk van een predikant uit de Luthersche en een predikant uit de Gereformeerde Kerk, benevens een der eigen predikanten."

Toen we dat bericht lazen - en nu hebben we 't oog op 't laatste gedeelte dachteri we bij ons zelf: de bizondere erkeraad heeft over deze regeling toch igenlijk niets te zeggen. Want het comité dat de zaken van het Hervormd congres behandelt vraagt het Kerkgebouw tot het houden van een Congres-vergadering aan h. h. Kerkvoogden en het college van Kerkvoogden beslist of het kerkgebouw voor die samenkomst gegeven zal worden of niet — en daarmee uit.

De Bizondere Kerkeraad heeft eigenlijk in deze niets te zeggen, niets goed-of af te keuren, niets voor te schrijven of te regelen.

Eenvoudig omdat .zoo'n Congressamenkomst geen Godsdienstoefening is.

Kan dat niet de weg worden?

Zij die op den grondslag der belijdenis taan hooren in de Herv. Kerk thuis

Zij die er principieel van verschillen ooren er niet thuis.

De plaats die men den Christus geeft eslist hier boven alles.

Neen, die de Godheid van Christus oochent, die de verzoenende kracht van ijn bloed loochent, die op Paaschmorgen egt, dat Jezus niet waarlijk, lichamelijk uit den dood is opgestaan en Zich niet vele malen daarna levend vertoond heeft aan Zijn discipelen — die moest er nu niet om heen draaien, maar die moest eerlijk en rond bekennen: ik hoor in de Herv. Kerk niet thuis.

En nu lazen we dit korte berichtje: De Remonstrantsch-Geref. Gemeente te Swammerdam heeft besloten in de vacature te voorzien door de benoeming van een vrijzinnig predikant der Ned. Herv. Kerk."

Net als onlangs in Boskoop;

En ja — zou dat niet de weg zijn oor de moderne predikanten in de Herv. erk om maar naar de Remonstrantsche erk te gaan?

En zouden daar de Vrijzinnig-Hervormden zich niet beter thuis voelen en meer op hun gemak komen dan in de Herv. Kerk?

't Zou voor alle partijen 't beste zijn.

De mannen van de belijdenis in de Herv. Kerk en zij die principieel van de belijdenis verschillen, voorstanders zijnde van de modern-godsdienstige begrippen, in de Remonstrantsche Kerk — ons dunkt dat was een mooie oplossing.

Ook eerlijk en profijtelijk. Men moest dezen weg maar volgen, dunkt ons — dan komt het nog aardig in orde!

Woorden van Groen.

„Er zijn waarheden wier belijdenis het kenmerk en het eigendom der Hervormde Kerk is; op wier verkondiging, met uitsluiting der tegenovergestelde leerbegrippen, zij recht heeft."

Met deze woorden van Groen van Prinsterer zijn we het hartelijk eens.

En we zeggen hem na: „dit heeft ten gevolge, dat degenen die aan de hoofdzaak en het wezen van het geloof der Kerk gehecht zijn niet door de tegenstanders van dat geloof, met Reglementen en Organisatiën, uit het Kerkgenootschap kunnen worden gedrongen. Zij maken integendeel de Gemeente uit, de Gezindheid, wier leer zoowel in het Kerkgenootschap moet worden gehandhaafd als van Staatswege, binnen dien kring, geëerbiedigd en, waar het noodig mocht zijn, beschermd." (Het regt der Hervormde Gezindheid blz. V).

Waar Groen schreef over „het regt der Hervormde Gezindheid" in het Hervormd Kerkgenootschap en in den Nederlandschen Staat, merkt hij op:

„De naam van Formulieren is bij zeer velen in ongunst geraakt, en ik wensch daarom, zooveel mogelijk, te vermijden wat, in verband met deze vooringenomenheid, aanleiding zou kunnen geven tot miskenning van het eigenlijke doel van mijn betoog.

Een onvoorwaardelijk en bekrompen handhaven der Formulieren, zonder inachtneming ook van hetgeen na langdurigen doodsslaap, de aard eener aanvankelijke herleving vereiseht, is nooit door mij begeerd. Integendeel; „handhaving der hoofdwaarheden van het Evangelie, en, als middel hiertoe, handhaving der Formulieren, in al wat het wezen en de hoofdzaak der Hervormde leer, naar den geest van de opstellers en van de Nederlandsche Hervormde Kerk, betreft."

Deze woorden van Groen, gebruikt in het adres aan de Algemeene Synode van het jaar 1842 (uitgegeven te Leiden, blz. 51) waren zoo rechtmatig, zegt hij zelf, „dat de Synode zelve, ofschoon niet zonder eene wijkplaats in de dubbelzinnigheid der zinsnede te behouden, evenwel, het verbindend gezag der Symbolische Schriften, met overneming onzer uitdrukking, in hoofdzaak en wezen, erkend heeft." (Het regt epz. blz. VI).

Vervolgens zegt Groen: „Ik beroep mij op de Formulieren, niet zoozeer as op kerkelijk richtsnoer, maar vooral alg. historisch bewijs. Ik eisch handhaving niet van de formuilierenieron, maar, omdat welken vorm ook, van de leerstellingen welke, blijkens de geschiedenis der Kerk blijkens ook de Formulieren, ten allen tijde als haar levensbeginsel beschouwd zijn. Ik verlang eerbiediging van het geloof der Kerk, niet gelijk het zich binnen de Godgeleerdheid der Vaderen met dogmatische scherpzinnigheid heeft ontwikkeld, maar gelijk het zich, ook nu, in de harten der geloovigen levendig toont."

„De vraag is, of handhaving van hoofdzaak des Christelijken geloofs vereenigbaar is met het opdringen van leerstellingen gelijk thans bepaaldelijk in de Nederlandsche Hervormde Kerk word gedreven, als daar zijn, dat de Bijbel een menschelijk boek is, niet. Gods Woord doch waarin Gods Woord gezocht wordt' dat de Zone Gods, niet God, maar een schepsel naast God is; . dat de Heilige Geest bij persoonsverbeelding van den. Vader en den Zoon wordt onderscheiden, dat er ter verlossing van zondaren geenerlei voldoening aan Gods strafeischende gerechtigheid vereischt werd; dat de dood des Heeren Jezus slechts eene openbaring van de grootheid der zonde en eene betuiging van Gods onvoorwaardelijke liefde geen lijden en sterven in onze plaats, geweest is; dat den Zoon als waarachtig God te aanbidden, afgoderij, in Zijn schuldoffer het rantsoen der zonde te zien bloed-theologie, de onfeilbaarheid der Apostolische Schriften te beweren, apostelvergoding moet worden genoemd.

De vraag is of aan de Nederlandsche Hervormde Kerk snoodelijk onrecht aangedaan wordt, door het dulden en begunstigen in haar midden, van leeringej waarmee de eenheid van den levendei God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, lie bederf der menschelijke natuur, de onmisbaarheid en algenoegzaamheid van het offer, eenmaal aan het kruis volbracht de noodzakelijkheid van bekeering en heiligmaking, ontkend of in twijfel getrokken, en de verborgenheden der H. Schrift, welke de natuurlijke mensch als dwaasheid beschouwt en niet verstaan kan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden, overeenkomstig den eisch eener bedorven rede, door de filosofie en ijdele verleiding worden weggeredeneerd.

De vraag is of de waarheden, niet welke in 1618 bestreden werden, maar welke in 1848 werden ontkend, behooren de eigenaardigheid der Hervormde, Protestantsche, Christelijke Kerk; of de Kerk, steunende op Gods Woord alleen, ze als het geloof eenmaal den heiligen overgeleverd, en voor hetwelk gestreden moet worden, beschouwd heeft."

Groen meende, dat onbetwist duidelijk gebleken was, dat de Hervormde Kerk telkens, na elke worsteling, van de in haar schatting onveranderlijke waarheid getuigenis afgelegd heeft en dat er alzoo eene „historische eenzelvigheid der Kerk" valt te constateeren, waartegenover van geen „revolutionair alvermogen der meer derheid" sprake mag zijn En hij vervolgt dan:

„Zonder geloofseenheid geen vooruitgang noch behoud. Geen vervolg zondei begin; geen wasdom zonder wortel; geen opbouw zonder een bodem waarop gebouwd wordt; geen vooruitgang, wanneei men geen punt van uitgang bezit. Hooger trap van ontwikkeling steunt, ook inde Kerk, op de onwrikbaarheid van het eenmaal aangenomen beginsel; zij is niel anders dan, tegen de veelsoortigheid der aanvallers, bevestiging telkens van hetzelfde Evangelie, hetwelk onder Oud-en Nieuw-Testament, door menigvuldige bedeelingen des Heiligen Geestes, als de zaligmakende genade Gods, in de verschijning van onzen grooten God en Zaligmaker Jezus Christus, bekend is gemaakt.

Geen behoud, geen bestaan eener .Kerk, wanneer haar geloof aan de willekeur der menschen ondergeschikt wordt. deze verloochening van het wezen der instelling is een ontbinden, evenzeer van de Kerk als van den Staat."

Scherp maar waar stelt Groen vervolgens deze vraag:

„Bestaat het recht en de vrijheid eener Kerk in de handhaving of in de vertreding der beginselen waarop haar aanzijn' berust ?

Behoort eene Moskee, zoo er eene opgericht wordt, overgeleverd te worden aan den Mohammedaan die Mohammed bespot en Christus belijdt? eene Synagoge aan den Jood die het Evangelie aangenomen heeft? eene Roomsche kerk aan den Roomsche die zich met Rongianeil en Lichtvrienden verbroedert?

En zoo dit onrechtvaardig en ongerijmd is, behoort men dan de Christelijk Hervormde Kerk prijs te geven aan den Rationalist, aan den Neoloog, aan elk een die protesteert tegen de hoofdzaak en wezen van Christendom en Hervorming tegen hetgeen, ten allen tijde, in de Kerk, op grond van Gods Woord als richtsnoer van Kerkelijk leven gesteld is? "

En daarop vervolgt Groen zijn betoog in dezer Voege:

„Ik reken in velen mijner tegenstanders op goede trouw en daarom onderwerp ik deze beschouwingen aan het billijk oordeel ook dergenen in het Hervormd Kerkgenootschap, door wie de Kerkleer onschriftuurlijk eu verwerpelijk geacht wordt. Het geschil tusschen hen en ons, ten aanzien van het lidmaatschap der Gemeente, is niet of zij in Godsdienstbeorippen gelijk hebben; maar of de leer die" zij als Evangelisch en wij als Anti-Evangelisch beschouwen, al dan niet met de Kerkleer overeenkomt; of in dezelfde Kerk verkondiging van strijdige begrippen omtrent den eeuigen weg der zalig heid op den duur mogelijk is, of een Rijk dat tegen '/ichzelven verdeeld is, kan bestaan; of er niet, bij de onbeschrijflijke hedendaagsche verwarring, een herstel en regeling van de Kerk, volgens haar üigenaardigen grondslag, vereischt wordt; on of die grondslag iu de verloochening van haar geloof of in de vasthouding aan haar belijdenis ligt. Waarom zouden zij dan niet, eerlijk en vrijwillig; wijken uit eeue Kerk, waarin zij, die haar geloof als een ergernis en dwaasheid beschouwen, wederrechtelijk post hebben gevat? Waarom zou, bij onvereenigbaarheid der gevoelens, een gedwongen en ongerijmde vereeniging voortduren, die, hoe langer zij duurt, des te meer naar betreurenswaardige verbittering leidt ? Waarom zou, na zoo velerlei verongelijking, met een aanstaande .wijziging der Reglementen, verdrijving bedoeld worden dergenen van wier erf men zich met sluwheid en geweld meester gemaakt heeft? Waarom, eindelijk, zou het treffen van een vergelijk, op voorwaarde aannemelijk voor allen, onmogelijk zijn? Dezerzijds, in al wat niet het geloof raakt, zou toegeeflijkheid kunnen worden betoond. Niet om materieele voorrechten is het te doen, maar om het recht der Gemeente op de verkondiging van het Evangelie. Wij, lidmaten der Gemeente, mogen ons geen ander Evangelie laten opdringen, geen Evangelie strijdig met de leer van de Kerk; strijdig met het geloof dat de Heere, gelijk in het hart der vaderen, zoo' ook in het hart der kinderen gebracht heeft, "

Te, midden van de moeilijke tijden op kerkelijk gebied riep Groen uit:

„zoo het Kerkgenootschap naar de regels der volkomen losbandigheid die men wederrechtelijk in de practijk ingevoerd heeft, bij eene wijziging der vormen, met stellige verwerping van allen dogmatieken grondslag, georganiseerd wordt: zoo men aldus of een uitdrijven of een uitwijken der geloovigen onvermijdelijk maakt; zoo de Staat, gelijk tot dusver, aan de handhaving, niet van het wezen, maar van den vorm, de sterke hand leent; zoo de toepassing der Revolutiebegrippen, onder de leus van vrijheid, verlichting, vooruitgang, vroeg of laat de verdrukking van elk die den Heere in waarheid verlangt te belijden-, ten gevolge*heeft in het Kerkgenootschap moge men, door terzijdestelling van alle grondslagen der Christelijke waarheid voortspoeden op den ingeslagen weg; desniettemin zal de Hervormde Gezindheid geenszins te niet gaan; omdat zij, in hoofdzaak en wezen, voortleeft in alle tijden en aan alle plaatsen waar de waarheid, die in Christus is, de overhand behoudt."

[Men zie voor een en ander het Voorbericht van Het regt der Hervormde Gezindheid. Amsterdam J. Muller 1848.]

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juli 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juli 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's