Stichtelijke overdenking.
Maar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht des Heeren. Gen. \8:22b.
Standvastig in het gebed.
Wat de Heere verwacht van Zijn volk luidt niet twijfelachtig. Zij hebben een liooge roeping hier op aarde. "Waaneer ik u alleen maar dit woord in herinnering breng: „gij zijt het zout der aarde", zoo geloof ik niet dat er ook maar de minste tegenspraak bij u zal zijn.
«Het zout der aarde".
Wat biermede bedoeld wordt, weet ge zelf. Immers, zout heeft deze eigenschap, dat, wanneer het ergens buiten wordt gelaten, een rasch verderf intreedt, daarentegen zoo, het er doorheen wordt gewerkt, worden gaafheid en duurzaamheid verkregen. Zoo is het nu inderdaad ook Wet de wereld. God de Heere draagt door Zijn volk het bederfwerende in deze wereld in.
Nu moeten we evenwel al dadelijk «ene gedachte — wellicht by een enkele uwer opgerezen — bij den wortel afsnijden n.l: „ia dat volk dan zoo veelbeter? " En nu geef ik éen hunner maar dadelijk net woord: „wij beter? wel neen, niet in het minste"; De Apostel getuigt zelfs »ik ben de onwaardigste, de voornaamste ^an alle zondaren, maar mij is barmliartigheid geschied". De Machtige Jakobs heeft voor mij iets willen doeü. Uitverkoren om Zijn Naam te dragen in het midden der wereld. Wat wij zijn en wat wij hebben maakt ons niet groot, maar enkel 's Heeren Naam. En ziet, omdat het Zijn werk is, kan er ook invloed van uitgaan ten goede. God de Heere legt het zout der wereld in Zijn volk.
D. i. één punt. Evenwel, Gods Woord openbaart meer.
De wereld wordt om het volk des Heeren voort te brengen gedragen door de lankmoedigheden Gods. Ge zoudt de wereld het lastdier kunnen noemen waarop de dochter Sions haren Bruidegom tegemoet rijdt. Als de poorte van het Jeruzalem, dat hierboven is, geopend zal worden om de schare, die niemand tellen kan, binnen te laten, worden hare strikken losgegespt en geldt: „dat ze ontbonden worde". Dan stort de wereld in puin.
Het is niet te veel gezegd: Gods volk is als een kurk waarop de wereld drijft.
Om dat volk voort te brengen is naast den hemel een aarde geschapen. De weg naar den hemel zou loopen over deze aarde.
Dat volk is het eenige wat me het raadsel weet op te lossen, waarom na den val deze aarde niet in de diepte van den afgrond wegzonk. Zij mogen het uitjubelen: „'twas ©m ons te redden."
Als ik een beeld mag gebruiken van deze wereld, dan grijp ik terug naar het N. Testament: Paulus op reis naar Rome. Het schip dat hem medevoert is naar alle menschelijke berekening reeds midden in zee verloren. De kapitein met zijne stuurlieden geven de hoop op, en toch zegt Paulus: „wij zullen niet vergaan." Waarom niet? Waarom kon dat schip daar niet wegzinken? Omdat er een Paulus aan boord was, lezer. Deze man had van zijn God de belofte verkregen : Rome te zullen zien. Niet eerder dan de golven hem als een geredde op het strand zouden werpen, kon het Vergaan. Maar dan ook — en dan geheel en al wordt het aan splinters geslagen.
Ziet, dat is mij het beeld van deze wereld. Als Gods volk, in zijn geheel, geworpen kan worden op de kusten van het eeuwig strand, spat het scheepken van deze wereld uiteen. Niet één moment eerder en geen oogenblik later.
Nu, lezer, willen we u deze vraag voorleggen, of die wereld wel gelijk heeft om zoo met Gods volk te handelen. Het zijn de pilaren waarop de wereld rust.
Waar hier niets bedoeld wordt dan ijdelheid, waar een haastig verderf wordt ingeroepen, daar staat Gods volk, daar staan Gods kinderen, niet alleen om eigen maar ook om anderer heil af te smeeken. Hunne ziele teert weg als ze zien hoe duizenden bij duizenden worden weggevoerd zonder Redder, zonder Zaligmaker. Vandaar treden zij pleitend in, het wagende op de barmhartigheden Gods. Zoo ziet ge hier den man van wien ge leest: „Maar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht des Heeren."
De veranderde betrekking tusschen God en mensch, tusschen Schepper en schepsel hield ook in, noodzakelijker wijze, eene veranderde verhouding van mensch tot mensch. Hoe gaat, wat men met den naam menschenmin duidt, onmiddellqk op de vlucht, als het aanleiding zou geven tot botsing met eigenbelang. Denkt slechts aan de spreekwijze: daar is maar één eigen-ik. En dit „ik" zit voortdurend op den troon. Vandaar moet .God de Heere ^^keii en daarom moet ieder schepsel het afleggen.
Zoo staat het bij den natuurlijken mensch. Maar nu heeft God de Heere door Zijn wonderdoende hand het werk der schepping, dat zoo wreedelijk door de zonde werd verstoord, opnieuw gebouwd in het werk der herschepping. Wat verloren ging door de zoude, wordt, als des Heeren hand wordt uitgestoken, heerlijk door genade gered. In een wedergeboren harte komt een nieuwe lust om den Heere te vreezen. Hem lief te hebben met heel z'n zijn. En vanuit dit beginsel — dat dus niet van den mensch is'— wordt ook de nieuwe loot geboren van naastenliefde.
Ieder mensch, die waarachtig bekeerd wordt, voelt bij zich een heimwee opkomen om dien kring van Godsvereerders hoe langer hoe wgder te zien uitbreiden.
In hun hart leeft dit: „'t is genadegoed, dat ik ontving — ik heb het ook niet verdiend — wat de Heere mij, snoode, wou schenken, kan Hij in Zijne vrij machtige genade, ook aan anderen bewijzen." „Och Heere, laat die gunst ook gezien worden aan mijne medereizigers naar de eeuwigheid."
Zoo klimt het gedurig op.
Het hart van Gods kinderen, kan-zoo wijd zijn, dat ze 't er bij den af keerigen mensch wel in wilden gieten.
Zie, daar verstaat de wereld nu niets van. Al die bemoeienissen staat zij af te wachten, zoo al niet met gebalde vuist, toch met opgekropt hart. Ze wil de liefde niet zien, , nog minder gevoelen. Niettemin laat de drang van Boven' bij Gods volk niet af. Zij worden als van 's Heeren wege gedrongen.
Als ge dezen drang eens zien wilt in — ik zoude zeggen.— zijne heerlijkste openbaring, moet ge Abrahams harte hier voelen kloppen. Stelt het u goed voor: hij blijft staande voor het aangezicht des Heeren om te pleiten' voor Sodom.
„Abraham bleef nog staande."
Hij heeft zooeven mogen zien het aangezicht van den Bondsengel, van den Zone Gods, die zich voor een spanne tij ds heeft vertoond in menschelijke gestalte. Hij heeft God gezien in het aangezicht van den Verlosser.
Wónder-heerlijk, lezer. Ge hebt er wellicht nog nooit op gelet, dat toen Abraham de beloftenisse Gods ontving, dat hij deze verkreeg bij monde van den Verlosser zelven. „Sara, uwe huisvrouw zal een zoon hebben, en.... in dien zoon zit Ik als kern verscholen. Wonderlijk toch: de Zoon zegt eigen geboorte aan.
Abrahams harte mocht bijvallen en Sara nam het onbegrepen aan. Der laatste zou een lachen gemaakt worden.
We zouden het ons zoo goed kunnen indenken, nietwaar, dat , met zulk een heerlijke gewaarwording van binnen en met zulk een rijke belofte voor de borst. Abraham voor niets oog meer zou hebben dan voor eigen geluk. Hig zou het niet eens gezien hebben, waarheen de Heere met Zijne beide Engelen Zijne schreden richtte, zóó vol van eigen genieten.
Maar hij ziet het wel: zij buigen af naar Sodom. Hunne oogen zijn geslagen op de stad van zondedienst en godverzaking. Het staat er zoo treffend: „ze «agen naar Sodom."
Mij dunkt in Abrahams oogen heeft een zoeken gelegen: „Heere, wat nu? "
Het is geweest als van een moeder, die haar schuldig kind aan de handen van het gericht zoekt te onttrekken Als zij een dienaar der wet ziet binnenkomen, toetredend op de plaats van zijn schuilen, dan vraagt ze als met hare oogen: „ge wilt hem toch niet medenemen? "
Zoo heeft Abraham daar ook gestaan. m Het was van 's Heeren zijde begonnen. Hij had met hem gesproken als een vriend m spreekt tot zijn vriend: „zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik doe ? " Ik ga naar Sodom om te zien of de maat harer zonde vol is, zoo ja, „Ik zal het weten."
Ge vraagt of de Heere dit dan niet zien kon van uit den hemel? O ja lezer, gansch zeer goed.
Nu, vanwaar dan dit zeggen?
Opdat Abraham zijne pleitrede houden zoude. De Heere voert Zijn Raad uit, maar in dien Raad is ook het bidden der Zijnen begrepen, ook de verhooring van dat gebed. Abraham wordt bidder. De Heere wil er om gebeden zijn, Sodom zal verdaan worden, maar niet eerder voordat Lot aan het verderf is onttrokken.
Gods volk moet gered.
't Was anders "een heel ding, 't getuigt van een geheiligd moeten, van een goddelijk durven: te blijven staan voor het aangezicht van een God, Die de zonde bezoeken zal, Die het expresselijk' hem mededeelt. _ '
En toch, lezer, kon hq niet anders. Het brandde Abraham op zijn geweten:
„wat moet er van die arme zielen worden, heb ik wel gedaan wat ik doen konde om ze te rukken uit het verderf? " „Weggevaagd straks voor altijd, omkomen voor eeuwig." „Ik zal het wagen, ik moet het wagen." „Ik zal God alle Zijne deugden in herinnering brengen." „Ik zal beginnen met te vertellen dat er ook in Sodom nog rechtvaardigen zijn."
Rechtvaardigen, zegt ge, heb ik dat goed gehoord? Er staat toch in de Heilige Schrift: „er is niemand rechtvaardig, ook niet één."
Wanneer ge u hieraan stoot, leest dan dit: „gerechtvaardigden, die door God rechtvaardig gerekend worden." Nu zijt ge tevreden. Och, meent toch nooit, dat de vader der geloovigen er ooit aan gedacht zal hebben rechtvaardig te zijn of' rechtvaardig te heeten anders dan door het geloof in den Rechtvaardige. Maar! ook — en . daar ligt zijn pleitgrond —' tegenover die gerechtvaardigden, die nu rechtvaardigen mogen genoemd worden, staat God de Heere niet als een vreemde. Aan hen is Hij Zijn woord kwijt. Ze hebben de belofte van niet te zullen verloren gaan.
God zal Zijn waarheid nimmer krenken, Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.
De Heere vragen. zal Zijn recht niet dubbel
Heere, zoo treedt Abraham voor Gods aangezicht: merk er toch op en hoor, er is toch een gedenkboek voor U, beide van die U vreezen en van die U niet vreezen. Er zal toch een onderscheid gezien worden tusschen den rechtvaardige en den goddelooze.
Zóudt Gij hunner niet gedenken?
Als er 50 zijn, zoudt Gij U om hen niet bekommeren? Dat is ten eenenmale onmogelijk.
Ziet ge wel, hoe levendig bet geloof is bij dezen Patriarch? Het volk des Heeren — dit mag hij vertrouwen — kan niet omkomen. Wat bij God zijn aanvang neemt, wat zijn grondslagen heeft in de eeuwigheid, kan niet "vergaan. Dit staat bij hem vast; vandaar dat hij r mee begint. Zijn God is een God van echt; het eenmaal gegeven woord wordt ooit gebroken, 't Is op Gods trouwe, dat ij pleit. Daarom komt hij ook met zulk ene vrijmoedigheid. De Heere wilde met ij spreken, wilde mij openbaren wat in ijn plannen ligt opgesloten, nu, dan ag ik ook nader treden om in gedachenisse te brengen alle Gods deugden. Want dat is de grond, dé kern van het ware gebed: pleiten op de deugden Gods.
Er zijn er geweest die dit niet vertonden, en daarom meenden dat Abraham twijfelde aan Gods rechtvaardigheid. Als Abraham zelf de zoodanigen te woord ~ mocht staan, zou hij hun antwoorden: niet aldus vriend, het is omdat ik zoo vast geloof aan Gods trouwe, dat ik met deze deugd aanvang. Deze waarheid staat, immers vast: „verre is de Allerhoogste van onrecht". Nu ja, zegt er een, twijfel aan Gods deugden moge de oorzaak van zijn spreken niet geweest zijn, zqn sprake klinkt u toch al te vrijmoedig, 't Is tóch geen kleinigheid om te spreken met den Heere van aangezicht tot aangezicht. Hij toch is de Hemelheer en wij zijn slechts aardwormen. Hij heeft maar te geven en wij moeten vragen. Hij is 'de Heilige en wij zijn zondaren.
Wanneer dit de reden van uw sprekenis, kan ik u verstaan. Ge wilt het opne? men voor teederheid in het naderen.
Mogen we u dit eens opmerken. Daar is tweeërlei vrijmoedigheid: eene die de Heere geeft, en eene die de mensch neemt. Dit heeft ieder bidder voor zich zelven maaï uit te maken. Indien de Heere allen schroom Zelf bant is er een vragen, zoo krachtig, als ge 't nooit te voren hebt gekend. Denkt eens aan den worstelenden Jakob, hoe hij tot zijn Goddelijken Bestrijder spreekt: „ik laat Uniet gaan tenzij Gij mij zegent". Dit wordt vaa - den Heere niet gelaakt; - veeleer geprezen. Luistert slechts: „gij hebt u mannelijk gedragen met God en met menschen".
Van ditzelfde soort vrijmoedigheid treft e hier. Abraham werd aangetrokken an Gods zijde. Het waren Gods deugden welke hem aanspoorden. „Heere, Gij hebt in Sodom toch een volk. Gij zult hen tóch niet prijsgeven? Dat is onmogelgk. Gij zijt immers de Rechtvaardige ? "
. Maar terwijl hij dit zegt, voelt hij meteen allen grond onder zjgne voeten wegzinken. „Ik ben wel rechtvaardig, zegt de Heere, maar die stad en hare inwoners niet, "
„Och, Heere, zoudt Gij om die weinige rechtvaardigen dan niet die stad sparen ? Lichtelijk zijn er vijftig." '
Maar ze waren er niet.
Hij blijft-nog staande, de pleiter voor Gods zaak. Voelt ge het medelijden: „Als er dan veertig zijn? "
Ook dezen zijn er niet.
Eindelijk is de bidder afgeklommen tot tien.
Twee dingen nemen gelijkelijk uw geest gevangen. In de allereerste plaats: het grenzenlooze geduld van God in den hemel. Zijne lankmoedigheden worden dag in, dag uit vertreden, het kwade.en de lust tot zondigen neemt zienderoogen toe. Zoudt gij het, lezer, tot op een 1000ste van den tijd uithouden? Immers neen.
Is dit het eerste wat opvalt, thans ook op dien lieven kinder trek gewezen.
Abraham zocht ieder keer weer een nieuw punt. Als het oordeel eens kon worden afgebeden, 't Is toch zoo verschrikkelijk in de handen van een levenden God te vallen. Van Zijn gunst voor eeuwig te zijn verstoken.
„Och Heere, als het eens bestaan kon."
Hóe vindt ge zulk pleiten?
Zou een land en volk er armer door zijn als het zulke bidders in zijn midden mag hebben? Ge zijt het dadelijk met me eens, deze zijn het zout der aarde.
We willen bij Abraham niet blijven staan, ten slotte moet van het schepsel af naar God alleen worden gewezen. Hij wordt genoemd dikwijls „de vader der geloovigen." Ieder die God vreest zal er iets van hebben van dit geheiligd medelijden met eene zich-zelf ten verderve bereidende wereld. Daar is een pleiten op Gods deugden ten bate van Zijn eigen volk.
Doch wat zich nu bij een Abraham en al Gods kinderen laat aanwijzen in het klein, vindt ge in den barmhartigen Hoogepriester, die staat voor den Troon, volmaaktelijk. Hij pleit altijd door. Hij geeft dit werk hooit uit handen.
Gelijk eenmaal de rook opsteeg boven de vlakte van Sodom, doch niet eer voor een Lot op Abrahams bede was uitgeleid, alzoo zal ook eenmaal heel de wereld waarop wij' wonen aan de vlammen worden prgsgegeven, doch hier geldt niet minder: dan zullen alle de rechtvaardigen, d, w. z. die gerechtvaardigd werden in en door Christus, veilig zijn ontkomen in het Zoar des behouds.
Zult gij daaronder worden geteld, lezer ? Geve de Heere u daarop dit antwoord: „door de genade van onzen Heere Jezus Christus, ja."
Dan zult gij den Bidder en Behouder zien en prijzen eeuwiglijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juli 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juli 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's