De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

14 minuten leestijd

Zondag XXIII. 59ste vraag. Maar wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft ? Antw. Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam des eeuwigen levens, enz.

De reehtvaardigmaking uit het geloof.

De Heere is een God, die wonderen doet. Groote wonderen. En de ziel die het weet bij ervaring, zegt hel den psalmdichter na:

Heer! wat goón de heid'nen roemen. Niemand is bij U te noemen; Daden, als Uw groote daan, Treft men , nergens elders aan." Ps. 86:4.

Naaman de Syriër kon er ook van spreken. Van de ongeneeslijke ziekte der melaatschheid werd hij, de heiden, door IsrelsGod, genezen; en gansch vernieuwd en gezond kon hij blijmoedig terugkeeren paar zijn land, getuigende: ertijds was ik melaatsch, zwart, gansch onrein, maar iiU ben ik gezond en mijn vleesch is rein gemaakt „als de sneeuw, die verseh op 't aardrijk nederviel." (Ps. 51:4)

Van zulk een wonder zal elke ziel — indien het wèl is — moeten kunnen verhalen. Ook ènze ziel. "Want het is zoo  wat we in Ps. 32 lezen: „ Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven; Die van de straf voor eeuwig is ontheven; Wiens wanbedrijf, waardoor hij was [bevlekt.

Voor 't heilig oog des HEEREN is bedekt."

Het wonder van de reiniging van de zonden zullen we moeten kennen. Waarom? Omdat we allen gezondigd hebben en daardoor de heerlijkheid derven. Omdat onze overtredingen velen zijn en onze ziel zwart, onrein, gansch melaatsch is - ^ een vuile bron van ongerechtigheden.

En zóo kunnen we voor God niet bestaan. Zoo kunnen we den Heere niet zien en leven. Zoo zullen we verloren gaan. En daarom moeten we rechte bekommernis der ziele vanwege onze zonden leeren kennen, om dan door den nood gedreven tot God te gaan en Hem te smeeken ook aan óns dat wonder der rechtvaardigmaking, der verzoening en verlossing - te verheerlijken, opdat ook wij zullen mogen getuigen: wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus." (Rom. 5 : 1).

Ja, de Heere heeft lust tot waarheid in het binnenste. Hij wil niet, dat we over de dingen ziÏÏIen héénreven, maar dat we onze zonden zullen leeren belijden en onzen verloren staat voor Zijn aangezicht zullen uitklagen; om dan te leeren, dat er geen ander middel is tot verlossing en verzoening, dan om gerekend te mogen worden in Jezus Christus, waarvan de Heere dan in en door het geloof troost en blijdschap wil uitgieten in het hart.

We willen aan de hand van de 23ste Zohdagsafdeeling van onzen Heidelb. Catechismus samen handelen over de rechtvaardigmaking uit het geloof en spreken u 1. over de rechtvaardigmaking in haar vollen omvang bezien; 2. over het middel, dat tot onze rechtvaardigmaking dient en 3. over den weg, in welken uit de rechtvaardigmaking troost en blijdschap wordt genoten.

I. Over de rechtvaardigmaking in haar vollen omvang bezien.

Alles draait voor den mensch om het verlost worden van zijn zonden. Zeker! daar kan men veel - tegen inbrengen. En we willen ons dan ook gewonnen geven. Maar om dan toch te blijven beweren, dat het al of niet verlost zijn van de zonden voor den mensch èlles beslissend is. Mag hij zich verlost weten van z'n zonden dan mag hij getuigen „zoo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn." En weet hij zich niet verlost van z'n ongerechtigheden, dan klinkt hem overal in de ooren en het gaat met angst door z'n ziel: „vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al 't geen geschreven staat in het boek der wet om dat te doen."

Onze Catechismus weet het dan ook wel, dat het wezen des geloofs eigenlijk begrepen is in het kennen van de verzoening der zoolden. Of zegt Zondag 7, — na gevraagd te hebben of S, lle menschen wederom door Christus zalig worden, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden — niet zeer duidelijk, dat het wezen des geloofs bestaat in „een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evaiigelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus wille"?

En als dat nu waar is, kan het ons niet verwonderen, dat de onderwijzer in Zondag 23, na over de beloften des Evangelies, aan de hand van de 12 geloofsartikelen in den breede gesproken' te hebben, weer tot de kern van de zaak terugkeert, en nog weer eens gaat handelen over het^stuk van de rechtvaardigmaking, om dat nog eens grondig te bespreken, en daarna verder te gaan.

O! voelen we het niet dat het er toch om gaat te mogen weten „dat niet alleen anderen maar ook óns, ÖNS, om Christus' wille vergeving der zonden van God geschonken is"? Daaromtrent moeten we zekerheid krijgen. Daarin moet een •jvast vertrouwen" in onze ziele gevonden worden. We moeten weten, dat we in een nieuwen staat des levens zgn overgegaan, dat we met God verzoend zijn, dat de schuld is weggedaan, dat de zonden zijn geworpen in de zee van eeuwige vergetelheid, uiti: öuter genade, alleen om de wille van de verdienste van Christus.

En zoo komt het nu ook, dat de onderwijzer in Zondag 23, als hq verder over het nieuwe leven in den weg der verlossingen der dankbaarheid zal gaan spreken, eerst nog dat van de verzoening der zonden terugkomt, en nu vraagt: „wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft? "

-'t Is alsof hij tot z'n leerling, — die zijn deelgenoot is in de heerlgke kennis der genade en des nieuwen levens — 't is alsof hij zeggen wil: zeg mg nu nog eens in 't kort waar uw ziel de meeste troost uit put, wat nu eigenlijk het wezen, de kern, de korte en heerlijke inhoud van heel uw geloof is. En de leerling — den meester gelijk in geestelijke kennis en ervaring — vat de bedoeling van den onderwijzer en voelt, dat het geen schamper, spottend vragen is naar de'bate des geloofs, zooals de wereld spottend, schamperlachend vragen kan inzake geestelijke dingen. — NeenJ hier wordt direct begrepen, dat het er om te doen is om nog eens over het hart der kwestie, over de kern en over het wezen van het geloof en de hope des christens te spreken. En tot eere Gods en tot prijs van Jezus Christus gaat de mond open en kort en krachtig, helder en opgewekt wordt geantwoord: de hoofdzaak en de bate, de korte inhoud en de troost van mijn geloof is hierin gelegen, dat ik weten mag „dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam des eeuwigen levens."

Wat kort, wat helder, wat beslist, wat opgewekt en blij wordt het verklaard wat de ziele weten en gelooven eh beleven mag!

„Wij dan, gerechtvaardigd zgnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus." '

Alsook: „indien wij kinderen zijn, zoo zijn wij ook erfgenamen; erfgenamen van God en mede erfgenamen van Christus."

Wat blijdschap smaakt de ziele dan!

Dan kan gezongen worden: „Zoo ver het West verwijderd is van 't Oosten, zoover heeft Hij, om onze ziel te troosten, van ons de schuld en zonden weggedaan". Of ook: „Keer, mijne ziel, tot uwe ruste weder; gij zijt verlost; God heeft u wèl gedaan". Of ook: „Prijst den Heer, met bigde galmen; Gij, mijn ziel, hebt rijke stof." O, wat is de zegen der rechtvaardigmaking groot. En wat is het heerlijk een kind van God zich te mogen weten en alzoo blijde hope te mogen hebben op een eeuwig, zalig leven!

Ja —er' zijn ook nog rijke christenen I Er zijn ook nog kinderen Gods, die in het licht mogen wandelen en wèl verzekerd mogen zijn in het geloof. En deze zullen dan spreken van hun rechtvaardigmaking — van hun rechtvaardig zgn voor God in Christus — van het blij vooruitzicht ook, dat hen streelt, als zij er aan denken eenmaal eeuwig bij God te zullen zijn in den hemel, om Hem dan altijd te loven, en verzadigd te worden met Zijn godlijk beeld!

't Is hier de plaats om over die rechtvaardfgmaking door God, over dat rechtvaardig zijn voor God, een oogenblik te spreken.

Eigenlijk zijn er hier op aarde maar twee staten.

We zijn 5f van nature goddeloos — öf we zijn door genade gerechtvaardigd. Voor ons gevoel kan er ook wel eens een tusschenstaat zijn, nl. dat we dan eigenlijk tusschen die beiden in staan — niet geheel meer in de zonde levend, doch ook niet van de zonde verlost, Evenwel - zoo'n staat is er in werkelijk-heid niet, In werkelijkheid zijn er maar! twee staten, hoewel elke ziel wel een gëésteigsê érisiS 'fiföet aoofmakeiiji'pffi+ van den eenen in den anderen over te gaan.

Over die twee staten moet hier gesproken worden. En dan moet het naar voren worden gebracht, dat we van nature goddeloos zijn; dood in zonden en misdaden; gansch melaatsch en onrein; geheel verdoemeüjk voor God.

Die daar iets van afdoet, staat niet in de waarheid en misleidt zichzelf en anderen. In dit stuk luistert het nauw.

En dan gaat het over de vraag: hoe kan de ziel nu overgaan van dien staat van goddeloosheid en doemwaardigheid in den staat van rechtvaardig te zijn voor God en een erfgenaam des eeuwigen levens?

Is dat te bereiken door zich zelf op te werken tot een zekere hoogte?

Of moet men daarvoor wedergeboren i worden, om dan zonder zonden te leven en zich rechtvaardig aan te stellen, uit-j werkende een ingestorte en inklevende rechtvaardigheid? !

Is het een nieuw schepsel te zijn en nu zonder vlek of rimpel te wandelen en te staan voor God, getuigende: ik heb al Uwe geboden onderhouden en'al Uwe inzettingen bewaard?

Noch 't éen — noch 't ander!

Neen — de ziel, die door genade mag zeggen: „ik wéét dat ik in Christus rechtvaardig ben voor God en een erfgenaam des eeuwigen levens" — is niet zóo gesteld, dat hij weet zich zelf te hebben opgewerkt tot een zekere mate van reinheid en volmaaktheid.

't Is óok geen wedergeboren schepsel, dat groot gaat op een inwendige gerechtigheid, waardoor hg nu beantwoordt aan de eischen Gods en den Heere, steunend op die inklevende gerechtigheid, vrij in de oogen kan zien.

O! wat ligt hier een groote verwarring in gedachten en voDrstelling. Wat liggen hier vele strikken, waarin men telkens weer verward raakt, om de dingen door elkaar te halen en verkeerdelijk voor-te dragen.

Laat de Schrift ons den weg aanwijzen

En dan zegt de Schrift: de Heere is, een God, die den jfoddeZooze rechtvaardigt, ! gonder dte werken der wet, door de toegerekende gerechtigheid van Jezus Christus, Sions Borg en Middelaar.

In dien weg moeten we het dan zoeken en vinden 1 Om als een goddelooze gerechtvaardigd te worden; d.i. door öodrechtvaardig verklaard, zonder dat de werken der wet in aanmerking komen; enkel door de toegerekende gerechtigheid van Christus; en zoo een erfgenaam des eBuwigen levens, wijl Christus dat leven verworven heeft voor al de Zijnen!

We moeten dus in een proces gewikkeld worden met God. We moeten, voor Zijn rechterstoel gedaagd, in den spiegel van Zijn heilige wet leeren inzien. We moeten op de bank der beschuldigden komen zitten in het paleis Van den Rechter van hemel en aarde. En daar gezeten met een open conscientie, met een door schuld verslagen hart, met een gansch zwarte ziel — moet de Rechter der gansche aarde een vernietigend vonnis over ons uitspreken als Hij ons in onszelven aanmerkt.

En neen, dan behoeven we niet herof derwaarts te zien om hulp. Dan behoeven we ons niet te gaan aftobben om \ het wat te herstellen, om het wat dragelijker te maken, om onze vuile kleederen j wat te schikken en te plooien en te ^

We moeten als een goddelooze 'ons daar gewonnen geven en het leeren bekennen, na van schuilhoek tot schuilhoek ons te hebben teruggetrokken: verloren, verloren i

En hoe gaat 't dan verder?

Hoort het blijde resultaat van den christen in onze 23ste Zondagsafdeeling: „ik mag weten en gelooven dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben."

Voor God rechtvaardig.

't Moet blijven gaan tusschen onze ziele en Ood.

't Moet niet ergens elders gezoeht worden.

't Gaat tusschen onze ziel en den Rechter der gansche aarde, die heilig is in al Zijn richten en die den schuldige geenszins onschuldig houdt.

En dan valt het licht, daü komt de hulp, dan nadert verlossing...., , , waar vandaan ?

Niet uit eigenschap of verdiensten des menschen. Want die daar zit in den bank der beschuldigden, wordt schuldig bevonden in alles, en heeft geen penning om te betalen. Maar het licht valt van het kruis. De hulp komt van den plaatsbekleeder Jezus Christus. De verlossing is door Hem, die van den Vader gesteld is als den tweeden Adam, het Hoofd van het verbond der genade.

Dat moet in de rechtzaal des Heeren uitkomen.

Dat moet doorleefd worden door den gansch schuldigen en geheel verloren, zondaar, die de Wet Gods in al haar heiligheid, waarheid en gestrengheid kent en billijkt.

Niet van den mensch komt de hulp.

Maar van God zelf, door Jezus Christus, als de Heilige Geest den zondaar doet schuilen onder de schaduw van den levensboom, die daar staat op Golgotha.

En ala het proces die wending neemt en de goddelooze mensch in dien weg mag vertroost worden, om bij eigen doemwaardigheid uit Christus gerechtigheid . te ontvangen, genade voor genade — o 1 dan mag de ziele, door den H. Geest geleerd en geleid en getroost opstaan en uit de bank der beschuldigden uitgaan en buiten de rechtzaal zich begeven en daar getuigen tot roem van Gods genade, tot prijs van Christus kruis-en zoenverdiensten, tot lof van den Heiligen Geest, die in alle waarheid leidt: „wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus". Alsook: „wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het die gestorven is; ja, wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods is, die ook vóór ons bidt",

O zie dien goddeloozen en doemwaardigen zondaar daar loopen. Als die geraakte, die genezen zijnde, zijn beddeke heeft opgerold en nu flink, veerkrachtig, moedig, blij, jubelend wandelt over 's Heeren straten. Als die melaatsche, die gereinigd en genezen den priester zijn vleesch toont, en blijde in den tempel ingaat om den Heere offeranden des lofs te brengen.

Ja—de rechtvaardigmaking in Christus door God is een groot stuk, 't Is ten slotte het stuk waar alles voor den zondaar om gaat. Rechtvaardig verklaard te zijn; door (rod rechtvaardig verklaard te zijn, en dan te mogen weten in alles te beantwoorden aan het recht Gods, door de toegerekende borggerechtigheid van Jezus Christus, en alzoo niet schuldig te worden verklaard, maar vrij te mogen uitgaan — ja, dat is het groote stuk waar 't voor de ziele om gaat. En als dit gekend mag worden: „rechtvaardig voor Qod in Jezus Ghrislm", dèn zegt-de dichter van Ps. 32 dat de ziele nu niet achterblijven moet om te zingen en te juichen, want zoo hooren wè hem spreken:

„Rechtvaardig volk, verheft uw bijde [klanken, Verheugd in God, naar waarde nooit te [danken. Zingt vroolijk, roemt Zijn deugden 't [allen tijd, Gij die oprecht van hart en Wandel zijt".

- Neen — dat komt niet in een weg, waarin het recht Gods verkort wordt

Dan misleidt men de zielen, wanneer men van het recht Gods afdoet

't Komt ook niet in een. weg, waarin men voor de verslagen ziel met allerlei dingen komt aandragen, waarbij mende ziele opwekt en aanspoort om dit te doen of dat te doen.

Een — die zóo troosten en helpen wil is een medicijnmeester, die de ziele helpt met allerlei middeltjes die ten slotte de doodkranke en doodschuldige ziel in het diepst verderf laat.

't Komt enkel en alleen in de rechtszaal des Heeren, waar de ziele geheel onder den eisch der wet wegzinkt, maar waar de Heere zelf dan zonder eenige toerekening uit den mensch, met de gerechtigheid van Sions Borg de ziele komt troosten, zeggende: dat is al voor u! Hij voor u en gij in Hem — zóo komt men in Jeruzalem.

. Zalig voorrecht — als we zóo als een goddelooze, zonder de werken der wet, in Christus Jezus rechtvaardig verklaard ihogen worden door en voor God!

Dan zijn we geen vreemdelingen meer, maar kinderen. Dan zijn we geen doemwaardigen meer, maar erfgenamen des eeuwigen levens. Dan zijn , Christus' ver­diensten onze rijkdom en onze schat. Dan leven we en zullen we leven, omdat Christus leeft en onze Zaligmaker is, ons deel tot in eeuwigheid.

(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 augustus 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 augustus 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's