Staat en Maatschappij.
Het Ministeriëele antwoord.
Het antwoord, dat de Minister van' Binnenlandsche Zaken op de vragen van de heeren Van Wijnbergen, Van der Molen en Gerretson betreffende verhooging van de salarissen der onderwijzers aan bijzondere scholen gegeven heeft, trekt de bijzondere aandacht.
Gelijk bekend is, blijft volgens art, 26, 9e lid der wet op het lager onderwijs de door Gedeputeerde Staten aan eene verordening tot regeling van onderwijzerssalarissen verleende goedkeuring niet langer dan 10 jaren van kracht. j
Nu moge er aan herinnerd worden, dat art. 26 der wet op het lager onderwijs is gewijzigd bij de - wet van 28 December 1907. Volgens art. 4 van laatstgenoemde wet moeten de jaarwedden der onderwijzers vóór 1 Januari 1909 opnieuw worden geregeld, terwijl volgens art. 5 de wijzigingswet werd geacht in werking te zijn getreden met 1 Januari 1908.
In verband nu hiermede moeten de in den loop van 1908 vastgestelde verordeningen dus vóór 1 Januari 1918 worden herzien.
Zooals te begrijpen is, verwachten de onderwijzers van de verordeningen, welke staan gewijzigd te worden, eene belangrijke verbetering in hunne jaarweddenregeling, vooral nu èn de Gedeputeerde Staten èn het Rijks-Schooltoezicht. in onderscheidene deelen des lands zich met de zaak bemoeien en hunnen invloed op de gemeentebesturen uitoefenen.
Echter, en dit zal dtiidelijk zijn, betreft het hier uitsluitend de salarissen der openbare onderwijzers. De bijzondere onderwijzers vallen er geheel buiten. De gemeentekassen stellen voor de laatste categorie van onderwijzers geen gelden beschikbaar.
Vandaar de vragen van de drie rechtsche Kamerleden aan den minister van binnenlandsche zaken, luidende:
„In verschillende provinciën is door meerdere Gemeentebesturen met het oog op de tegenwoordige omstandigheden eene herziening van de salarisregeling der onderwijzers aan de openbare scholen ter hand genomen. Ook is door onderscheidene Colleges van Gedeputeerde Staten eene circulaire aan de Gemeentebesturen gezonden, om, voorzoover zulks nog niet geschied was, alsnog aan te dringen op verhooging der onderwijzerssalarissen.
Is de Minister nu niet van oordeel, dat ook de Besturen van Bijzondere Scholen moeten worden in staat gesteld de salarissen van hun personeel te verhoogen tot het peil, waarop ze ongetwijfeld in deze omstandigheden door de Gemeentebesturen terecht zijn of zullen worden gebracht? Zoo ja, is dan de Minister bereid de indiening van een daartoe strekkend wetsontwerp te bevorderen ? '!
Op deze gewichtige vragen, waarin een billijke regeling van de positie der bijzondere onderwijzers wordt gevraagd, antwoordde de Minister:
„Het bestaande stelsel van subsidieeren brengt mee, dat het Rijk zoowel aan de openbare als aan de. bijzondere scholen de wettelijke minima-jaarwedden vergoedt. Of en zoo ja hoeverre de gemeenten of de schoolbesturen boven die minima willen gaan, blijft, afgezien van het hooger toezicht op de gemeentebesturen, aan hun prudentie overgelaten.
De omstandigheid, dat allicht verscheidene gemeenten de wedden zullen verhoogen, kan te minder aanleiding vormen om thans incidenteel te breken met het bestaande stelsel van rijkssubsidieering, nu het nieuwe artikel 192 Grondwet vermoedelijk eerlang tot een gansch andere regeling zal leiden en een initiatief-voorstel aanhangig is, dat beoogt het subsidie voor openbare zoowel als bijzondere scholen te verhoogen".
Dit antwoord stelt ongetwijfeld teleur. Het laat den Minister onverschillig of de noodstand bij" de bijzondere onderwijzers voortduurt.
Immers weet Zijne Excellentie heel goed dat de schoolbesturen, althans voor het overgroote gedeelte, niet bij machte zijn om boven de minima te gaan; zoodat van eene verbetering der jaarwedden van de onderwijzers bij de bijzondere school niets komen kan; terwijl voorde collega's 'bg het openbaar onderwijs over de gemeentekas kan beschikt worden.
De schrille tegenstelling in de positie der openbare met die der bijzondere onderwijzers is in langen tijd niet zoo duidelijk naar voren getreden als juist in dit' Ministeriëele antwoord.
De Minister trekt er zich klaarblijke lijk niets van aan, of de gemeentebesturen al verre boven de wettelijke minima gaan en daardoor de bevoorrechting van de openbare onderwijzers nog sterker wordt.
De bijzondere onderwijzers mogen toezien.
Maar, afgezien hiervan, ' geeft de Minister nog twee redenen op, waarvan wij hierboven schreven, dat het antwoord de bijzondere aandacht trekt; redenen, die den Minister tot afwijzing van het verzoek der drie Kamerleden noopten, In de eerste plaats verwijst de Minister naar het nieuwe artikel 192 der Grondwet. Dit artikel, zoo zegt Zijne Excellentie, zal vermoedelijk eerlang tot een gansch andere regeling leiden.
Dat „vermoedelijk eerlang" is treffend, want op zijn vroegst zal onder dat „eerlang" verstaan moeten worden de. winter van het jaar 1919. De onde^; wijzers hebben dus minstens nog volle twee jaren te wachten, alvorens in hunne financiëele positie eenige verbetering komt. In het antwoord van den Minister ontvangen de onderwijzers niets meer dan een wissel op zeer langen termijn. Men vraagt zich af, of uit het antwoord van den Minister wel de noodige ernst spreekt? Zou de bewindsman, die hier aan het woord is, niet te veel van de gedachte uitgaan, dat het zijn tijd als Minister wel zal uitduren.
Intusschen dringt de financiëele nood voor de Schoolbesturen steeds sterker. Mag het nu als een pleister op de wonde beschouwd worden, en hier komen wij aan de tweede reden, waarmede de Minister zich over. zijne afwijzing verontschuldigt, n.l. waar gezegd wordt, dat er een initiatief-voorstel aanhangig is, dat beoogt het subsidie voor openbare zoowel als bijzondere scholen te verhoogen?
Moet deze mededeeling zoo opgevat worden, dat wanneer de Eerste Kamer het voorstel-Marchant mocht aannemen, de Minister van Binnenlandsche Zaken zal medewerken om het wetsvoorstel een plaats te geven in het Staatsblad.
Wij zouden ons'daarover verheugen. Maar hoe zit het dan met de verklaring, welke meermalen door de regeering werd gegeven, dat van het voorstel-Marchant niets kan komen, omdat de benoodigde gelden tot uitvoering van het voorstel niet beschikbaar zijn.
Hierin zit iets dat tot klaarheid behoort gebracht te worden. Want het zou toch te dwaas zijn, om te veronderstellen, dat op het initiatief-voorstel een beroep gedaan wordt, wanneer het voornemen bestaat het eenvoudig naast zich neer te leggen.
. Maar is het geld er op dit oogenblik dan wèl ? Zouden de heeren uit de Kamer, die zich reeds zoo verdienstelijk maakten, niet nog eens nader op informatie kunnen uitgaan ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 augustus 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 augustus 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's