De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

14 minuten leestijd

Daarna bracht hij mij weder tot de deur van het huis, en ziet, er vloten wateren uit, van onder den dorpel des huizes naar het oosten; want het voorste deel van het huis was in het oosten; en de wateren daalden af van onderen, uit de rechterzijde des huizes, van het zuiden des altaars.En hij bracht mij uit door den weg van de Noorderpoort, en voerde mij om door den weg van buiten tot de buitenpoört, den weg. die naar het oosten ziet; en ziet, de wateren sprongen uit de'rechterzijde.Als nu die man naar het oosten uitging, zoo was er een meetsnoer in zijne hand; en hij mat duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de enkelen.Toen mat hij nog duizend ellen, en deed mij door de wateren door--gaan en de wateren reikten tot aan de knieën; en hij mat nog duizend, en deed mij doorgaan, en de wateren raakten tot aan de lenden.Voorts mat hij nog duizend en het was eene beek, waar ik niet kon doorgaan; want de wateren waren hooge wateren, waar men doorzwemmen moest, ene beek waar men niet kon doorgaan.Ezechiël 47:1—5.

De wassende genadestroom.

Een wonderlijk gezicht. Van onder den irpel van den tempel des Heeren ziet Ezechiël wateren vloeien, die recht naar liet oosten gaan. Maar als hij nauwkeuriger acht geeft, bemerkt hij dat de wateren niet hun oorsprong bij den dorpel hebben, maar dat zij reeds in het heiligdom zelf vloeien, en wel door de rechterzij huizes en dat hun bron aan den luidkant van het altaar is.

Eüechiël was gesproten uit het geslacht I priesters. Zijn gedachten waren steeds vervuld met den tempel en diens offerfeüst. Geen wonder dan ook dat de profetieën van dezen Godsman bijna het heiligdom des Heeren tot middelpunt hadden, In de vergezichten, waarvoor de Geest zijn oogen opende, zag hij Israels heilige gebouwen. De der vertroosting, die van hem uitging, handelde over de herleving Israels, over het heilige land, maar dan met den herbouwden tempel als middelpunt.

Als profeet der ballingschap maakte hij de ellende mee. Hij gevoelde mede het gemis van het Huis des Heeren dergenen die aan de rivieren van Babel zaten en weenden. Maar nu was hij ook juist de verkorene des Heeren om de verdrukte schare te troosten dat uit Zion zou stroomen een milde zegen.

Zulk een troostvisioen wordt ons verteld in het hierboven geplaatste Schriftsdeelte. Nu kwam er ramp en verdrukking uit het land van het oosten over de tempel en Israels volk. Maar de tijd zal komen dat de genadestroom uit Jeruzalem naar de heidenen vloeien zaL Het Heiligdom zal weer in eere wezen. Het altaar met zijn offerande zal wederom zijn zeer belangrijke plaats innemen. Nietwaar, dit moest voor een ieder, die behagen had in den dienst des Heeren, een taal van lieflijke bemoediging zijn, eent taal van krachtige vertroosting, wijl  er in beluisterd werd een profetie van van Christus die komen zou.

Se rivier Gods ontspringt voor het oog van Ezechiël bij het altaar. Elk altaar nu, dat in den tempel stond, was eëh' schaduwbeeld van Golgotha's kruis. Op dat brandofïeraltaar werd een schuldeloos dier geofferd. Het moest sterven in de plaats van het schuldige volk. En als dan de godvreezende Israëliet de hand op het te offeren dier legde, werd, zoo sprak hij daarmee uit, zijn schuld daarop overgedragen. En aldus beladen, moest het dier den dood sterven. Zie hierin de afschaduwing van Hem, van 'Wien de apostel zegt, dat Hij stierf om onze zonde en opgewekt is om onze rechtvaardigmaking.

Het borgtochtelijk lijden en sterven van den Heere Jezus Christus is het middelpunt van het Evangelie der genade.

Omdat God heilig is, kan Hij niet te doen hebben met zondige menschen. Niet anders dan eeuwige verstooting kan uit het Wezen Gods over zondaren komen. Hij, uit Wien de heilige Wet kwam, met de reinste liefde-bedoeling voor den mensch, kan niet anders dan toornen over hare overtreders. Hier geldt het woord: vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al heigeen daar geschreven is in het boek der wet om dat te doen.

Uit het heiligdom niet anders dan 's Heeren gramschap. Dat hebben wij ons waardig gemaakt. Als de Heere ons aanzag, in onze zonden uit den. hemel zou over onze schuldige hoofden niet anders dan een stroom van ramp, velerhande ellendigheid, ja de verdoemenis zelf vloeien.

Een wassende vloed van oordeel zou het wezen. Uit den tempel van Gods heiligheid kan niet anders komen dan een ingaan tegen al wat de glorie van Gods Naam ontluistert.

Maar nu staat daar het altaar, het kruis van Christus, Daar is genoeg gedaan aan het recht Gods. Hij heeft de wassende stroom van Gods oordeel opgevangen, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet zou verderven, maar het eeuwige leven zou hebben, Christus heeft, opgestaan uit de dooden, opgevaren ten hemel, de gaven des Geestes genomen om uit te deelen onder de menschenkinderen.

Uit Zijn kruis verdienste vloeien de s gaven des heils voor in zichzelf verlorenen. Wie kan de gaven tellen, die de Heilige Geest uit Christus neemt? Wie kan de druppelen van een stroom tellen ? Komt niet uit 's Heilands volheid de gave van de wedergeboorte des harten, de gave der bekeering, de gave der zielsverbrijzeling, de gave des geloofs, der rechtvaardigheid, der heiligmaking en der verlossing?

Big het altaar ligt de bron. Uit Christus stroomt genade voor genade het hart des zondaars binnen. Het is een onnoemelijk groot voorrecht als een arm zondaar tot Jezus' kruis in het geloof te vluchten. Die in armoede des Geestes voor den Heere buigt, leert hoe laneer hoe meer verstaan dat niets in den mensch de oorzaak is van Gods genade. Ook niet de meest innige gebedsworsteling, die door God in ons gewrocht is, zal een reden wezen voor meerderejgenade. Het altaar alleen is de bron. Daarom wil de apostel Paulus niets anders weten dan Jezus Christus en Dien gekruist, en een ieder die gelooft, zegt het van harte den apostel na. Van Golgotha's kruis vloeien de wateren des levens door het heiligdom, en er ook uit, van onder den dorpel tot in het verre oosten.

Maar Ezechiël zag nog meer, opdat ook dit tot troost en oiïaerwijziug zou zijn voor heel de Kerk,

De wateren werden in hun loop een eind weegs door hem gevolgd, terwijl hij begeleid werd door een engel. Een meetsnoer is in diens hand. Steeds is de hemelböde aan het meten. Duizend ellen meet hij af langs de rivier en hij doet Ezechiël op die plaats door het water doorgaan. De stroom raakte tot aan de enkelen. Duizend ellen verder bereikte hij reeds de knieën. Weer duizend ellen verder komt het water tot de lendenen. Voorts mat hij nog duizend ellen en de wateren waren hooge wateren waar men door zwemmen moest.

Wat zijn die wateren toegenomen I Hoe verder zij stroomen, hoe dieper zij worden. Aan de oppervlakte is dat zoo niet te zien. Maar.., ga er maar door, Ezechiël, d en gij zult het bemerken!, , . En 't stroomt al uit dezelfde bron. Er heeft zich van deze of gene zijde.geen stroom - met deze rivier Gods vereenigd. Van uit het altaar vloeien al die wateren; er is een gestadige toename, een gestadige verdieping van den bodem, totdat ér zelfs geen bodem meer te bekennen is.

Wat toch de Heere hierin aan Ezechiël wilde toonen? Het-ziet ongetwijfeld op de gestadige uitbreiding die het Koninkrijk Gods hiec. op e^arde Jion. krijgen. In--g de dagen dat het zoo openbaar wordt dat het een „klein kuddeke" is, zal zulk een onderwiijzing tot bemoediging wezen. Is ' er' een kleine schare die den Heere vreest? In het midden van deze wereld ? .., , Houdt moed! zoo wordt hun toegeroepen. De stroom der genade zal niet droogloopen. Christus' Kèric zal niet van deze aarde uitgewischt worden. Het Woord zal zijn loop hebben tot in alle werelddeelen. En de profetie is er dat één keer de wateren van Gods Rijk de overhand zullen hebben en dat de aarde vol zal zijn van de kennis des Heeren.

En dit zal niet te danken zijn aan de kracht der menschen, aan den ijver van stervelingen. Niet door kracht of geweld zal het wezen. Maar door 's Heeren Geest alleen. Zonder dat eenige bij rivier zich met de wateren der genade vermengt, stroomen zij van uit het altaar des heiligdóms.

Maar veel meer nog is hier te denken aan de wassende genadestroom in het persoonlijk leven des' menschen. Het nieuwe leven dat in den mensch begint, is vaak zeer klein, 't Is ook dikwijls bedekt onder menigerlei zielsbekommernissen. Wat is een mosterdzaadje bedolven onder de aarde? Er kan iets groots uit voortkomen! Zeker , , . Maar wat is het in zichzelf? Het is het minste onder al de zaden. Zoo nietig, zoo onmerkbaar haast is vaak het beginsel van het leven dat uit. God is. Een woord der Schrift heeft ons aangegrepen , , .. Het laat ons niet meer los. Een plotseling sterfgeval heeft ons ontroerd, .. En die ontroering raken wij niet meer kwijt. Wij spreken er met niemand over. Men mocht eens te veel van ons denken. En toch, het beginsel is er! Wat is een klein stukje zuurdeeg, gelegd in drie maten meel? En toch, het beginsel is er voor de algeheele doorzuring. De genade-stroom is gaan vloeien. Het nieuwe leven zal zich uitbreiden.

Niet dat men zichzelf altijd recht rekenschap geeft van die uitbreiding. Het schijnt soms ook wel dat de genadestroom voorheen dieper was dan nu. De psalmist dacht er ook aan hoe hij God met vreugd voor dezen, op zgn snaren had geprezen. En het scheen hem nu toe alsof de Heere thans veel minder voor hem is dan vroeger, „Zou de Heer' Zijn gunstgenooten, dacht ik, dan altoos verstoeten. Zouden Zijn beloftenissen verder hun vervulling missen", zoo vraagt hij met een mistroostig hart. Zoo gebeurt het vaak dat de geloovige meent, wanneer hij maar duizend ellen terug kon gaan, daar meer water in den genadestroom zon staan dan hier.

Zeker, wij stemmen toe dat er eene ammerlijke verkoeling kan wezen in het zieleleven, een ijzige doodigheid. De oorzaak hebben wij in ons zelf dan te zoeken. De stroom van zonde en wereldschgezindheid is zoo machtig. Soms is de oorzaak dat men volhardt in een bepaalde zonde. Geldgierigheid vangt ook Gods kind vaak in haar strikken. De hoogmoed maakt soms een dor hart. Menschenvrees of menschenbehaagzucht oefenen hun droeven invloed. Ja, als de Heere ons dan zou doen naar onze zonde, moest Hij den genadestroom voor [eeuwig voor ons afdammen. David smeekt in zijn klacht dat de Heere dit niet mocht doen. „Neem Uwen Heiligen Geest niet van mij." Hij wist wel dat hij zich den genadestroom geheel onwaardig had gemaakt;

En toch, die stroom wordt nooit minder. Maar neemt steeds in diepte toe. Dit  blijkt juist in den weg der verootmoediging, In dien weg wordt er gepeild wat de Heere wil zijn en blijven voor Zijn volk.

Ezechiël moest er doorheen. Hij mocht b niet aan den oever blijven staan, Aan de oppervlakte is niet te zien hoe diep  het water is.

Aldus verstaat men ; dat de Heere Jezus Christus niet kariger in Zijne genade is geworden, ook wanneer men, nu tot zijn m groote smart, in zonden was gevallen. Men ondervindt dat de Heere niet verkoeld is in Zijn liefde voor Zijn gunst­genooten, ook al was men, nu tot zijn pijnlijke droefheid, in Laodiceesche lauwheid vervallen.

De vernieuwde blijken van Gods goedertierenheid zijn daar. De genadestroom is krachtiger, wiijl zij meer diepgang ontvangen heeft. Mèn werd wel minder in zichzelf, maar de Heere is meerder geworden. En de genade is toegenomen... De verootmoediging is dieper geworden, Maar nu is ook de liefde tot den Heére aangewakkerd. Het Woord des Evangelies heeft meer zin gekregen. De boodschap des heils heeft lieflijker geklank. De liefde voor het volk des Heeren is toegenomen. Men is aangevuurd tot grooteren ijver voor de eere van Gods Naam,

En zoo raakt de stroom eerst tot aan de enkelen, dan tot aan de knieën, voorts tot aan de lendenen. Het komt er maar op aan, kind des Heeren, dat gij onderzoekt wat de Heere, in Zijn getrouwheid, wil wezen voor een zondig volk, !

Zy gaan van kracht tot kracht steeds voort;

Elk hunner zal in 't zalig oord Van Zion haast voor God verschijnen.

Als de engel voor den vierden keer het meetsnoer heeft uitgelegd, wordt de diepte van den genadestroom wederom gepeild. En zie, het was eene beek, waar men door zwemmen moest.

In zekeren zin wordt heel de Gemeente Gods gedragen door de wateren van genade. Zij zwemt er in, omdat alle dingen haar ten goede gedijen, ook al schijnt het haar tóe dat alle dingen tegen zijn. Zij wordt omringd door de goedertierenheden Gods,

Maar als wij denken aan den weg des geloofs, dien al Gods kinderen betreden, zie, dan komt er een tijd dat zij zwemmen mogen] in de genade Gods en dat de rivier Gods zóo vol water is dat zij van alle zijden er zich door voelen omringd.

Wij bedoelen de zekerheid des geloofs, zich gekocht te weten door Jezus' bloed. Dan mag de jubeltoon klinken uit de vertrooste ziel, Èn door niets en niemand wordt de wetenschap ontnomen, dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers, Jezus Christus, eigen ben, die met Zijn dierbaar bloed voor alle mijne zonden volkomen betaald heeft en mij uit alle geweld des duivels verlost heeft.

Zie, dit is de volle zegen, die door het geloof van het kruis van Christus afvloeit. Het is, zonder den minsten twijfel, blijmoedig amen zeggen op de boodschap des heils.

Er staat van de discipelen dat zij op het Pinksterfeest vervuld waren vanden Heiligen Geest, In woorden uit Ezechiëls visioen zou men ook kunnen zeggen: zij waren zwemmende in den Geest, zg waren in den stroom van genade, die hen geheel droeg.

Het verlichte verstand mag zich dan verdiepen in de kennis des Heeren, het zwemt in de wijsheid Gods. De geheiligde wil baadt zich in de wet Gods en alle begeerten en de genegenheden van het vernieuwde hart worden gedragen en voortgedreven door de liefde van Christus,

Zwemmen in de genade is zich gedragen te weten door Christus-en Zijn werk, te midden van dit aardsche leven met al zijn moeite en verdriet, gedragen door den nood en door den dood heen.

Zwemmen in den stroom van Gods goedertierenheden beteekent zich voor eeuwig eèn verloste te weten door het bloed des kruises.

Ontegenzeggelijk moet de begeerte der ziel naar deze geloofsverzekerdheid uitgaan. Menigeen, die oprecht den Heere zoekt en die ook in alle ongeloof steeds meer eigen schuld ziet, blijft, als het over deze groote zaak gaat, schuchter vau verre staan. Maar toch zal de ware bekommering des harten verlangen niiar zulk geloof, waardoor hij God het, meest zal kennen en het meest zal verheerlijken.

Laat ons ook niet vergeten dat de engel met het meetsnoer voortging langs den stroom, totdat de plaats van zwemmen bereikt was. Daarop liep het meten uitl Het was een zoeken naar die plaats, waar het water zóó diep was. Zoo zoekt ook de Heere in het hart der Zijnen naar het volle geloof, naar den volkomen vrede, naar de ongeschokte rust in Zijn geniade.

Daarop moet het uitloopen! Daarop komt het aan. Immers alleen hij die in den Zoon gelooft heeft het eeuwige leven. En al Gods beloften zijn ja en amen in Christus Jezus. Dit ja en amen wordt van ganscher harte nagezegd door allen die zich in Christus Jezus weten. Mèt Hem alleen is de mensch behouden. Door Christus alleen is er redding. Met Hem alleen is de ziel rustig, heft men blijmoedig het hoofd omhoog, kan men zonder schromen dood en eeuwigheid tegengaan.

Op de geloofs verzekering komt het aan. Het is van belang als het water der genade tot de enkelen reikt, als het tot de knieën gestegen is, als men er tot de lendenen reeds doorgaat. Maar weet het wel dat de engel van Ezechiëls visioen u niet met rust laat en u krachtig opwekt opdat ge ddar mocht komen waar gij zwemt in de liefde Gods, waar gij van Christus zijt en Christus van u is.

Ieder moet het zich ernstig afvragen of er ook bij hem zulk een wassende stroom van genade is in zijn persoonlijk leven. Of staat soms het peil zeer laag? Of is het daarbinnen nog altijd even dor en doodsch? Misschien was er vroeger, bij voorbeeld' in de dagen uwer jeugd, meer lust om den Heere te dienen dan nu? En is sinds de stroom uwer zonde, dé vloed van werelddienst aan het wassen gegaan ?

Vraag den Heere om zelfkennis en verootmoediging. Hij stort Zijn genade uit in nederige harten. Hij bewijst Zijn goedertierenheid aan armen van geest. En Hij maakt hun bekend door het Evangelie der genade, dat Christus de Heere het altaar is, waaruit Zijn eeuwige zegen vloeit. Van uit dat kruis van Golgotha stuwt Hij de wateren op, van de hoogte der enkelen tot boven ons hoofd, en doét ons zwemmen in Zijn genade.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's