De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Wij wilden Jexus wel zien. Joh. 12:21b.

Jezus zien.

In het natuurlijk leven moeten wij een oog hebben om de dingen te zien. Daarmee willen we nu niet zeggen dat het een voorrecht is als we niet blind zijn en als we ons in bet bezit vau twee goede oogen verheugen mogen. Maar om de schoonheid van sommige dingen te kunnen schatten, en waardeeren, moet ons oog vaak bijzonder daarop aangelegd zijn.

Nietwaar, sommige menschen hebben een bijzonder oog voor de bloemen; andere menschen hebben een bijzonder oog voor de kleuren, b.v. voor het een of ander schoone schilderstuk. En zoo zouden daar nog verschillende diogen in het rijk van Gods schepping genoemd kunnen worden, waarvan het oog van sommigen niet verzadigd wordt om ze te zien, terwijl er vaak anderen zijn die zeggen dat zij daar nu heelemaal geen oog voor hebben.

En evenals in de natuur, zoo is dat nu ook in het rijk der genade. Ook daar zijn dingen, waarvan menigeen moet zeggen, als hij eerlijk is: ik heb er geen oog vöor; maar waarvan dan t)ok menig ander mag getuigen : en dat is niu juist iets waarvan mijn oog nooit verzadigd wordt.

Nu is het schoonste wat daar in het geestelijke leven gezien kan worden zeker wel het voorwerp over hetwelk in het woord, dat we hierboven schreven, gesproken wordt.

Wij wilden Jezus wel zien. De menschen, die dit woord oorspronkelijk gezegd hebben, zijn Grieken geweest. Wat toch was het geval ? Jezus was voor het laatste Paaschfeest, dat Hij hier op aarde beleven zou, door de Joden gehuldigd geworden. Toen Hij opging naar Jeruzalem had men de takken van de hoornen gerukt en men had het Hem toegeroepen: Hosanna, gezegend is Hy, die komt in den Naam des Heeren, Hij die is de Koning Israels.

Dat geroep der Joden had blijkbaar ook op de heidenen indruk gemaakt. Althans we lezen van sommige Grieken uit degenen dié mee opgegaan waren — dus waarschijnlijk waren deze Grieken z.g.n. proselieten der poort — dat zij tot Filippus gingen en dat zij Hem baden, zeggende: „Heer, wij wilden Jezus wel zien.

De menschen die dit woord oorspronkelijk spraken waren dus heidenen geweest, die door hun natuurlijke geboorte behoorden tot een volk dat in ontwikkeling en beschaving, in wetenschap en kunst zeer hoog was geklommen, maar dat met den éénen waren God onbekend was gebleven, en waarvan Paulus later getuigde dat het kruis van Christus hun een dwaasheid was.

Verstaat gij iets van het wonder, dat zulke menschen nu tot Jezus kwamen en dat we van hen lezen, dat zij Jezus begeerden te zien?

Ja, zy wilden Jezns zien! Dat beteekent dat zij het wenschten, dat zij het begeerden, dat zij er naar verlangden. Nu kan het verlangen om Jezus te zien tweeledig zijn. De Schrift geeft er geen nadere verklaring van welk. verlangen het bij deze Grieken geweest is. Maar het. kan natuurlijk wezen dat het slechts een verlangen geweest is uit eenvoudige belangstelling; meer niet. De Grieken immers hadden reeds zooveel van Jezus gehoord en wat was nu natuurlijker da^n dat zij dien eensdeels zoo gehaten en anderdeels zoo geprezen Rabbi van Nazareth ook wel eens zien wilden. Het spreekt wel van zelf dat als het niet meer was dan dat, het dan niet het rechte verlangen was om Jezus te zien.

Maar het zou ook anders kunnen zijn. Het zou ook kunnen wezen dat deze Grieken met hun heidenschén afgodendienst bedrogen waren uitgekomen, en dat zij ook in het eigengerechtige Jodendom van die dagen niet datgene gevonden hadden, wat zij toch gevoelden dat voor leven en sterven noodzakelijk was. Het zou kunnen zijn dat ook zij door Gods Geest ontdekt waren aan zonde en schuld en dat zij dus nu iemand zochten die hun schuld betalen en hun zonde verzoenen zou. En als dat de wortel was van hun verlangen om Je«us te zier], dan zijn zij in hun begeerte zeker niet beschaamd geworden. Immers dan hadden zij dat willen ziei; ^ van den Heere zelf geleerd. Niemand toch kan tot Mij komen, tenzij de Vader hem trekke. Dat woord is dan ook op onze Grieken van toepassing geweest.

O, gelukkig als diezelfde begeierte om Jezus te zien ook bij ons gevonden mag worden; als wij Jezus das niet maar willen zien, zooals er toch zoo velen zijn, uit bloote~ nieuwsgierigheid of met een uitwendige belangstelling, maar als daar waarlijk, omdat we zondaar werden voor God, een waarachtige zielsbehoefte bij ons gevonden mag worden. Immers als de Heere ons waarlijk ontdekt heeft aan zonde en schuld, dan is het ons ook waarlijk om niemand en om niets anders dan om Jezus te doen.

Wij wilden Jezus wel zien. Het middelpunt blijkt dus ook hier weer te wezen de eenige naam die daar onder, den hemel gegeven is, door welken wij moeten zalig worden. Jezus immers beteekent, zooals we allen weten, Zaligmaker of Verlosser. Indien de Grieken die tot Filippus kwamen dus begrepen hebben wat zij begeerden, dan was dat zeker een bewijs dat zij zichzelf hadden leeren kennen als zondaar voor God, dat zij zichzelf hadden zien liggen in de diepte hunner verlorenheid. Een zaligmaker immers past alléén bij een zondaar; een verlosser past alleen bij een die gebonden is; een redder past alleen bij iemand die in nood verkeert, die zich in gevaar bevindt. Iemand die in waarheid naar Jezus verlangt, heeft dus zichzelf leeren kennen als een zondaar, verloren en verdoemelijk onder Gods heilig en onkreukbaar recht. En zeker, als het zóó bij hen geweest is, dan waren deze Grieken aan het rechte kantoor.

Of is er voor een zondaar wel een andere weg om verlost, behouden en zalig te worden dan de weg die in dien naam Jezus ontsloten is? De Persoon, die door dien naam wordt aangeduid, wordt terecht de schoonste van alle menschen genoemd. De Psalmdichter zegt van Hem: genade is uitgestort op Zijne lippen; de Bruid in het Hooglied getuigt van Hem: alles wat aan Hem is, is gansch begeerlijk. Wie kent niet de rijke zinnebeelden ifraaronder Hij in het Woord des Heeren wordt voorgesteld? Nu eens wordt Hij een wijnstok^ dan weer een rotssteen, dan weer een schat in den akker, dan weer een parel van groote waarde geheeten. Nu eens wordt Hij het licht der wereld, dan weer het brood of het water des levens genoemd. En zou zulk een Jezus, die ^t Brood is, nietj begeerlijk zijn voor iedere hoiigerige, zou zulk een Jezus, die het Water is, niet begeerlijk zijn voor iedere dorstige ziel? Zou zulk een Jfezus, die het Licht is, niet begeerlijk zijn voor iedere ziel, die in de duisternis wandelt? Zou zulk een Jezus, die - de grootste schat is voor tijd en eeuwigheid, niet begeerlijk zijn voor ieder mensch die zichzelf heeft leeren kennen als een arm • en verloren zondaar voor God?

Ja, niet alleen deze Grieken, maar daar zijn nog altoos menschen die Jezus begeeren te zien; die een Zaligmaker behoeven ; die een Verlosser noodig hebben; Daar zijn nog altoos menschen die, bij ontdekkend licht des Geestes, zichzelf hebben leeren kennen in de diepte hunner ellende waarin de zonde hen bracht; en die het nu zoo verstaan dat er'geen andere weg is om uit hun ellende verlost te worden dan de naam van dien Jezus, die eenmaal in hunne ellende is afgedaald en die in al hunne benauwdheden benauwd is geweest.

Want ja, als we een rechte begeerte hebben om Jezus te zien, dan zullen we altoos met een vernederden, met een gekruisten, met een ge vloekten Jezus moeten beginnen. Immers alléén, langs dien weg zullen we met een gekroonden en verheerlijkten Jezus kunnen eindigen.

Dat heeft de Heiland ook dezen Grieken doen verstaan. Immers als Filippus en Andreas tot Jezus gaan met de boodschap dat er Grieken zijn die Hem wenschen t« zien, wat is dan het antwoord des Heeren geweest? Hij zegt niet: laat de Grieken dan maar komen. Hij zegt ook niet: laat ze maar wegblijven, maar dit is het eigenaardige antwoord dat over Zijn lippen komt: de ure is gekomen dat de Zoon des menschen zal verheerlqkt worden. Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft hetzelve alleen, maar indien het sterft, zoo brengt het vele vruchten voort. Met dit antwoord heeft de Heere klaar big keiijk gedoeld op Zyn dood en Zijne wederopstanding en Hij heeft daarmede tot de Grieken willen zeggen dat wie Hem wil zien, eerst iemand ziet in de allerdiepste vernedering om Hem daarna ook te zien als uitermate verhoogd.

Ja, wie Jezus wil zien moet Hem willen zien zooals Hij zichzelf in Zijn persoon, maar ook in Zijn Woord en in Zijn Sacrament te zien gegeven heeft, d.i. een Jezus, die om onze overtredingen verwond en om onze ongerechtigheden verbrijzeld is.

Ach, de meeste menschen willen wèl een Jezus zien met wien zij dadelijk omhoog kunnen, maar niet een Jezus, met wien zij eerst omlaag moeten. De meeste menschen willen wèl een Jezus zien, met wien zij dadelijk naar den hemel kunnen, maar niet een Jezus, met wien zij als 't ware eerst moeten afdalen in de diepte der hel.

En toch wie niet met Jezus sterft, zal nooit met Hem leven; wie niet eerst met Jezus vernederd wordt, wordt met Hem ook nimmer verhoogd. Om waarlijk Jezus te zien, moeten tre Zijn hoofd met doornen gekroond, moeten we Zijn rug met geeselslagen doorploegd, moeten we Zijn handen en voeten met kruisnagels doorboord, moeten we Zijn zijde met een speer doorstoken willen zien.

En ziet, zulk een Jezus willen we niet zien, zoolang we nog geen zondaar voor God zijn geworden. Maar zulk een Jezus willen we wèl zien, als we geleerd hebben dat ons hoofd die doornen heeft verdiend, dat onze rug die slagen en onze hand die nagels en ons lichaam die wonde zich heeft waardig gemaakt. Zulk een Jezus, die Zijn hchaam liet breken en Zijn bloed liet vergieten, willen we. wèl zien, wanneer we maar verstaan hebben dat ons lichaam. onder de mokerslagen van Gods recht gebroken had moeten worden en dat onze ziel daaronder voor eeuwig verloren had moeten gaan.

Ja dan kunnen ook wij niet rusten voordat we dien Jezus waarlijk gezien hebben. Ook op dat woordje „gezien" mag dus wel de nadruk gelegd. De Grieken wenschten ook Jezus te zien. Zij hadden er dus niet genoeg aan of zq al van Hem gehoord hadden. Niet onmogelqk dat zij over het gehoorde ook alweer tot anderen gesproken hadden. Maar ook aan dat spreken over Jezus hadden zij niet genoeg. Zij begeerden Hem te zien; zij begeerden met eigen oog Zijn persoon te aanschouwen.

• Nu was dit voor deze Grieken natuurlijk een zien met het lichamelijk oog. Maar wat zij lichamelijk, begeerden te zien, dat zullen wij moeten zien met het oog des geloofs. Ach of wij Jezus al lichamelijk zien konden, het zou ons toch niet baten, niet waar? Hóevelen toch van degenen die Jezus lichamelijk zagen, die zelfs evenals Judas drie jaar in Zijn omgeving verkeerden, zijn toch verloren gegaan. Ook op den dag der dagen, gij weet het, dan zal alle oog Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben; maar Gods Woord zegt het zoo duidelijk dat het dan door velen zal uitgeroepen worden: bergen valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht desgenen die op den troon zit en van den toorn des Lams.

Een lichamelijk zien des Heeren zou dus, gesteld al dat het u geschonken zou worden, u toch niet baten voor de eeuwigheid. Zal het wel wezen, dan moeten wig den Heere leeren zien met het oog des geloofs dat de Heere alleen ons geven en. telkens weer bij vernieuwing openen kan.

Neen, het is ook voor ons niet genoeg, of wij al van Zijn Middelaarsheerlijkheid hooren; het is zelfs niet genoeg of wij er misschien al breed over spreken en schoon van getuigen kunnen. Wij moeten Jezus willen zien en we moeten niet kunnen rusten' voordat we in waarachtig geloof een blik in Zijn Middelaarshart geslagen hebben. Welnu, als dat in waarheid onze behoefte en onze begeerte mag zijn, dan zullen wé ter Zijner tijd den Koning in Zijn schoonheid aanschouwen. En als we dan in aanbidding aan Zijne voeten zullen nedervallen, ziende wat een rijkdom van genade daar in Zijn Middelaarswerk besloten ligt, wel, dan zal het met de koningin van Scheba bij het zien van Salomo's heerlijkheid, ook onze belijdenis wezen: de helft is mij niet aangezegd.

Welgelukzalig wanneer gij aan dat zien van Jezus geen vreemdeling zijt. Dan blgft het hier een zien door een spiegel als in een duistere rede, maar dan zal het straks een zien zijn van aangezicht tot aangezicht. Dan blijft het hier zelfs met het meest verlichte, geloofsoog, een kennen ten deele, maar dan zult gij straks hierboven kennen gelijk gg daar van voor de grondlegging der wereld ook gekend zijt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's