De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

23 minuten leestijd

Verkeerde voorstelling.

Vooral voor en tijdens de Doleantie werd het dag aan dag gezegd en geschreven: „in de Herv. Kerk is geen sprake van Gods Woord, daar rekent men alleen maar met menschelijke reglementen en voorschriften".

Dat is een beschuldiging die niet waar is. In de Hervormde Kerk rekent men wèl met Gods Woord. In eiken beroepsbrief staat:

„De Kerkeraad, deze beroeping ter kennisse - van brengende, vertrouwt, dat hij deze beroeping opvolgende, na de approbatie van het daartoe bevoegde kerkelijke gezag verkregen te hebben, ten spoedigste tot de Gemeente zal overkomen, om door leer en voorbeeld, bestuur en opzicht, alles te doen wat een herder en leeraar, overeenkomstig Qods Heilig Woord, volgens de verordeningen der Nederl, Herv. Kerk betaamt; inzonderheid door het verkondigen van het Evangelie en het bedienen van den H. Doop en van het H. Avondmaal op de bij de Gemeente vastgestelde tgden enz."

Wat blijkt hieruit?

Dat eï geen kerkeraad, die een beroep uitbrengt, en geen predikant, die een beroep aanneemt, is in ónze Herv. Kerk, of hij verklaart: wij hebben ons te stellen in den weg van Gods Heilig Woord, om, volgens de verordeningen in onze Kerk gesteld, overeenkomstig Gods Heilig Woord het Evangelie te verkondigen en de sacramenten te bedienen.

Gods Heilig Woord moet de regel voor leer en leven zijn, zoowel voor den kerkeraad als voor den predikant.

En de reglementen en verordeningen der Nederlandsche Hervormde Kerk zijn dan de aanwijzing van de wegen langs welke kerkeraad en predikant des Heeren Heilig Woord hebben gehoorzaam te zijn.

Hoe heeft de Kerkeraad zich dus aan te stellen?

Overeenkomstig Gods Heilig Woord, — waarbij de verordeningen der Kerk nadere aanwijzing geven.

Hoe heeft de leeraar het Evangelie te verkondigen en Doop en Avondmaal te bedienen ?

Overeenkomstig Gods Heilig Woord, — waarbij de kerkelijke verordeningen hem moeten dienen om in de juiste wegen te wandelen.

Stel nu, dat de Reglementen — die voorschrijven dat de leer der Herv. Kerk gehandhaafd moet worden — in vele opzichten belemmerend werken en grootelijks moeite geven om alles te richten naar uitwijzen van Gods Woord — dan kan men nooit zeggen: „in de Herv. Kerk is geen, sprake van Gods Woord, doch alleen van reglementen."

Als men dit zegt, geeft men van de dingen een verkeerde voorstelling.

In de Herv. Kerk is wel sprake van Gods Heihg Woord; en ópk is er sprake van reglementen, doch deze — die trouwens in de Geref. Kerken evengoed voorkomen — moeten dienen om alles naar Gods Heilig Woord ts richten en te doen.

Blijken ze daarin dan belemmerend of verwarrend te werken — dan is de weg aangewezen: de reglementen moeten dan zóo veranderd worden, dat Gods Heilig Woord niet in 't gedrang komt, doch dat èn de prediking èn de sacramentsbediening naar het Woord geschieden kan.

Dat is ten slotte het grondprincipe in de Herv. Kerk.

En dat grondprincipe hebben we niet los te laten I

Niet vrij.

In „de Geref. Kerken" gaat men er zoo groot op vry te zijn.

Maar als bewijs, dat mede met het oog op de Vrije Universiteit, men daar niet vrij is, diene het volgende.

Op de Synode der Geref. Kerken, gehouden in het jaar 1908 te Amsterdam, is den 3den Sept. tusschen de Geref. Kerken en de Vereeniging voor Hopger Onderwijs op geref. grondslag een contract gesloten, waarin bepaald is, art, 13, dat de Kerken zich verbinden om de gewone en buitengewone Hoogleeraren der Theol. faculteit der Vrije Universiteit uit te noodigen om als adviseerende leden in haar Generale Synode zitting te nemen.

Dat is inderdaad een wonderIijk contract.

De Vereeniging voor Hooger Onderwijs heeft alzoo, bij contract, een zekere vaste positie verkregen in het kerkelijk leven onzer gescheiden broeders.

Een zekere voogdij is door de Geref.. Kerken aanvaard, waarbij een zekere invloed der Vrije Universiteit —-welke niet van de Kerken uitgaat — is verzekerd.

Wat vroeger de Staat deed door commissarissen politiek te zenden ter Synodale vergadering, doet nu de Vereeniging der Vrije Universiteit, Want vroeger gold (art 50 Dordtsche Kerkorde): „DeKerk, die verkoren is om de Generale Synode samen te roepen... zal de Hooge Overheid intijds te kennen geven, opdat met haar weten en met advies van hare gedeputeerden besloten worde."

Zet men nu voor de „Hooge Overheid" in de plaats de „Vereeniging voor Hooger Onderwijs" en voor hare „gedeputeerden" de „gewone en buitengewone Hoogleeraren der Theol. faculteit der Vrije Universiteit" dan heeft men wat nu art. 13 van het contract van 1908 bepaalt.

-Eigenlijk toch een vreemde geschiedenis !

Een Vereeniging, die zich overigens tot niets bindt, moet door de Kerken uitgenoodigd worden om op elke Generale Synode haar theol. professoren te zenden als adviseerende leden.

Wat voor die Vereeniging een fortuintje is.

Zij is er zoodoende altijd bij en zit vooraan.

Maar het is een eigenaardige vrijheid van de gescheiden e Kerken,

Soms komt die wanverhouding dan ook klaarlijk uit.

Een inzender in „de Wachter" zegt er o.a. dit van:

„De kerken gebonden en de vereeniging. blijft vrij. Komen de Professoren der V. U op de Synode dan moeten de reisen verblijfkosten niet door de vereeniging maar door de kerken worden betaald.

Hebben de Professoren behoefte om op een of ander onderwerp in de. Synode te influenceeren, zij hebben een doorloopend gratis-abonnement om voor een paar dagen over te komen, en geven' zich op als sprekers en als dat doel bereikt is, vertrekken zij weer naar hartelust. Zij zijn in alles vrij, alleen de kerken zijn gebonden door het contract.

En dat die Amsterdamsche heeren van dat recht gebruik maken, bewijst de laatste Synode toen alle Professoren en oud-Professoren ter Synode togen om tegen het doctoraat der kerkelijke Hoogeschool te adviseeren.

Als morgen aan den dag onze School en de Vr. U. of de vereeniging en de kerken elkander tegenstrgdige en bestrgdende belangen in 't leven roepen, dat het belang der kerken in botsing komt met het belang der vereeniging of het belang van eigen Hoogeschool in botsing komt met de Vrije Universiteit, dan hebben wij in de behandeling van het Doctoraat een voorspel van de dingen die komen zullen, en dan zullen de kerken het loodje moeten leggen.

Ik meen, mijnheer de Redacteur, dat het dringend noodig is dat deze zaak nog eens weer worde gebracht onder de oogen van de Wachter-lezers, en nog eens weer worde besproken.

Mij dunkt, dat onze Generale Synoden niet mogen bestaan uit een combinatie van deputaten van kerken en van een particuliere vereeniging. De kerken moeten zelfstandig en vrij zijn. Zij zgn naar Gods Woord tot vrgheid geroepen.

Ds. Diemer schreef hiervan indertijd: wij hebben hier te doen met een kerkelijke ketterij waaraan de Generale Synode van 1908 zich heeft schuldig gemaakt.

Zij had geen recht om alle volgende Synoden te binden aan hetgeen zij in 1908 meende noodig te zijn. Wie' öf welke Provinciale-, Klassikale-of Kerkeraadsvergadering of welke instructies gaven daartoe de Synode het recht?

Het is aangenomen en geteekend zonder opdracht of instructie of ruggespraak met de kerken".

Er zijn toch eigenaardige verhoudingen in , de Geref. Kerken", waaraan de Vrije Universiteit niet weinig schuld heeft.

't Lijkt soms wel, alsof alles enkel eii alleen om de Vrije Universiteit draait.

Een gemeenschappelijk ideaal.

Dat gebeurt niet veel, dat we eens hartelijk aan het adres van de modernen zeggen kunnen: we zijn het geheel met u eens!

Dat spijt ons. Te meer waar het juist élk oogenblik zou kunnen voorkomen.

Verbeeld u eens, dat de modernen in onze Herv. Kerk telkens verklaarden: we zijn het in zake de hoofdwaarheden van het christelijk' geloof volstrekt niet eens met den Bijbel, met de 12 geloofsartikelen, met den Catechismus, met het Doopformulier, met het Avondmaalformulier enz. enz. — dan zouden we zoo recht hartelijk telkens kunnen zeggen: wat ge daar zegt is volkomen waar; we stoelen niet op één v/ortel, we leven niet \ uit één beginsel, 'we zijn in zake de Waarheid niet elkanders geestverwanten, we hooren niet bij elkaar in één Kerk.

Hoe eenvoudig en waarl

Eu hoe hartelijk zouden we dan spoedig tegen elkaar kunnen zeggen: vaarwel!

Maar jawel, de Modernen bedanken er voor om zoo de positie recht te stellen.

Ze draaien er altijd om heen.

Ze draaien er altijd om heen. En zoo wordt niet gezegd, wat gezegd moest worden; zoo wordt niet gedaan, wat gedaan moest worden; en in plaats dat we vriendelijk , groetend uit elkaar kunnen gaan, moeten we vechtend bij elkaar blijven. Och, arme!

Doch „de Hervorming" heeft nu weer eens een zet gedaan, waarbij we zeggen kunnen: we zijn het geheel met u eens!

En dat verkwikt weer een weinig. Ook gefeft het weer moed. 't Doet de hoop levendig worden, dat we toch nog wel eens "tot overeenstemming zullen komen en dat we nog wel eens, elkander vriendelijk groetend, ieder onzen eigen weg kunnen gaan bewandelen.

Wat zou dat heerlijk zijn!

, De Hervorming" — het blad van den Protestantenbond — heeft ook z'n oordeel gezegd over het optreden van ds. Netelenbos in de Herv. Kerk te 's Gravenhage. , De Hervorming" ziet daarin een toenadering tusschen de Gereformeerde Kerken en de rechtzinuigen in de Hervormde Kerk, en zegt dan: „Gelijk ieder begrijpt zal de toenadering voorloopig zoo'n vaart niet nemen. Daarmee zouden jaren gemoeid zgn, vooral in ons vaderland. Maar allicht dringi de vraag zich op: Zou zij wenschelijk zijn? "

Eu dan geeft het Orgaan van den Protestantenbond op die vraag: zou 't wenschelijk zijn dat er toenadering kwam tusschen de Gereformeerde Kerken en de Hervormden? het volgende antwoord:

„Dat is zoo in 't algemeen niet te zeggen. Het hangt ervan af aan welken kant men staat en van welken kant men de zaak beziet. De belangen der Gereformeerde Kerken zijn andere dan die van de Ned. Herv. Kerk. En binnen beide kampen-zijn wederom belangen en inzichten niet weinig verdeeld. ; In onze kringen echter bedoelt men, met genoemde vraag wel dit: Zou voor de vrijzinnigen en de modernen in de Ned. Herv. Kerk eene toenadering tusschen deze .Kerk - en de Gereformeerde Kerken gevaarlijk zijn?

Uit het oogpunt van vrijzinnig-kerkelijke politiek zeer zeker. Macht en invloed der rechterzijde zouden erdoor stijgen en de toestanden en uitzichten voor de Vrijzinnige Hervormden zouden er lang niet beter op worden. Iets waarover men, gelijk voor de hand ligt, niet lichtvaardig hebbe te denken."

Echter zou het blad voor de algemeen-kerkelijke toestanden een toenadering als, waarvan hét geval Netelenbos het zinnebeeld zou kunnen zijn, zeer wenschelijk vinden. „Indien, " zegt het blad, „heel de gereformeerde massa der Gereformeerde Kerken en de orthodoxie uit de Ned. Herv. Kerk, welke laatste vanwege het vrijzinnig element zoo groote, ook door ons niet gewenschte, belemmering ondervindt, indien deze twee, die toch bij elkaar' behoóren, eens konden samengaan en samenwerken naar eigen wenschen en verlangens, verlost van wat haar, althans m de Ned. Hervormde Kerk, hindert als het ongeloovige blok aan ' 't been! En indien, aan den anderen kant, het vrijzinnig protestantisme eens zijn eigen weg kon gaan, los van knellende banden, uitgeleid uit toestanden, tengevolge van wefke bij velen godsdienst zich dreigt op te lossen, indien al niet zich opgelost' heeft, in dogmatisch anti-orthodox strijdleven, - wat zou dat een heerlijk verschiet zijn!" | In die gedachtengang van „de Hervorming" kunnen we inkomen en we zijn  het in deze hartelijk eens met het orgaan der Protestantenhouders

Ja, de Gereformeerden buiten onze Hervormde (Gereformeerde) Kerk hooren bij ons, die in de Herv. Kerk naar Schrift en belijdenis wenschen te leven! En in het midden van de Hervormde (Geref.) Kerk, met haar gereformeerde leerstelligeen liturgische geschriften, zou het bij goede saamwerking heerlijk kunnen gaan in de richting van onze gereformeerde beginselen.

Dan zou de Gereformeerde Kerk van Nederland, van ouds door den Heere hier in dezen lande geplant en sinds bewaard, weer heerlijk kunnen opbloeien heel het volk van Nederland tot zegen.

En de Modernen, die anti-gereformeerd zijn, levend uit geheel endere beginselen, zouden saam, op eigen terrein, zich kerkelijk kunnen inrichten zooals hun hart begeert, waarbg een vrije ontwikkeling van elk beginsel zou komen met prestatie van eigen kracht

Allen die leven uit één en hetzelfde beginsel, dat naar Gods Woord is en nader is uiteengezet in onze belijdenisschriften, bij elkaar in ééa Kerkgemeen*schap, dat lacht ons toe!

En allen die principieel en welbewust leven uit andere beginselen afzonderlijk in eigen kerkelgk verband — dat vinden we een ideaal om 't er voor op te nemen.

Kunnen we er saam niet naar staan, om dat ideaal spoedig werkelijkheid te maken?

In verband met de herdenking van het feit en de beginselen der Hervorming, voor 400 jaren naar voren gekomen en openbaar geworden, is het wel de moeite waard om er eens onze aandacht aan te schenken.

Bij elkaar, wat bij elkaar hoort. Niet bij elkander, wat niet één is. Zoo komen we in den weg... Zoo komen we uit de ellende. Waarbij wij ons gaarne houden aan Gods Woord als hoogste autoriteit.

Vrijheid in Prediking en Kerklied.

In menige Afgescheiden gemeente was het vroeger gewoonte om Hervormden, die in eigen kerk geen bevrediging vonden, tot het Heilig Avondmaal tóe te laten.

Evenzoo was wederkeerig het prediken van Afgescheiden leeraars in Hervormde gemeenten en. omgekeerd, geen zeldzaamheid. Reeds de Synode der Afgescheiden Kerken, gehouden te Franeker, had het noodig geacht de volgende motie aan te nemen: „De vergadering-oordeelt, dat de leeraar, die in eenige plaats predikt, waar de Heere een Christelijk Afgescheiden Gereformeerde gemeente heeft verzameld, zonder dat die leraar de toestemming des kerkeraads der plaats heeft ontvangen, zich aan groote miskenning van des Heeren werk schuldig maakt." (Handelingen der Synode 1863, art. 84, al. 2)..

Maar velen stoorden zich daaraan niet. Zoo leidde de jonge Brummelkampte Tiel op Dinsdag 6 Sept. 1865 een bidstond in de Schotsche Zendingskerk te Amsterdam. Ook liet hij in de week der gebeden (1866) meest Hervormde predikanten uit den omtrek, zooals dr. Kuyper te Beesd en dr. Bronsveld te Ophemert, voor zijn gemeente optreden. Op het meest onverwacht, zonder eenig overleg met den kerkeraad, gaf hij bij een gods-dienstoefening een gezang op en gedurig Preekte hij in hervormde Kerken (Dr. G. de Keizer, uit de geschiedenis der Geref. Kerken, Kampen, blz 90-100). ,

In hoge mate tolerant jegens de afgescheidenen was de Hervormde predikant F. W. Smits. In zijn eerste gemeente Uitwijk en Waardhuizen leefde hij in innige vriendschapsbetrekking met den Afgescheiden leeraar Penning.  Ook liet hij te Baarn, waar hij later stond, ds. Jagt, den blinden leeraar der Afgescheidenen, voor zich optreden. Toen deze den kansel beklom zong de gemeente Gezang 91:3 : „Och, dat Uw Geest den leeraar sterk."

Te Hellevoetsluis kerkte een diaken der Afgescheiden gemeente, die 's morgens in  eigen gemeente voorging, des middags bij ds.Smits in de Groote Kerk.

Ds. I.H.Gravensetyn, Herv. predikant te Serooskerke preekte m 1867 voor zijn stiefzoon B.C. Felex. Afgescheiden predikant te Bolsward, en hij schreef later: „onder de Afgescheiden leeraren tel ik lieve vrienden en broeders" (12 Dec. 1867). En ds. Hasebroek, Herv. pred. te Amsterdam noodigde den Afgescheiden predikant van Doetinchem uit om op den Zondag voorafgaande aan de vergadering van de Evangeliische Alliantie (1867) voor hem te preeken in de Oosterkerk, aan welk verzoek door ds, v, Dijk werd voldaan.

Een zékere mate van vrijheid werd alzoo gevonden in zake het over en weer preken en spreken.

En meer dan één der afgescheiden predikanten was over het besluit van de synode van Franeker(1863) maar slecht te spreken.

Ds. Hettema te Arum schreef 17 Juni 1869: „in de bijna verstikkende levenssfeer onzer Afgescheidene gemeente, gunstige uitzonderingen voorbehouden, kan ik bijna niet meer aderhhalen."

Ook wat het zingen van Nieuw Testamentische liederen betreft, werd er in de kringen der Afgescheidenen een zekere mate van vrijheid gevonden. En niet onduidelijk liet men uitkomen, dat men er naar verlangde om naast de Psalmen Nieuw-Testamentische liederen te zingen met de Gemeente.

Zoo werd op de Classicale Vergadering der Afgescheiden Kerken, te Zutfen gehouden, den 19den. October 1865 dit voorstel ingediend: „De kerkeraad te Doetinchem gevoelt met zeer vele andere broeders in de Gescheidene Kerken op feesten of bij bijzondere gelegenheden behoefte aan gepaste kerkgezangen in den geest van het Evangelie der vervulling, zooals reeds enkele bij de psalmen worden gebruikt. De kerkeraad wenscht, dat door tusschenkorast der Classis op de a s. provinciale vergadering en van daar in den wettigen kerkelij ken weg op de vergader ring der Synode worde gebracht een met aandrang en reden omkleed voorstel, dat de Synode, om daarin te kunnen voorzien, eene commisde benoeme uit leeraars en leden der Kerk ter vervaardiging en verzamehng van een bundel gezangen tot kerkelijk gebruik, zonder evenwel dat gebruik verplichtend te maken, terv/ijl die commissie zich verplichte op een volgende Synode den verzamelden bundel in te dienen, teneinde in overleg te treden met deswegens ingewonnen berichten van alle kerkeraden, hieruit eene besliste keme geschiede. En zoo de Synode daartoe niet kan besluiten, dat zij dan vrijheid geve aan iedere gemeente en kerkeraad om uit Christel. Gezangen als van da Costa en andere godzalige mannen voor eigen rekening een bundeltje te verzamelen ten einde daardoor te voorzien in eigene behoefte en te voldoen aan de begeerte van hen, die als leden der Gemeente recht hebben dat te verzoeken en de openbaring van Christelijke vrijheid ook daarin betoond worde. Reden te meer dewijl onze broeders in Duitschland, Zwitserland, Frankrijk, Engeland en Schotland en ook de Presbyteriaansche Kerk, met welke wij zoo nauw verwant zijn, gezangen gebruiken. Zou dan de Gescheiden Kerk in Nederland daarop eén uitzondering maken? Dat mag niet, dat kan niet."

Besloten' werd op de classis om het voorstel door te zenden naar de provinciale Synode.

De Openbare School onaannemelijk.

De School, ook de Openbare School, is inrichting van onderwijs, maar óok van karaktervorming, van opvoeding.

Een onderwijsinrichting waar onderwijs gegeven wordt zonder tegelijk de karakters der kinderen te vormen en de kinderen op te voeden, bestaat niet. Dat iseen onding.

De onderwijzer of onderwijzeres is immers geen macbiiie. 't Zijn personen, zelf met karakter, zelf met overtuiging, zelf met inzicht iïi de verhoudingen van het leven, zelf met een blik op alles wat den kinderen straks-wacht. En als zoodanig staat de onderwijzer of onderwijzeres ook voor de klas.

Ook voor de opvoeding dient de School dus.

Maar nu heeft men op de Openbare School het godsdienstig element uit het onderwijs en uit de opvoeding weggenomen, 't Mag niet openbaar worden of de onderwijzer een spotter of een bidder is. 't Mag niet blijken hoe hij denkt over het Opperwezen, over de schepping, over het heden en-v over de toekomst. Allé godsdienstig voelen moet bij denken en spreken uitgebannen zijn.

Eigenaardig toch.

Het geboortejaar van Christus heeft heel de wereldgeschiedenis een keer gegeven.

Vandaar dat we bij onze jaartelling ook beginnen bij het geboortejaar van den Heiland.

En nu mag de onderwijzer op de Openbare School niet als rniddelpunt van alles voorstellen Jezus Christus en dien gekruisigd.

Bij heel de opvoeding, bij de zedelijke vorming van het kind moet de Bijbel en de Christus genegeerd worden, 't Is alsof de Bijbel niet bestaat, 't Is alsof Jezus niet bestaat.

We voelen dat dit een onvolledigheid geeft in onderwijs en opvoeding waarmee wij, christenen, onmogelijk genoegen kunnen en mogen nemen. Voor allen, die de godsdienstige ontwikkeling als den hoofdfactor der zedelijke vorming beschouwen is zoo'n opvoeding onaannemelijk en is zoo'n School onbruikbaar.

Waar men uitbant wat God zelf als het voornaamste van alks ons heeft geopenbaard, waarvan ook de Geest mede getuigenis geeft in onze harten — is een plaats waar wij onze kinderen niet mogen heenzenden.

Nu is het jammerlijke, dat deze verwaarloozing van het voornaamste element in de opvoeding onzer kinderen, op de Openbare School geschiedt op voorschrift van de Overheid.

Bij wettelijk voorschrift wordt men op de Openbare School tot deze jammerlijke verwaarloozing van het voornaamste element in de opvoeding gedwongen, 't Is alzoo voorgeschreven. En 't moet overal op de Openbare Scholen zoo geschieden.

Dat is zoo onpaedagogisch mogelijk.

Dat maakt die Openbare School tot een onding.

En het schijnt, d^t men dat bij de nieuwe Schoolwetregeling alzoo wil bestendigen : de Openbare School in onderwijs en opvoeding zonder godsdienstig element!

Schrift en ervaring wijzen den kinderleeftijd aan als het tijdperk, waarin de godsdienstige ontwikkeling moet worden begonnen.

De dingen komen dan voor den geest van het kind in verband te staan De grondslagen voor heel het verdere leven worden dan gelegd. De vragende en onderzoekende geest interesseert zich voor de dingen en het hart moet gevormd worden naar de binnenste overleggingen die vele zijn

Maar dan mag de Openbare School niet*spreken over, God en Zijn dienst, over des Heeren Woord en Zijnen Christus, over wedergeboorte en vernieuwing des geestes — het godsdienstig element moet geheel uitgebannen worden bij de vorming van de kinderziel en bij de ontwikkeling ziins geestes.

Dat mogen en kunnen we niet goedvinden.

De Openbare School is zoodoende een ondisrwijsinrichting welke eigenlijk voor niemand bruikbaar is.

Want wie wil nu een kleuiiooze opvoeding voor zijn kind?

Niemand.

En daarom is het onbegrijpelijk, dat de Overheid tot haar school proclameert een onderwijsinrichting waar de stevigheid aan de zedelijke ontwikkeling van de kinderen des volks ontbreekt.

Dat is haar dwaasheid tot op dezen dag.

Dat is een ernstige fout van de Regeering.

Een fout, tot schade van het volksonderwijs en zoo van het nationale leven.

Waarom 't ook een. zaak van nationaal belang is, dat er bizondere Scholen komen waar men van endere paedagogiscbe be ginselen uitgaat — waarbij wij voor onze gedoopte kinderen niet anders begeeren dan de School met den Bijbel.

Daar worden onze kinderen onderwezen.

Daar worden onze kinderen opgevoed en gevormd.

Dat is een School met een ruggegraat.

Terwijl de Openbare School als paedagogiseh instituut zonder kleur, zonder karakter, zonder kracht is

't Is een onding; maar de lieveling nog van de Nederlandsehe Regeering, die hiermee helaas! bewijst niet het i-echte begrip te hebben van de opvoeding van de kinderen onzes volks.

Een goed voorbeeld.

In de School m. d. Bijbel van 5 Juli j.l. geeft de heer Wirtz'een kijkje in een vergadering van een Schoolbestuur.

"We laten het hier volgen, zooals de heer Wirtz het gaf. Hel spreekt voor zichzelf! - -

Plaats van 'handeling: een vrij grote kamer in het dorpje X. Personen: de leden van het bestuur van de school met de Bijbel te X. *

De vergadering is geopend, de notulen zijn gelezon en goedgekeurd. Aan dé orde is punt 6 van het agendum: . De salarissen der onderwijzers.

De voorzitter: „Mijne heeren! Ik heb dit punt op het agendum gebracht, omdat ik overtuigd ben, dat de salarissen van onze onderwijzers te laag zijn. Ze waren dit al voor de oorlog en in deze tijd komt dit sterker uit. Ü hebt gezien, wat mijn voorstel is. 'k Wil het nog wel even herhalen. Het aanvangssalaris wordt f 600 en dan na 2, 4, 6, 8, 10, 15 en 20 jaar wordt dit: f 650, f 700, f 800, f 850, f925, f 1000 en f 1075. Verplichte hoofdacte f 200, niet verplichte f 100. Diploma-Schoolraad of Kweekschooldiploma met handtekening van het Gereformeerd Schoolverband f 25. Gehuwd en 28 jaar f 75 voor woninghuur. Vereischte taaiakte f 150

We hebben het. hoofd van onze school in~ ons midden en 'k vraag allereerst zijn advies."

Het hoofd der school: „Mijnheer de voorzitter! Allereerst moet ik u mijn dank betuigen, dat u deze kwestie aan de orde gesteld hebt zónder dat de onderwijzers daarom gevraagd hebben. Dit is een bewijs, dat het bestuur geheel met het personeel meeleeft en ' van die samenwerking verwacht ik veel goeds. Wat de regeling betreft, die is over 't geheel billik. 'k Zou nog wel kunnen opmerken, dat f 25 voor het diploma van Schoolraad of Geref. Schoolverband wel wat weinig is; maar 'k geloof, dat bet beter is niet té veel in biezonderheden te treden om 't geheel niet in gevaar te brengen. En daarom zal ik volstaan met u hartelik te danken voor uw voorstel en 'kweet zeker dat de onderwijzers u eveneens dankbaar zullen zijn."

De voorzitter: „Wie wil nog het woord over dit voorstel? "

„Ik wel, voorzitter."

„Broeder Kruidenier heeft het woord"

„Ja, voorzitter, ik ben het wel met u eens, dat de salarissen te laag zn^ maar is deze sprong niet wat groof? Zouden we de verbetering niet liever Iji tweeën aanbrengen? "

De voorzitter: „Ja broeder Kruideniej. dat is ook mijn bedoeling. Wat ik jjy voorgesteld heb, beschouw ik als ^^ eerste stap en 'k ben van plan over êéü of twee jaar de tweede stap te doe-a ea weer verder te gaan dan nu voorgesteld is. 'k Geloof zelfs, dat er dan nog een derde en vierde stap op zal moeten volgen, "

Broeder Kleingeld: „Laat de kas het toe, voorzitter, om die.. regeling in tg voeren ? "

De penningmeester: „We hadden het vorig jaar f 35 te kort en 'k hebuitge. rekend, dat we dit jaar f 500 te kort komen, als dit stuk van 't voorstel aangenomen wordt; vermoedeük zal het hele tekort f 700 worden Maar dan moe. ten we er allen op uit om contributie, verhoging te gaan vragen bij de leden. Als we overtuigd zgn, dat deze regelino noodig is, oan moet het geld er komen, En niemand zal toch beweren, dat deze salarissen te hoog zijn."

Verder vroeg niemand het woord.

Het voorstel weid bij acclamatie aangenomen en aan het hoofd der school verzocht nu heen te gaan, omdat men nog even over zijn salaris wou praten,

Een uur later: De voorzitter komt ia de woning van 't hoofd „Mijnheer Y, Het Bestuur heeft ook uw salaris herzien. Die regeling is aldus: Aanvangssalaris f 1100; na 5 dieustj. f 1200; na 10 dienstjaren f 1300; na 15 dieustj f 1400; na 20 dienstj. f 1500; ook f25 voor diploma Schoolraad of Ger. School verband en f 150 voor vereiste taaiakte, "

De vrouw, die juist bezig was een nieuwkruis in een jongensbroak te zetten, maar telkens ondervond, dat een nieuwe lap op een afgedragen broek zo slecht wil houden, was al aan het optellen: „15 dienstjaren, dat is f1400 plus f 25.plus f 150, dat is f 1575 met vrije woning 1 Eu dan nog de kindertoeslag van 't Rijk!-Dan ga 'k morgen een nieuwe broek voorde jongen kopen!"

En meester Y? Hij dankte de voorzitter hartelik en zei o a.: „Vooral hei feit, dat niemand van het personeel over het salaris met het bestuur gesproken heeft en dat alles uit eigen beweging is gedaan, geeft.aan de regeling een hoge waarde, 'k Geloof wel, dat we nu zo ver zijn, dat we kunnen leven van de school, dan acht ik het ook mijn plicht te leven voor de school en te bedanken voor bijwerkzaamheden, die een ander ook wel doen kan."

Aan de aTorrd van die da^ ^fcDïeWef twee mensen neer en dankten God, dat Hij hun weg zo geleid had, dat ze terecht gekomen waren in een dorp, waar zulk een heerlik medeleven te vinden was, waar bestuur en personeel samenwerken in 't geloof, dat ze allen een roeping hebben te vervullen voor de school.

Een dag later. Even na 12 uur komt de eerste onderwijzer thuis; heeft geen tijd om te groeten, maar roept al dadelik, terwijl hij de deurknop in de hand heeft: „Vrouw, 'k heb opslag, 'k verdien nu dertienhonderd viif en zeventig gulden en dan nog driehonderd en zeventig gulden toeslag door het wetje Heemskerk!

Onder het tafelgebed keken een paai van de kinderen elkaar even aan: Vader deed zo raar; bij hield telkens even op en-moeder pinkte een traan weg: toch waren ze niet ondeugend geweest! Onder 't eten van de rijst stootte Mietje haai grote broer even aan, trok een raar gezicht, dat door hem vertaald werd als te beteekenen: „aangebrand". Maar vader en moeder proefden dat niet eens. 'Wel stond moeder op, ging naar de keukeskast en kwam terug met een bord spek:

„Hier jongens, elk een lekker stuk spek; 't kan wel lijden vandaag". Dat was een feest: midden in de week een Zondags' maal!

En nu de toepassing? Die make ieder voor zich zelf. Ik heb het mijne gedaan: het gordijn valt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's