Stichtelijke overdenking.
Ik zal de hinkenden behoeden en de uitgestootenen verzamelen. Zef. 3 : 19m.
Onder de hoede van Israels God
Ge hebt zeker wel eens die schoone bladzijde uit het levensboek' van koning David gelezen, waarin ons meegedeeld ffordt hoe. de vraag door herh werd gesteld: „is er nog iemand overgebleven van den huize Sauls, dat ik weldadigheid aan hem doe om Jonathans wil? "
Ja daar was er nog een.
Ziba, Sauls knecht, wist waar hij wegschool. Ge moet n.l. weten dat het gold als eene vaste wet in al de lauden, dus ook in Israël, dat de overgeblevenen van een vervallen vorstenhuis ten doode stonden opgeschreven. Deze toch waren de pretendenten naar de kroon, vandaar dat ze niet dan weggescholen konden leven. Kwam het uit waar ze toefden, zoo was het spoedig met hun leven gedaan.
Ziet, zoo laat zich Davids vraag volkomen verstaan: „is er" ook nog iemand overgebleven ? "
Ziba wist de plaats wel te wijzen waar een eigen kind van Jonathan was verborgen: Mefiboseth.
Wat een schrik als een der koninklgke hovelingen verschijnt in het onaanzienlijke Lodebar met déze woorden: „gq moet u bij den koning melden, Mefiboseth."
Nu zijn mijne levensdagen geteld, aldus de overlegging bij Jonathans zoon. Ge kunt dit zoo duidelijk speuren uit Davids eigen woorden: „vrees niet, want ik zal zekerlyk weldadigheid bij u doen om uws vaders Jonathans wil, en ik zal tt alle akkers uws vaders Sauls wedergeven en .... nu komt het allerwonderlijkste — gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel".
Mefiboseth ingeleid in des konings paleis, aanzitten aan de koninklijke tafel; waakt of droomt hij ? Is het ernst of bittere spot?
Hier is slechts één antwoord: „de koning heeft het gezegd."
Kan het u verwonderen dat hij, die zich ten doode zag opgeschreven, die van niets ter wereld zigne gedachten verder zag afbuigen dan van aanzitten aan des konings tafel, dat hij zich nederboog met , wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt Baar een dooden hond als ik ben." Hier is slechts ééne zaak, die alles verklaart, en dat is deze: daar was een ver bond gesloten tusschen David en Jona^ than, en daaraan gedacht David.
Ge zult het u wellicht herinneren. David was nog een vluchteling voor Sauls aangezicht, en hij klaagde zijn nood aan zijn vriend Jonathan: „wat heb ik gedaan, wat is mijn misdaad, dat uw vader mij zoekt te dooden ? Hij zal straks gewisselijk mij dooden". .
Neen, zoo luidt de vertroosting, gij zijt aangewezen om in mijne plaats koning te worden over Israël.
Denkt u dit eens in, lezers. Jonathan ziet dit aan zonder eenige afgunst. Hij zegt' »gij zult koning worden, maar nu heb ik ééne begeerte: doe weldadigheid aan mij en mijn huis. Snijd niet af."
En ziet, toen werd dit verbond gesloten. Waaraan nu wordt gedacht.
Mefiboseth plukte de vruchten van Davids en Jonathans liefde. Hij had in zichzelven geene geschiktheid, hij was er ganschelijk de man niet naar om geregeld ten paleize te vertoeven, nog veel minder om aan te zitten aan des konings tafel. Hij was nl. kreupel aan beide zijne voeten.
Toch was hier zijne plaats.
Heerlijk zoo bevoorrecht te worden om zijns vaders wille.
In deze schoone bladzijde wordt ons eene vergelijking geboden. Daar is op deze wereld ook een volk, dat wegschuilt, dat weet: als de Koning naar recht met mij handelt is het met mijn leven gedaan, maar „waaraan een band is aangelegd, welke nooit kan worden geloochend. Zij hebben deel aan Chrïstus. Hier is een eeuwig verbond gelegd. Hoewel zij in zichzelven van alle waardigheid zijn ontbloot, zelfs kreupel in al hun gangen, is er toch een zoeken om hun weldadigheid te bewijzen. Daar is een oproep tot hen uitgegaan; zij moeten ten paleize verschijnen, zij mogen zelfs aanzitten aan des Konings tafel.
Hoe zou dit toch kunnen?
Luistert naar het Woord des Heeren, zooals dè profeet Zefanja het mocht hooren: „Ik zal de hinkenden behoeden en de uitgestootenen verzamelen."
Hier is een rijke vertroosting voor ieder waarachtig bekommerde te vinden. De Heere komt hier Zijn arme kleinen op zijde en fluistert hun in het oor, wat hun bange ziel zo gaarne beluisterd.
Hij weet wat ze behoeven.
't Blijft al de eeuwen door precies hetzelfde. Of staat hier niet, in ditzelfde hoofdstuk: Ik - zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk: die zullen op den Naam des Heeren betrouwen.
Dit in zichzelven arme volk ontvangt zulke rijke toezeggingen, zulke heerlijke vertroostingen.
Laat ons dit woord eens van naderbij beluisteren.
't Is wel iets bizonders, mij dunkt, het moet ieder, die Gods Woord naspeurt, wel eens zijn opgevallen, hoe vele toezeggingen er zijn opgeteekend voor de gebrekkigen en hulpbehoevenden.
Hier staat nu een woord, dat met „hinkenden" is weergegeven. Zij zijn niet vaardig in hun gang. Zij kunnen niet gaan zooals zij willen. Zij zijn zóó, dat de wereld met hen de draak steekt.
In de Schrift vindt ge hiervan meer dan één voorbeeld. Daar hebt ge een Mefiboseth. Naar eigen oordeel was hij geheel ongeschikt om in de schaduw van het koninklijk paleis te wonen, om van het aanzitten aan des konings tafel nog niet eens te spreken. Dat kon niet, dat was onmogelijk. „Wie is uw knecht", zoo roept hij uit, dat gij omgezien hebt naar een dooden hond als ik ben."
We zouden u evengoed hebben kunnen noemen een Jakób, nadat hij in Pniël is geweest. We lezen immers ook van hem dat hij hinkende was aan zijne heup.
Dit geeft wel iets te denken.
Na de worsteling met den Ongeziene is hem de heup verwrongen. Hij heeft geene kracht meer zooals voorheen. Hij kan voor zich zelven geen pad meer banen. Hij is in alles een toonbeeld geworden van afhankelijkheid. We zouden het ook kunnen weergeven: „een gebroken mensch."
Zoo zijn er meer in deze wereld die hinkende werden gemaakt. Zij zijn zóó geworden, sedert de Heere hun de oogen heeft geopend. Hun gang is zoo gebrekkig. Zij kunnen niets meer goed doen.
't Is onder menschen reeds zoo, dat niemand daarin eenige schoonheid kan ontdekken. Ieder zoekt dit gebrek te verbergen.
Maar als ge dit nu eens op geestelijk terrein ziet overgebracht. Hebt ge wel eens gelezen wat er staat in Leviticus omtrent het ingaan in Gods heiligdom? De man, die staan zou voor Gods aangezicht, mocht niet hebben eenig gebrek. Woordelijk kunt ge 't aldus lezen: „geen man in wien een gebrek zijn zal, zal naderen, hetzij hij blind zij, hetzij kreupel."
Dit is natuurlijk een vingerwijzing naar het geestelijke.
Zoo wordt het in het leven van Gods kinderen ook openbaar. Door het licht van Gods Woord en Geest worden ze steeds meer en steeds dieper overtuigd dat, wie voor Gods aangezicht zal verschijnen, komen moet zonder eenig gebrek.
„Weest heilig, want Ik ben heilig." Maar nu dagelijks te ervaren:
Ik ben tot hinken en tot zinken Ieder oogenblik gereed, 'k Heb mijn smart en onvermogen Steeds voor oogen.
Waar daar mee heen?
Wanneer in de prediking gesproken wordt van des menschen ellende, zijne booze lusten en neigingen, zoo moet hij immer belijden: „zoo ben ik." En als daarop nu volgt: zulk een is waardig te worden buitengesloten, dan is er naast een belijden: „ook hierop mag ik niets afdingen", toch nog iets wat hij maar nooit kwijt kan: „ Heere, ik zou het toch zoo anders begeeren. Ik zou willen wandelen in het pad Uwer geboden, maar dit te doen vind ik niet. Als een hinkende, een kreupele aan béide zijden, ga ik door het leven." Vandaar dat een zoodanige het onder de prediking, waarin Christus niet het één en het al is, zoo kwaad kan hebben.
Waar zal het zonder .een Borg, zonder een Behoeder met hem uitkomen. Ja dat is het vertroostende in de prediking, wanneer de Heiland hem wordt aangeprezen als de Bereidwillige en de Algenoegzame.
Is al het zijne onvolkomen en met zonde bevlekt, Christus heeft een volmaakt werk Gode op de hand gezet. Dit is de volle losprijs voor hem betaald. Ziet als hierop het oog wordt gevestigd en het hart verliest er zich in, zoo wordt de hinkende worstelaar een huppelende held.
De Heere komt dé zoodanigen hier Zelf vertroosten.. Ik, zoo spreekt Hij, zal de hinkenden behoeden.
Onder deze hoede kunnen ze veilig en onbezorgd voorwaarts trekken.
Alsof het nog niet genoeg ware, nog een nieuwe belofte wordt er bij gegeven.
't Is alsof de Heere het voorzien heeft; daar zijn er die zich nog achter de hinkenden zien teruggewezen.
Daar behoor ik nog niet eens bij; d. i. van mij nog te stout gesproken, ik ben uitgestooten. In Davids stad op het heilig erf is mijne plaats niet meer.
Als ge het beeld, van den Israëliet hier eens voor u wilt nemen, zooals hij uitgestooten was naar verre landen, verbannen zonder eenig uitzicht op terugkeer, ja dan kunt ge er iets van verstaan, wat hierin voor het geestelijk Israel ligt opgesloten.
Ze zijn vreemd in hunne omgeving.
Deze wereld is het land van vreemdelingschappen. Ze kunnen hun hart hier niet kwijt. Overal voelen ze banden die knellen, en niemand die ze verbreken kan. „Wie zal ons vrijmaken", zoo luidt de verzuchting.
„Ik, " zoo spreekt de Almachtige. Ik zal de uitgestootenen verzamelen.
Ze zullen niet zoo eenzaam blijven.
Ze zullen, die éen Koning hebben en eeren, straks weer tezamen wonen. Ze worden door één machtige hand verzameld, rondom één Troon, in één Paleis, in één Stad.
Deze inzameling heeft nu plaats in den loop der tijden. Door de wondere werking van Woord en Geest tezamen worden ze thuis gebracht. De Heere dwingt ze en lokt ze. Hij legt om den onwillige Zijn machtige armen en die gewillig werd gemaakt, maakt Hij steeds gewilliger. En zoo zal het eenmaal blijken waarheid te zijn, dat er niet anders dan hinkenden en uitgestootenen door des Konings poort zijn binnengegaan.
Nu is het maar de vraag waar het met ons persoonlijk om gaan zal: „ben ik al zulk een hinkende, zulk een uitgestootene geworden ? "
Jakob kan niet anders in het land der vaderen ingaan dan hinkende. Straks strekt hij als een hinkende zijne voeten uit op het leger, midden in het land der vreemdelingschappen, en spreekt: op Uwe zaligheid wacht ik, Heere.
Mefiboseth liet zich leiden door des konings dienstknechten. Hij ging op het woord des konings, al vatte hij het niet. Mogen we het u eens voorhouden hoe het den oprecht bedroefden omtrent de zonde vaak gaat. Zij zijn bedroefd en telkens schaamrood, zij gevoelen zich vreemd op aarde, en toch kan het zijn dat ze op de vraag of ze ook deel hebben aan Christus, u het antwoord schuldig blijven.
Wie hierin raad kan schaffen ? De Heere zelf door Zijn Woord en Geest. Luistert maar veel naar Zijne dienstknechten als ze de boodschap van hun Zender overbrengen. Wandelt veel in deze wegen en laat uwe bede maar opklimmen :
Zie mij Heer', Wien elk moet duchten. Tot U vluchten; - O, mijn God, verlaat mij niet; Blijf niet, wegens mijn gebreken. Ver geweken, Toon dat Gij mijn rampen ziet.
Hij is een God, Die Zijn Naam heerlijk maakt. Het hinken zal overgaan, 't wordt straks huppelen.
Wat 'n blijdschap zal dat wezen als hun de krukken uit de handen vallen en als ze dan gedragen mogen worden in het Vaderhuis met allen die God vreezen.
Verblijdt u hier reeds thans in, gij, die den Heere achterna kleeft, straks zult gij, die hier als een uitgestootene toefdet, het hooren van Zijne lippen: „komt in, gij gezegenden, om te beërven wat God voor u weggelegd heeft van voor de grondlegging der wereld."
Nu treedt het in vervulling. Zij zullen huppelen van vreugde, Daar zij hun wensch verkrijgen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 september 1917
De Waarheidsvriend | 5 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 september 1917
De Waarheidsvriend | 5 Pagina's