De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

5 minuten leestijd

De Openingsrede.

De gewone zitting der Staten-Generaal werd ditmaal niet geopend door de Koningin persoonlijk maar in opdracht van Haar door eene Commissie bestaande uit de Ministers, Hoofden der Departementen van algemeen bestuur.

Uiteraard was de openingsrede, welke door den Minister van Binnenlandsche Zaken voorgelezen werd, zeer kort. De Kamers komen toch in deze zitting voor geen ander doel bijeen, dan om haar taak betreffende de tweede lezing der Grondwetsherziening te volbrengen, de Staatsbegrooting te behandelen en de zaken van urgenten aard af te doen.

In gewone tijden zou daarom aan de openingsrede weinig aandacht zijn geschonken, doch thans was dit anders. De buitengewone omstandigheden, waarin wij ons nog steeds bevinden, drukten ook op deze openingsrede haar stempel, ~^en dit wel bij deze gelegenheid in bijzondere mate.

- Reeds in den eersten volzin geeft de mededeeling, dat in den binnen-en buitenlandschen toestand geen belangrijke wijziging gekomen is, te denken. Al is de wijziging op de hier genoemde punten niet belangrijk, zoo valt er dan toch eene verandering, en naar men weet niet in gunstigen maar in ongunstigen zin te constateeren.

Doch dit is nog slechts de inleiding.

Wat er op volgt stemt steeds somberder.

Op twee gedeelten valt daarbij de bijzondere aandacht: •

„De vooruitzichten voor den komenden winter zijn weinig bevredigend"

en „de voorziening van ons volk met levensbehoeften en grondstoffen voor de nijverheid wordt voortdurend moeilijker."

De regeering ziet hier blijkbaar de naaste toekomst zeer donker in. De financiën des lands staan er niet gunstig voor, de economische toestand van het volk verslechtert, er dreigt groote werkloosheid, en om de bevolking naar behooren te voeden moeten gewichtige problemen opgelost worden, en ernstige moeilijkheden worden overwonnen. Daar is geen enkel lichtpunt, waarop de regeering kan wijzen.

Kon in de Troonrede van de maand Juni nog op een enkel onderdeel een blijmoedige geest de sombere gedachten van dreigende gevaren verbannen, deze openingsrede werd in wat men noemt, de „mineur-toon" gezet.

Ook is er in geen enkel opzicht sprake van eene vermindering van den militairen druk. De regeering blijft noch steeds verplicht, te midden van elkaar fel bestokende vijanden, land-en zeemacht gereed te houden tot afweer van mogelijke inbreuk op de neutraliteit van het Rijk. Gedachtig aan de ernstige schending van onze neutraliteit van onlangs, ligt in deze passus van de Troonrede een diepen zin, welke tot groeten ernst moet stemmen.

Terecht doet de regeering daarom met het oog op den druk der tijden een beroep op het geheele Nederlandsche.volk.

Meer dan ooit — zoo zegt zij — is samenwerking van allen, zonder onderscheid van klasse of stand, onmisbaar om ons te midden van den stijgenden nood der wereld staande te houden.

Moge dit beroep op eensgezindheid in alle geledingen van ons volk niet te vergeefs worden gedaan.

Wij schreven bij eene vorige gelegenheid: dat ons land zorgelijke tqden tegemoet gaat. Die beschouwing, van hetgeen ons volk wacht, - wordt thans door den inhoud van de openingsrede bevestigd.

De regeering ziet den toestand donker in. „Het Nederlandsche volk heeft zich te midden van den stijgenden nood der wereld staande te houden."

Zoo tot de natie sprekende, grijpt het de ziele van al degenen, die zich voor den levenden God buigen aan, dat in de geheele openingsrede met geen woord gerept wordt, van den naam van den Heere van hemel en aarde, die alleen machtig is den vrede te gebieden.

Hoe herinneren we ons de Troonreden, die in de laatste jaren uitgesproken werden. In het eerste oorlogsjaar klonk het: „Met de bede, dat God ons kracht moge schenken." In het tweede oorlogsjaar: „Met de bedOj dat God ons moge sterken." In het derde oorlogsjaar: „dat God ons ook in dezen zorgvoUen tijd moge bijstaan." En nog op den 28sten Juni van dit jaar: „dat God het daarvoor behoede, is Mijn innige bede."

Steeds dieper nijgde zich de Koninklijke Vrouwe voor den troon van den Almachtige.

En thans, in deze benarde tijden, wordt van dit aanroepen van 's Heeren Naam geen woord gehoord.

Wat zou het ontroerd hebben, als van de regeeringstafel b v. gehoord was geworden: „Met de bede, dat de Heere land en volk genadig moge zijn."

En nu zegge men niet, dat het in een Openingsrede, die door een van de Ministers wordt uitgesproken, geen gewoonte is een bede tot God op te zenden. Want ook al ware dit juist, dan was er toch zeker ditmaal alle aanleiding toe geweest om het wel te doen. Maar dit onderscheid tusschèn een Troonrede en een Openingsrede is er niet. Immers in de Openingsrede uitgesproken door Minister Heemskerk op 19 September 1911 wordt het inroepen van den zegen Gods toch even goed beluisterd.

Het stemt daarom tot droefheid, dat ons tegenwoordig Kabinet in deze dagen van klimmenden ernst en grooten nood het buiten de hulpr Gods schijnt te kunnen stellen.

Moge over deze houding een ernstige klacht uit ons volk opgaan en deze een weerklank vinden in de Staten-Generaal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 september 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 september 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's