Stichtelijke overiienking.
Dit volk hen Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijnen lof vertellenJes. 43:21.
Israël prijst den Heerel
De Heere wordt in Zijn eigen werk verheerlijkt!
Kan het ook wel anders ? De Schepper van al wat er is, heeft in het scheppen Zijns Zelfs eere gelegd. Alles gewrocht om Zijns Zelfs wille! Ja, oobdengoddelooze tot den dag des kwaads. Alles door Hem daargesteld„ dat houdt ook in: alles voor Zich in het aanzijn geroepen. Niets zal dat dan ook verhinderen. De Heere vindt Zijn lof in het gewrocht Zijner handen! Do goddeloozen zullen in de hel Zijn gerechtigheid nog groot maken I
Hoeveel te meer zal hét dan evenwel om 's Heeren lof gaan, wanneer daar een volk op aard wordt verwekt, dat van zijn goddeloosheid wordt gered. God is een God, Die goddeloozen rechtvaardigt, zegt de apostel. Zondaren worden met God verzoend door den dood Zijns Zoons! Dat is het uit God geboren volk I Dat werk Gods zal dan ook bq zonder uitkomen als „om Zijns Zelfs wille." O, niet alleen in dezen zin, dat de Heere redenen bij Zichzelf neemt om dat volk te trekken lit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht in Jezus Christus, de Zonne der gerechtigheid. Maar ook aldus, dat de lof des Heeren uit wordt geroepen, hetwelk begint in het: „ Heere, wat wilt Gij ? " om steeds meer als een golving aan te dringen en al sterker zich te openbaren ia het: „Niet ons, niet ons. Uw Naam alleen zij de eere."
ledere boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend, zegt de Heere Jezus. Het volk Van God wordt nu hieruit gekend, dat "fit de eere des Heeren vermeldt, dat üet een volk is ijverig in goede werken. En, waarde lezer, dat zeggen we dan niet alleen omdat we tot die gevolgtrekking komen krachtens de lijn, welke we in dezen opmerken in Gods Woord. Dat is zeer zeker op zichzelf genoeg. Uw Woord is de Waarheid! zoo roept gé het toch mede uit, om dan den rijkdom van Gods Woord te leeren kennen in de lessen ons gegeven. Ja juist ook langs het pad schrift met schrift te verklaren wordt het geleerd te zingen van dat getuigenis dat eeuwig zeker is en geeft verstand aan slechten, wien 't gemis van zulk een glans een eeuw'gen nacht zou baren.
Maar toch, al is al de Schrift van God ingegeven, ge zult het met mij gevoelen, het meer eigene Woord van God trekt nog sterker door. Daar ligt een gradueel verschil tusschen het Woord van God bij monde van den profeet of apostel en het Woord van God hetwelk de Heere Zelve direct tot Zijn volk wil spreken..— De profeet roept het toe, de apostel vermaant het: Weet, dat de Heere is God en dat Hij u heeft geformeerd, verkoren, geroepen, gerechtvaardigd, geheiligd en dat Hij u zal verheerlijken. De Heere zelf komt en zegt: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid — en — Ik heb u in de beide handpalmen gegraveera. —-Slet waar, lezer of-lezeres, van onszelf zwak van moed, klein van krachten zijnde, ja stof van jongs af geweest, het is der ziele van Gods volk zooveel meer of dat „Ik" des Heeren direct haar tegenkomt dan of de Heere langs meer middellijken weg spreekt in en door Zijn Woord.'
Zulk een „Ik" des Heeren komt ons nu tegen uit Jesaja 43 wanneer we als tekst boven deze overdenking plaatsten: „Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijnen lof vertellen." — Het meest directe Woord van God leert het ons dus onomstootelijk dat Gods volk geleerd wordt in het roemen der deugden des Heeren.
Hoe kan het ook anders? We vragen het nog eenmaal. Nu met het oog op onze tekstwoorden. Die woorden geven alles zoo duidelijk aan. Het is ook het zuivere Woord van God! En dat spreekt immers gezonde taal! Geve de Heere maar een geopend oog en een ontsloten hart om dat te verstaan.
Dit volk heb Ik Mij geformeerd. Een van den Heere geformeerd volk! Zoo wordt Gods volk, het Israel Gods door den Heere zelve hier voorgebracht. Het is een gewrocht Godes! Niet maar, zooals de Heere de Schepper is van alle geslacht. Daar staat niet: dit volk heb Ik Mij geschapen. Ook dat is waar. Hij is de Schepper van al wat er leeft. In dat geformeerd ligt evenwel iets anders. Daarin wordt de herschepping aangegeven in al haar omvang. Daarin wordt door den Heere zelve gezegd: Ik heb het geroepen, geleid en bewaard. De Heere is er Zelve aan te pas gekomen om dat schepsel, hetwelk het onderwonden had tegen Hem op te staan, met zijn Maker te twisten, en dat deswege midden in den dood lag, dood in de zonden en misdaden, te roepen tot de wederkeering tot den Heere, het doende opstaan uit dé dooden.
De Heere kwam door de werking Zqns Heiligen Geestes het verdorven schepsel met zijn verderf bekend te maken. De oogen werden geopend. Onrust vervulde de harten. De rust, de vreeselij ke rust van dien geestelijken dood, was uit. Het ging als in de doodenvallei van Ezechiël. Daar kwam een ritséling in die vallei. Been kwam tot been. Toen kwam de akeiigheid van wat was en niet meer was eerst recht spreken. Die afgrijselijke geraamten, die zeer dorre geraamten waren eenmaal menschen geweest. Zoo ook in het geestelijke. De Heere komt eerst alles op zijn plaats te zetten. Hopeloos verstrooid in zichzelf van nature. Maar als dan in de opening der oogen alles geordend wordt, dan ziet de zondaar eerst recht de afzichtelijkheid van zijn bestaan voor een heilig en rechtvaardig God. Dan wordt gezien wat er terechtgekomen is door moedwillige ongehoorzaamheid van een mensch naar Gods beeld en gelijkenis geschapen. Dan een walging van zichzelf gekregen!
Onderwijl wordt het dan evenwel doorgemaakt, dat de Heere zóó doende een volk formeert. Het blijft daar niet bij, dat ze zichzelf zien zooals ze zijn, dat ze schrikken en beven in hun vonnis gansch rechtvaardig, dat ze het verlorene gaan peilen in diepe diepten. De Heere trekt ze onderwijl in de leidingen Zijns Geestes tot den troon Zijner genade. Uitdiepten van ellenden leeren ze roepen tot Hem, Die heil kan zenden. Ze leeren roepen met een: o Heere, aanschouw mijn smart. Benauwd, omringd door droefénissen, is het: „Och Heer', och wierd mijn ziel door U gered." — En dan wordt het ook ondervonden dat de Heere de hand er in heeft. Hoe goed doet het de ziele toch reeds haar nood God te mogen klagen. Maar als het dan zijn mag, dat ze de zonden kwijt kunnen, dat ze ondervinden dat de Heere vertroost met de vertroostingen Christi. Bovenal wanneer het is aldus aan den voet van Golgotha's kruishout te worden geleid, dat het pak der zonden van de schouders wordt genomen, dat men spreken mag: Zijn bloed reinigt van alle zonden, dan gaat het meer 'en meer leven, dat de Héere groote dingen aan de ziel heeft gedaan, dan komt het ten slotte daar dat het gezongen mag: Hij heeft door wondren ons "bevrijd Dies juichen wij en zijn verblijd.
Let daar dan evenwel op, aandachtige lezer of lezeres: Hij heeft door wondren ons bevrijd. In dat werk van God, als de Heere aldus Zijn volk formeert, gaat het meteen over meerderen. De naam volk zegt het immers ook. Het wordt gevoeld, , opgemerkt, verstaan, allen van hetzelfde maaksel, allen van dezelfde leidingen, allen arme zondaren, allen geen uitkomst dan door genade. Ze kennen allen hetzelfde. Uit éénen dood tot ééne hope. Het is een saamhoorig volk. Groenewegen zingt dan ook van zoete banden die hem binden aan des Heeren lieve volk en hij zegt dat hunne taal zijn harte tolk is. David ontlokt het aan zijn harp, dat hij een vriend en gezel is van allen die den Heere vreezen. Eén God, één volk, éen — Kanaan der hope. Daar ligt wat in! Een volk van God geformeerd. Meer nog: Lo Ammi wordt Ammi: „Niet Mijn volk" wordt
„Mijn volk"!
Dit volk heb Ik MIJ geformeerd, zoo spreekt de Heere. Het is een Godsvolk, , Gods eigen, bijzonder volk. De Heere heeft het zich tot een eigendom geformeerd.. Hij doet er mede wat Hij wil, o zeker. Maar ook, wie dat volk aanraakt, raakt dus ean volk aan, hetwelk Gods eigen volk is. Hij is hun Heere en zegt tot den een: kom I en tot den ander: ga! Daarnaast Hij is hun Heere en regeert ze zelve met wijs beleid tot hunne zaligheid en onuitsprekelijken vrede. Hij is hun God, voor Wien zij geduriglijk vreezen. Meteen ook hun Man, hun Vader, Die weet wat van Zijn maaksel zij te wachten en Die, wetend dat ziij alles bij en vaa zichzelf missen, uit Zijne volheid schenkt genade voor genade. — „Ik zal u tot een Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige"! Daar ligt zaligheid onnoemelijk groot! Wanneer bet volk nu maar op zijn plaats mag wezen, en wanneer ze nu maar samenwonen als kinderen van. hetzelfde huis, dan zal de Heere het vervullen met zegeningen, dan wordt het ondervonden:
„Ai, ziet, hoe goed, hoe lieflijk is .'t, dat ' [zonen Van 'tzelfde huis als broeders samenwonen." Dan: „Waar liefde woont, gebiedt de Heer' den [zegen; Daar woont Hijzelf, daar wordt Zijn heil [verkregen En 't leven tot in eeuwigheid."
Wat staat daar tusschen? ... Ge weet het: Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen". — Als het volk van God op z'n plaats is, dan zal het niet anders! „Wij hebben Hem lief' omdat Hij ons eerst heeft liefgehad", zegt Johannes. En dan spreekt Johannes van het volk in z'n geheel. Hij zegt niet maar: ik heb Hem lief, doch wij hebben Hem lief. — De Heere heeft toch ook. Zijn volk genoemd wat geen volk was! — Het is toch ook alles vrije goedheid. Hoe meer wordt gezien en verstaan wat er ervaren is, hoe meer het moet erkend, dat alles ontvangen goed is — genade-goedl — Heb ik ook omgezien naar Dien, Die naar mij omzag ? zoo wordt het bij den een en bij den ander steeds meer opgemerkt. Uit ongehouden goedheid en liefderijk ontfermen zag de Heere aan. De weg van ontdekking en van vertroosting, de weg van omkomen en van behoud, de weg van ellende èn van verlossing, zoo de Heere Zelve het niet gewrocht had, wie had het dan gedaan ? Ze waren in de duisternis van het natuurlijk bestaan jammerlijk omgekomen! Daarom kan het ook niet anders of ze" moeten uitroepen: Niet ons, niet ons. Uw Naam alleen zij de eere!
De Heere zegt het ook Zelve: Zijn volk is een Hem lovend volk! Zij zullen Mijnen lof vertellen.
Daar ligt een vermaning in, waarde lezer en lezeres! De Heere vermaant in die woorden, dat toch niet gezocht wordt de lof van zichzelf. Het gevaar is zoo groot onzen eigen lof te vertellen. „ Vleeschelijk verkocht onder de zonde", zoo u leert Gods volk zich nog meer en meer d kennen, nietwaar? Van nature kunnen we niet anders! Het eigen ik gaat voorop. Zoo sterk mogelijk. Wat kan de landman er aan doen of zijn koren vol is of niet? Immers niets! En toch wijst hij op zijn akker en zegt tot zijn gezel: mijn koren staat toch heel wat mooier dan dat van mijn buurman. — Wat kan de veehouder , er aan veranderen wanneer zijn stal met vee niét van de allerbeste is? Immers niemendal! Hij heeft gedaan wat hij kon. En toch zegt zijn zwager: de mijne zijn geheel wat beter. Wat kan het met nadruk op dat mijn wezen, dat men trotsch is op zijn bezit. Het geslacht van den rijken dwaas leeft nog. Maar ook nog geeft de Heere Zijne eer aan geen ander noch Zijn lof den gesneden beelden. — Het volk van God bedenke het evenzeer, wanneer het is, dat de een zich komt te verheffen boven den ander, dat de Heere voor Zich de eere opeischt. — Wat hebt gij dat gij niet hebt ontvangen ? En dan toch zelve er mede pralen? En geschiedt, dit niet met de rijke ondervindingen van Gods genade zelfs?
Daarom hoort wat de Heere zegt: ZIJ ZULLEN MIJNEN LOF VERTELLEN! Het zal evenwel ook niet anders kunnen. Nog eens, de Heere heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wille, ook den goddelooze tot den dag des kwaads. Het volk, dat Hij Zichzelf geformeerd heeft, zal dan toch gewisselijk ook 's Heeren Naam prijzen. Zij zullen het uitroepen ten allen tijde: de Heere is rechtvaardig, maar dan ook: barmhartig en genadig is de Heere, ja Hij gedenkt des ontfermens. De Heere is goed; Hij is te prijzen tot in eeuwigheid.
Immers steeds meer heerlijkheid zien ze in hun Heere, Die hen verkoor, riep, rechtvaardigt, heiligt en verheerlqkt. Met den psalm moeten ze en mogen ze telkens roepen:
Door al Uw deugden aangespoord, hebt Gij Uw woord En trouw verheven. Gij hebt mijn ziel, op haar gebed, Verhoord, gered. Haar kracht gegeven.
Zij zullen Mijnen lof vertellen. O neen, niet altijd zingensstof! De harpen hangen wel eens aan de wilgen. En toch ..., „Zij zullen Mijnen lof vertellen."
Waarde lezer en lezeres, het is immers onafscheidelijk aan „dit volk" verbonden, dat het des Heeren lof vertelt. Doen ze het dan ook niet, wanheer ze uit moeten roepen: „Tegen U, U alleen heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in Uw oogén"? Doen ze het dan ook niet wanneer het gehoord wordt: „'kHeb mijn tranen onder 't klagen, tot mijn spijze dag en nacht"?
Het is toch aldus, dat Gods werk niet verborgen blijft en dat immer nog geldt van dit volk: Uwe spraak maakt u openbaar!
En dat gevoelen we wel: des Heeren lof vertellen, het ligt niet altijd in zingen, maar ook in weenen; het bestaat niet altijd in roemen, maar ook in klagen: het komt niet immer uit in spreken, maar ook in zwijgen. Met woord en daad, door handel en wandel te toonen Wiens ze zijn, dat is toch 's Heeren lof vertellen.
Maar naarmate er gunst van God wordt genoten, naar die mate zal er ook een uitbreken zijn tot 's Heeren lof. Hoe riijker de ondervinding van het smaken van 's Heeren goedertierenheid, hoe sterker het uit het hart, door de keel, over de lippen moet:
Wat zal ik, met Gods gunsten overlaên, Dien trouw'en Heer' voor Zijn gena vergelden; 'k Zal bij den kelk des heils Zijn naam vermelden En roepen Hem met blijde erkentnis.aan.
Lezer, lezeres kunt gij dat reeds? Moet gg den Heere reeds prijzen bij uw leven? „Dit volk" doet het. Behoort gij daartoe? Of vertelt ge nog alleen den lof der wereld? O, bedenk dan, dat is de lof der zotheid, ijdelheid der ijdelheden, zegt de Prediker. Wat meer zegt, de Heere roept in het vervolg van ons tekstvers toe: gij hebt Mij arbeid gemaakt met uwe zonden, gij hebt Mij vermoeid met uwe ongerechtigheden. En dat zal wat wezen, wanneer dat te laat spreekt, wanneer er geen bekeering meer mogelijk is. O, mocht het nu nog spreken, nu in dezen dag. Want dan is dit nog de dag der zaligheid. Dan zal het nog ondervonden worden, dat dé offeranden Gods zijn een gebroken geest, dat de Heere een verbroken en verslagen hart niet veracht, dat het nooit van Hem is veracht geweest. Wanneer ge dan roepen moet met den tollenaar: „o God, wees mij zondaar genadig, " de Heere zal zich ontfermen en de lof, die in dien zondaars noodkreet den Heere reeds wordt toegebracht, zal uitgebreid in het:
Gij hebt o Heer', in 't doód'lijkst tijdsgewricht Mijn ziel gered, mijn tranen willen drogen. Mijn voet geschraagd, dies zal ik voor Gods oogen Steeds wandelen in 't vrolijk levenslicht.
Het is een tijd van dorheid op den akker van Gods volk! Hoe dat? Waarom? O, we weten wel, wee dengene, die tot de vrouw zegt: wat baart gij? en tot den man: wat genereert gij? derhalve, wee, .wee, die tot God zegt: wat werkt Gij ?
In ernst evenwel: waarom altijd door te klagen: mijn weg is voor den Heere verborgen en mijn recht gaat van mijn God voorbij ? Is het soms, dat ge zwijgt van het goede?
Dat uwe ziel dan als bij David eens verzwaard mocht worden in smart, dat uw hart dan als bij dien Godsman eens heet mocht worden in uw binnenste. Dan zou er een uitbreken komen tot des Heeren lof in het vertellen van uzelf, maar ook in het wachten' op des Heeren heil. Ja, dan zal het bij u ook worden naar de profetie dat de wildernis zal bloeien als een roos, dat Israel zal bloeien als de lelie, dan zal alles een liefelijke reuk den Heere zijn in den wijngaard des Heeren. Des Heeren volk zal dan zeggen:
Pryst den Heer met blijde galmen, '. Gij mijn ziel hebt rijke stof.
O, zeker, gedurig klagen over ontrouw. „Maar als het mag worden verstaan, dat .onze ontrouw Zijne trouw niet te niét doet, dat de Heere blijft zeggen : gij zijt Mijne, dat Hij der zonden niet gedenkt, dat Hij trouwe houdt in eeuwigheid, dan zinkt de ziele daar te meer onder weg, om dan ook te meer te worden gedrongen den Naam des Heeren groot te maken en het uit te roepen :
Zijn naam moet eeuw'ge eer ontvangen. Men loov' Hem vroeg en spa; De wereld hoor' en volg' mijn zangen Met Amen, Amen, nal
Kind des Heeren! Zóó gaat het naar het Land der eeuwige rust. Zóó zal het straks Kanaan zijn. En in dat Land der belofte zal uitkomen, dat ons tekstwoord ook voor dat Land een belofte is.
Het zal daar immers wezen te zingen het gezang van Mozes, den dienstknecht Gods, en het gezang des Lams, zeggende: Groot en wonderlijk zijn Uwe werken, Heere, Gij almachtige God!
Lof ziij den Heer' der Heeren!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 september 1917
De Waarheidsvriend | 3 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 september 1917
De Waarheidsvriend | 3 Pagina's