Stichtelijke overdenking.
En Jezus ging met hen. En als hij nu niet ver van 't huis was, zond de Hoofdman over honderd tot hem eenige vrien den, en zeide tot hem: eer neem de moeite niet; want ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen. Daarom heb ik ook mij zelven niet waardig geacht om tot U te komen; maar zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden. Want ik ben ook een mensch onder de macht van anderen gesteld, hebbende krijgsknechten onder mij; en ik zeg tot dezen: ga, en hij gaat; en tot den anderen : kom, en hij komt; en tot mijnen dienstknecht: doe dat, en hij doet het. Lukas 7:6—8.
Ootmoed en vertrouwen.
Daar gaat veel lijnrecht in tegen de geopenbaarde wil des Heeren, 't welk van achteren blijkt geschied te zijn naar den bepaalden raad en voorkennisse Gods, die Zelfs zóó goed is, dat Hij het kwade door Jozefs broederen gedaan, 't geen hen zeer schuldig stelde, omdat zij met 's Heeren geopenbaarde wille hadden te rekenen, en die als richtsnoer te stellen, nogthans ten goede deed komen voor gansch een volk, om dat in 't leven te behouden.
Gods goedheid heft 's menschen schuld lïiet op; daarom heeft Paulus wèl gevraagd : zullen wij het kwade doen, opdat het goede daaruit voortkome ?
Gods Woord onderwijst ons in deze dingen klaarlijk, opdat wij en onze kinderea de spreuk der ouden zouden overnemen : „Ziende in 't gebod zijn wij blind 'oor de uitkomst."
God de Heere keurt niet en kan nooit goedkeuren, wat tegen Zijn geopenbaarde wil ingaat en die geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen en de verborgen dingen zijn voor den Heere onzen God.
Daarom leert ook de H. Geest alle Gods kinderen treden in 't spoor van Zijn Woord en vraagt David: „Och, dat ik klaar en onderscheiden zag, hoe ik mij naar Uw' bevelen moet gedragen." De innerlqke bewegingen gaan uit naar Gods getuigenissen en bij de ervaringen van alle gebrek in de oefening van Godzaligheid, zoekt een oprecht volk zijn' schuld niet te verkleinen, door 't gezag van Gods geopenbaarde wille te ondermijnen, doch stelt God in 't recht en zichzelven in de schuld, telkens weer en door genade eiken dag.
Een gedurige worsteling kent de ziek tegen fatalistische gedachten, die het in verantwoordelijkheidsbesef in den mensch ' willen verminderen en zoo mogelijk dooden, omdat zij gevoelt, dat daarmee i het schuldbesef in den grond vermindert I en zonder dat „door schuldbesef verbro-| ken en verslagen" er geene blijken van 's Heeren gunst in Christus tot haar kunnen uitgaan.
't Is dan .ook aan te wijzen, dat de Heere den nederigen genade geeft en /lijn volk de hooge eere besteld heeft om een heilig Priesterdom te zijn, om geestelijke offerande den Heere te offeren, die Gode aangenaam zijn door Christus Jezus.
Op dèn akker des Heeren werkzaam te zijn, heeft een onzer godzaligen eene „voordeelige bouwerij" genoemd, want ihet „zaaikoren" komt veelvoudig terug. In 't houden van Gods geboden is groot loon, al is die belooning ook nooit uit verdienste, maar uit genade, omdat Hij Zijn eigen werk kroont. Wie zijn weg ' wel aanstelt, zal Ik Mijn heil doen zien. Als Gij mijn harte verruimt, dan loop ik het pad Uwer geboden, 't Was des apostels begeerte, om met een onergerlijke conscientie te wandelen met God en de menschen.
Gij weet wel, dat een eigengerechtig volk den bijbel niet goed lezen kan; evenwel is er ook gevaar, dat sommigen vervallen in den strik en alle eischen Gods krachteloos maken door redenen, die een schijn hebben, zelfs een schgn van godzaligheid, welke 't vleesch bekoort en de traagheid voedt.
De man, die zijn talent begroef, had een schoon klinkend argument.
Mij werd eens verhaald van een man op de Veluwe, die zijn kind een ouden Bijbel overhandigde met de bijvoeging: „dat hij er de remonstrantsche teksten uitgeschrapt had."
Zoover komen wij niet. Toch komt men zachtkens aan te ver in de richting, waar die man stond, toen hij dat zei. Eens vermaande iemand eene moeder, om haar kind ter catechisatie te zenden en tot 't gehoor des Woords op Gods dag.
Hij kreeg ten antwoord: God kan mijn jongen even goed in de herberg bekeeren, als in de kerk; en die jongen is als jonge man gestorven.... in de gevangenis.
Wij hebben in onzen Bijbel geene „remonstrantsche" teksten te schrappen en vreezen om den Heere te verzoeken, gelijk die moeder onbewust deed, maar weten, dat het leven Gods op geestelijke betrachting uit is, 't leven des geloofs een vruchtbaar leven is; en dan is een der kenmerken van waar geloof — en groot geloof — aangegeven in de woor den aan 't hoofd van dit artikel geplaatst.
De geschiedenis is troostvol voor een arm volk, dat in vernederde gestalte leven mag. De man, die dat woord sprak was een vreemdeling van geboorte, doch bleek een kind te zijn door wedergeboorte; van' Romeinsch bloed is hij die genade deelachtig geworden, 'die naar geen natie vraagt, en in het Israel Gods naar vrij believen ingezet.
't Komt in deze leiding Gods zoo uit, dat diepe ootmoed de wortel is van 't genade-leven, 't welk leunt op de trouwe des Heeren.
De man was officier, ook zeggen ze van hem, dat hij rijk is en dat hij nog al met den godsdienst (met kleine letter!) op heeft.
Hij heeft een dienstknecht, dien hij als kind liefheeft. Die knecht wordt krank, ernstig krank en lijdt zware pijnen. „De dood had hem niet slechts een brief geschreven, " maar schijnt hem reeds té hebben aangegrepen.
De knecht is ziek en de heer is in nood. 't Komt mij voor, dat hij denkt: wat heeft dit mij te zeggen? Teedere wandel voor den Heere stelt zich, als de Heere spreekt door tegenheid in ons huis, familie of eigen levenskring, gedurig de vraag: Heere, wat hebt U mij te zeggen? Anders blijven wij zoo lichtelijk ons behelpen of ons te redden met algemeenheden, en zingen in den grond der zaak het lied der oppervlakkigen op zware of minder zware dogmatische toon.
De man is in nood. Hij hoort van Jezus met groote opmerkzaamheid, welke van achteren bleek gewrocht te zijn door den H. Geest, Ook doet mij denken zijne groote vriendelijkheid aan „diepere wateren."
Gij kent allen, geachte lezers deze geschiedenis en weet van het goed gerucht, dat van hem was uitgegaan en hoe de menschen van hem spraken als een waardig man, die wegens zijne waardigheid wel zekere aanspraak maakte op hulpe voor zijn zieken knecht.
'k Hoor nog wel eens van waardige menschen, omdat ze ons in 't gevlei komen of voordeelig zijn, of onze partij sterken; de anderen zijn dan eigenlijk vijanden, 't Geslacht van die „ouderlingen der Joden" is. nog niet uitgestorven. Men heeft mij gezegd — misschien is 't abuis — dat er zelf van in de lage landen aan de zee wonen.
Wat onze officier van Kapernaüm niet verwacht had, gebeurt. Jezus komt en is reeds vlak bij-zijne woning, 's Heeren weg met een vernederend volk heeft verrassingen, die o! zoo vaak meevallers zijn.
De ontmoeting met den Heiland opent hem den mond en hij wacht zelfs niet op een eerste woord en hij spreekt: Heere, neem de moeite niet, want ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoüdt inkomen.
Welk eene belijdenis ! Wat ligt daar achter dit woord eene zelfkennis en Godskennis. De H. Geest had hem in 't verborgen veel geleerd. Een recht gezicht in 's Heeren heerlijkheid en in verband daarmee eene genadige overtuiging van eigen onwaardigheid en geringheid.
Als ik het mocht uitbreiden, zou ik zeggen, dat hij deze tegenstelling in zijne ziele opmaakt: Gij, hooger dan alle hoogen, heilig en rechtvaardig en ik stof en asch, onheilig, gansch melaatsch van hoofdschedel tot voetzool; Gij, Almachtig God en ik onmachtig schepsel; Gij boven allen nood en nooit verlegen en ik ver legen in ziele-nood en met de krankheid van mijn knecht-'; Gij, die den hemel hebt tot Uwen troon en ik in deze nedrige woning.
Voorts rechtvaardigt hij zijne zending en excuseert zich, omdat hij zelf de moeite niet genomen heeft om tot Hem te komen en de Heere nu reeds de moeite nam om Zijne schreden herv? aarts te wenden.
„Ik ben niet waardig" is van ouden datum af de toon, welke gehoord wordt in de kerke Gods, bij alle oprecht volk.
't Is wat na gesproken met een verbroken hart (en ook wel zonder dit laatste erbij) en er aan toegevoegd:0 !Heere, dat Gij in mijn onrein hart, en alzoo onder mijn dak, woudt inkomen en daar woning maken voor .
Ootmoed leert het beste in een ander en 't slechtste in zich zelven vinden en het rechte gezicht op de heerlijkheid Gods brengt altijd den mensch op 't lage plaatsje.
Een verklaarder van Gods Woord schreef wel: Ware Christus niet te voren in zijn harte geweest, zoo zou hij niet geoordeeld hebben, dat hy onwaardig was dezen Gast onder zijn dak te ontvangen.
De Heere woont gaarne onder 't dak van een ootmoedig mensch, en Hij zoekt niet naar de waardigheid .en voortreffelijkheid van't schepsel. 't is de dwaasheid van ons, die wel bij ons zelven te zoeken; en 't is niet noodig om „met den duivel te twisten over de vraag of wij nog soms wel waardig zijn, althans een weinigje."
Wonderboomen zijn nog al spoedig groot; eikenboomen groeien langzaam en winnen in de jaren aan kracht en worden door ruwe stormen in den wortel stevig.
Het oordeel over zichzelven vernamen we en geheel zijn gedrag en houding spreekt de waarheid daarvan uit. Nog even geven we acht op zijn geloof, 't welk uitkomt in 't oordeel over den Heere. „Spreek maar een woord en mijn knecht zal genezen worden."
Ootmoed en vertrouwen wandelen hand aan hand door 't leven, zoo zelfs, dat waar 't eerste niet is, 't tweede ijdel is. Spreek maar een woord, want Gij hebt het te zeggen ('k schreef haast te commandeeren) en gelijk ik 't heb te zeggen in mijn' kring, zoodat ik tot dezen zeg: „ga" en hij gaat en tot geenen zeg: „kom" en hij komt en "tot mijnen huisknecht: „doe dat" en hij doet het, zoo hebt Gij alles te gebieden en op Uw hoog bevel loopen sterren in hunne banen en beweegt zich op aarde, alles wat er geschiedt.
Tot de krankheid zegt Gij: ga en zij gaat en tot de gezondheid: kom - en zij komt; tot zielsbenauwdheid: ga en zij wijkt, en tot den vrede: kom en hij komt enz. enz.
Uit geheel zijn woord verstonden we, als we 't niet reeds wisten, zijn levenskring ; hij denkt zich en ziet den Heere, a]s de Overste Leidsman van al Zijn volk, die tot Satan heeft te zeggen: Ga heen en laat mijn gevangenen los.
Hier is ootmoed en - vertrouwen saamgesmolten tot ootmoedig wachten op den Heere.
't Is opmerkelijk, dat deze man ook niet begon met te zeggen, dat hij te commandeeren had, doch vooraf had laten gaan: ik ben ook een mensch, onder de macht van anderen gesteld. En nu wacht hij op 't woord van Hem, Wiens vrije goedheid alleen het beslist en beslissend woord kan uitgeven.
Dat woord . wordt straks gesproken, opdat alle arme.hoofdlieden weten mogen, dat de wachter Israels naderbij komt en Zijn woord spreken zal, opdat een neergebogene worde getroost en dat Hij Zgne schatkamer opent (want Schatmeester is Hg!) voor allen, die het uit de hand leeren geven.
Hij, die doorwondt heelt Zijn volk, dat klein van zichzelven en groot van Hem mag gevoelen.
Merken wij nu nog op, dat de Heere zich verwonderde over 't geloof van dien . man, dan is ons duidelijkj dat al wat hoog van zichzelven gevoelt voor den Heere een gruwel is en genade leert in ootmoed te wandelen voor God en de menschen.
Och! mocht dit merk — en werk — des oprechten geloofs meer in onze zielen zijn, want God wederstaat den hoovaardigen en den nederigen geeft Hij genade.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 oktober 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 oktober 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's