Staat en Maatschappij.
In de goede richting.
De Staatscommissie, welke benoemd werd om een ontwerpreglement houdende dienstvoorwaarden van het personeel der posterijen, telegrafie en telefonie samen te stellen, heeft, naar de bladen rnededeelen, ook voorstellen ontworpen met betrekking tot de Zondagsrust van dat personeel.
De Staatscommissie stelt voor in art. 60:
1. Alleen bij'onvermijdelijke noodzakelijkheid wordt des Zondags arbeid verricht.
2. Bij de regeling van den dienst wordt rekening gehouden met het beginsel dat een ambtenaar op den Zondag zooveel mogelijk gelegenheid behoort te hebben zijn kerk te bezoeken en dat hij niet op twee achtereenvolgende Zondagen arbeid verricht.
Het is zoo begrijpelijk, dat het orgaan v. d. bond van Christelijk-Protestantsche Post-en Telegraafpersoneel zich over deze voorstellen verheugt, want, vereenigt de Miuister zich met de voorstellen der Staatscommissie en komt art. 60 in het reglement, zooals de Commissie dat wenscht, dan vervalt vanzelf alle administratie op Zondag, die tot Maandag kan worden uitgesteld.
En dit zal een heele verbetering worden en den arbeid op Zondag sterk doen verminderen.
Het is verwonderlijk, dat zuik soort maatregelen niet eerder getroffen werden en om tot beperking van dienst op Zondag te komen een Staatscommissie den stoot moet geven.
Gerust, wij meenen, dat nog wel een stapje verder kan gegaan worden in inrichting van: „de postkantoren op zondag gesloten."
Loyale uitwerking.
De commissie, die uit de Vereeriiging „Volksonderwijs", in 1912 een conceptwet tot regeling van het algemeen vormend lager onderwijs gereed maakte heeft thans dit concept gewijzigd en het in overeenstemming gebracht met het gewijzigde artikel 192 der Grondwet.
Uit den arbeid dezer commissie, die opgenomen werd in een tweede gewijzigde druk van de „Concept-wet", uitgave van „Volksonderwijs" blijkt duidelijk, welke gezindheid de voormannen der openbare school zijn toegedaan ten opzichte van de uitwerking van het gewijzigde Grondwetsartikel 192,
In de eerste plaats valt op te merken, dat een niet geringe minderheid der commissie van oordeel is, dat wel degelijk uit de bedoeling en den inhoud van artikel 192 van de Grondwet, ook bij eene eerlijke en loyale uitwerking van dat ariikel, de wenschelijkheid en mogelijkheid kan opgemaakt worden van het verleenen van flnancieelen steun uit de gemeentekas aan het openbaar onderwijs, zonder dat die steun ook aan bijzonder onderwijs dient te worden verleend.
De clausule uit het Grondwetsartikel, dat „het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar denzelfden maatstaf als het openbaar onderv/ijs uit de openbare kas bekostigd", ziet, naar de heeren beweren, in de woorden openbare kas op de rijkskas.
Elk voorstander van het bijzonder onderwijs, zoo zeggen zij, mag toch zeker bevredigd geacht worden, als hij, zonder eenige noodzakelijke bijbetaling, voor zijn kinderen volledig ingerichte scholen vindt, waarop geheel naar den eisch van zijn bijzondere opvattingen het onderwijs kan worden genoten.
Maar daarbij moet het dan ook voor het bijzonder onderwijs blijven.
Het openbaar onderwijs verkeert in andere positie en mag de bijzondere stem uit de gemeentekas niet onthouden worden.
Voorts blijkt het, dat de geheele commissie als eischen voor de toekenning van rijksgeld ten behoeve van het bijzonder onderwijs stelt, o.m. dat:
het leerplan aan de goedkeuring van den districts-schoolopziener wordt onderworpen;
het besluit der keuze van vakken de goedkeuring erlange van Gedeputeerde Staten;
de onderwijzers worden benoemdm voorafgaand overleg met den districtsschoolopziener ;
het aantal werkelijk schoolgaande kinderen niet. beneden een vast te , stellen minimum dale; geen schoolgeld wordt geheven; enz.
Eindelijk staat de Oommissie in haar geheel op het standpunt, dat aan de gemeenten ten behoeve van het openbaar onderwijs behoort uitbetaald te wordeiii de kosten wegens het stichten, verbouwen of aankoopeh en onderhouden van schoollokalen en dienstwoningen voor hoofden; voor het bijzonder onderwijs wordt dit beperkt en moet de bepaling gelden, dat het bij schoolbouw vaststa, dat de school door ten minste 55 leerlingen zal worden bezocht en het bestuur der school bereid is bij nieuwbouw eeu bedrag, gelijkstaande met vijftien ten honderd van de kosten daarvan als waarborgsom in 's Rijks kas te storten.
Uit hetgeen de Commissie ten aanzien van een toekomstige wet op. het Lager Onderwijs wil, kan men opmaken, dat voorshands aan de pacificatie nog wel wat zal ontbreken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's